De lente lonkt

Winterakonieten als vroege voorbode van de tijd die komen gaat

Winterakonieten op 2 februari 2022

De lente lonkt: die woorden lijken een voorbarige uitspraak, want er zijn nog een kleine acht weken te gaan. Toch laten de gele bloemen van de winterakonieten zich in de eerste dagen van februari zien als een levendige, overigens tijdelijke bodembedekker. De eerste bloemknoppen waren trouwens al drie weken geleden te zien, nadat de kleine bolgewassen schoorvoetend uit de donkere aarde tevoorschijn waren gekomen. Aanvankelijk dacht ik met ranonkels van doen te hebben, of met gele anemonen. De Obsidentify-app bracht uitkomst. De identificatie met de iPhone leverde een 100% score voor de winterakoniet, wel een lid van de ranonkelfamilie, maar geen anemoon.

Winterakonieten tussen verdwaalde herfstbladeren

Opvallend is wel, dat Obsidentify de winterakoniet een zeldzame verspreiding toedicht. Het is niet duidelijk, of de plant al in 1981 aanwezig was, bij de aankoop van ons huis. Vast staat wel dat de omvang van het bloembed geleidelijk aan groter is geworden. Bovendien zijn op andere plaatsen in de tuin ook winterakonieten te vinden. Winterakonieten kunnen uit zaad worden gekweekt, en dus ook door vogels worden verspreid. Ook kunnen de planten zichzelf uitzaaien. Eranthis hyemalis – de officiële naam van de geelgroene plant – behoort tot de groep van de stinsenplanten, die vooral te vinden zijn op landgoederen, boerenhoven, borgen en kerktuinen. Het zijn meestal ingevoerde en aangeplante, soms ook verwilderde planten.

Winterakonieten als voorbode van de lente

De heldergele, naar honing ruikende bloemen zitten aan een 5 tot 10 cm hoge steel boven een kraag van groene bladeren. Ook Wikipedia meldt, dat winterakonieten in Nederland vrij zeldzaam zijn. In Zuid-Frankrijk, Italie en de Balkan komt de plant vrij in de natuur voor. Nederlandse liefhebbers zijn aangewezen op de bollenhandel. Gelukkig bloeien winterakonieten enkele weken, hoewel de bloemen pas ontluiken bij hogere temperatuur. In zonlicht openen de bloemen zich om zich weer te sluiten wanneer het donker wordt. Dan resteert een bodembedekker, die tegen het einde van het voorjaar de geest geeft. Het veldje van akonieten doet in de – toegegeven: verste – verte denken aan een groen-gehelmde actiegroep. Van dichtbij is het echt de aankondiging van de lente.

Mysterieus maar mooi

Hoe regen en mist De Bruuk veranderen in een grauw-grijs-bruin maar desondanks boeiend landschap

Dat was een vreemde gewaarwording op de tweede maandag van januari, even na drie uur: in Nijmegen volop zon en dus opnieuw aanleiding voor de gebruikelijke wandeling in De Bruuk, het steeds weer boeiende natuurgebied bij Breedeweg. Maar bij het binnenrijden van Groesbeek verdween de zon plotseling achter een dichte, winterse mist. Het zicht bedroeg nog wel een meter of vijftig, maar de abrupte overgang ontnam meteen het uitzicht op de heuvels van het Reichswald. De temperatuur zakte van vijf naar twee graden, en het groene grasland rond Horst kreeg een sombere, grijsgrauwe kleur. Bij de noordelijke ingang aan de Ashorst schrokken de modderige parkeerplaats en de moeilijk begaanbare paden ons zozeer af, dat we besloten door te rijden naar de zuidelijke toegang aan de Hogewaldseweg. Een voettocht over lange landweg, dwars door de Bruuk leek een beter alternatief dan de traditionele rondwandeling.

Die verwachting werd niet beschaamd. Integendeel. De betonnen rijplaten maakte het parkeren tot een eenvoudige handeling. Ook het brede pad naar de blauwgrasvelden was droog en goed begaanbaar, tot halverwege de driesprong met de paden naar de beide andere ingangen aan de Ashorst en de Lage Horst. Op sommige stukken dwongen grote plassen ons maar de met gras begroeide hogere middenberm of naar de zijkanten, dicht langs de afwateringssloten. Modderige gedeelten waren intussen moeilijk te ontwijken. Toch haalden we uiteindelijk de al genoemde driesprong, om daar – anders dan bij de gebruikelijke rondtocht – de weg terug te lopen naar de parkeerplaats. Het zijpad dat naar de ingang aan de Lage Horst lijkt was – zoals verwacht – veranderd in een nauwelijks beloopbare modderpoel.

Intussen viel er toch wel wat te genieten, ondanks of juist door de opvallende grauwsluier over het meestal bruine landschap. De mist hing als een half doorlaatbare wolk boven de landweg, die De Bruuk doorkruist, langs de hier en daar nog groene blauwgrasvelden. Het eind van de weg blijft geruime tijd onzichtbaar. Talrijke plassen op de doorgaans droge weg maken het lopen tot een moeilijke aangelegenheid, behalve op het gedeelte, waar kennelijk een mengsel van leem en zand is gestort, zelfs over de meestal groene middenberm heen. Het dode riet langs de weg maakt het beeld er niet vrolijker op, Maar daar staat tegenover dat het andere zicht op De Bruuk een aparte stemming oproept

De Bruuk zag er dus heel anders uit dan we in de andere jaargetijden gewend zijn. In de blauwgrasvelden waren nu meer en grotere plassen zichtbaar. Het water in de nu zichtbare en kennelijk schoongemaakte sloten langs de landweg stond veel hoger dan in het voorjaar en de zomer. Van de bloemen resteerden nog wat resten, net zoals van het riet. De banken langs de landweg, meestal een dankbaar oriëntatiepunt, doemden pas op het laatste moment op. Het aantal wandelaars was op de vingers van een hand te tellen. Kortom: de Bruuk in een herfstachtige wintertooi, die we nooit eerder gezien hadden. Niettemin: de moeite waard om te beleven en vast te leggen in enkele karakteristieke beelden.

Met uitzondering van de laatste afbeelding zijn alle foto’s gemaakt op of vanaf de oude landweg, die De Bruuk door midden klieft. De slagboom op de laatste afbeelding markeert de modderige toegang van De Bruuk aan de Ashorst, de weg van Horst naar Breedeweg. Klikkn op de foto’s toont meer details. (AL – 10 januari 2022)

Rob Hoogveld (1943 – 2022)

Herinneringen aan Nijmeegse drie-eenheid: bevlogen journalist, voluit Knotsenburger, levenskunstenaar

Wie kende hem niet: Rob Hoogveld, de jarenlange stadsverslaggever van de Gelderlander, die onlangs overleed aan kanker, de nog te vaak ongeneeslijke ziekte. Hij had gemeten naar de tijd nog heel wat jaren te gaan in de stad, die hem in veel, zo niet alle opzichten dierbaar was. Wie kende hem niet onder de Nijmegenaren, die meer dan vier decennia via zijn pen en schrijfmachine gevoed werden met nieuws en kennis over de oudste stad van Nederland. Dat achter Moenen – auteur van talrijke boeiende columns – Rob Hoogveld schuilging, was alom bekend. Maar dat deerde hem niet om wanneer dat nodig was politici de les te lezen of discutabele zaken op een bijzondere wijze te belichten, overigens zonder de aangesproken mensen of zaken schade te berokkenen. 

Rob Hoogveld, op 25 juni 1997, aan de stamtafel van Café Goossens (Foto: Ger Loeffen)

Wie kende hem niet, onder de vele Knotsenburgers, die Rob Hoogveld tijdens de Carnavalsvierdaagse in zijn traditionele uitrusting in de weer zagen met attributen en met een glas gerstenat, op een van de terrassen op de Grote Markt of in Café Goossens, wanneer het binnen beter toeven was dan buiten. Op carnavalszondag was Rob, alleen of met Edith, te vinden voor, naast of na de optocht. Vrijwel elk jaar liep hij zijn eigen route, buiten mededinging maar wel zichtbaar, ook voor Nijmegenaren die zich nog niet tot het Knotsenburgerschap geroepen wisten. Zijn surplace op de Grote Markt – als beeldend kunstenaar een carnavalstafereel schilderend– was voor Rob een aangename uitzondering op zijn gebruikelijke voettochten. Ook de Carnavalskrant mocht in de beginjaren op zijn medewerking rekenen.

Van Café naar Café (2015): Rob Hoogveld rust uit op de Grote Markt (Foto: Ad Lansink

Wie kende hem niet, onder al die levensgenieters, die een stamkroeg nodig hebben om aan dat genieten een extra dimensie toe te voegen: de ontmoeting met gelijk- maar ook andersdenkenden, of met collega’s – de City Bar aan de Houtstraat heette niet voor niets het Bijkantoor van de Gelderlander – en andere creatieve mensen. Het café van uitbater Jo Samson bood namelijk ook volop ruimte en drank aan een hele reeks kunstenaars, die dichtbij of veraf hun atelier hadden. In de kroeg kon niemand om Rob Hoogveld heen, niet alleen vanwege zijn rijzige gestalte maar ook om de even karakteristieke als welluidende stem, waarmee hij de mede-stamgasten aansprak of bevroeg. Op het kroegtafereel van voornaamgenoot Rob Terwindt is Rob Hoogveld dan ook terecht op de voorgrond geplaatst.

Reunie 2007 bij Rob Terwindt’s Kroegtafereel, in 1977 geschilderd voor Jo Samson van de City Bar in de Houtstraat. Links Rob Terwindt, op de voorgrond Rob Hoogveld en Harrie Janssen (Foto: Wijert)

Zelf leerde ik Rob Hoogveld kennen tijdens de eerste vier jaar van mijn lidmaatschap van de Nijmeegse Gemeenteraad. Rob volgde Frans van Mierlo, de veel te jong overleden chef van de stadsredactie op. Met zijn collega Harrie Janssen wist hij na de Raadsvergaderingen de raadsleden gemakkelijk te vinden, wanneer zij een of meer afzakkertjes namen, eerst in Old Dutch, later in de bar van Hotel Schaefer aan de Grote Markt. Daar was naast bier en worst meer nieuws te halen dan in de Raadzaal, zo ontdekten de twee journalisten, die overigens ook hun liefde voor Knotsenburg deelden. Het waren de jaren, waarin de Gelderlander extra veel aandacht aan het Nijmeegs carnaval besteedde. Toen ik zelf in de City Bar belandde, sprak ik uiteraard nog vaker met Rob, ook over niet-politieke zaken. Dat we soms van mening verschilden, deed niet terzake: de wederzijdse waardering wel.

Moeten en Marieke alias Rob en Edith , in de stadskleuren van Nijmgen, 2004 (Foto: Ad Lansink)

Die waardering uitte zich soms op een bijzondere wijze. Ik denk bij voorbeeld aan het verhaal over de door Rob aan mij uitgeleende langspeelplaat met carnavalsschlagers. Toen Jo Samson mij die plaat aanreikte – Rob was die vrijdag niet aanwezig – nam jazzmusicus Boy Raymakers de langspeler uit mijn handen en brak hem doormidden. Carnavalsmuziek stond Boy niet aan. Gelukkig vond ik in den Bosch een nieuwe plaat, zodat Rob’s verzameling compleet bleef. Ik herinner me ook als de dag van gisteren, dat Rob in de tijd van de Piersonrellen – de politie adviseerde mij een quarantaine avant la lettre – op carnavalszaterdag mijn echtgenote Ans een snor, een baard en een donkere bril meegaf, zodat ik de volgende dag ongestoord de carnavalsoptocht kon meemaken. Dat liep goed, totdat ik in de City Bar ‘ontmaskerd’ werd. Het ‘Adriaen oprotten’ van een spandoek op een studentenflat werd daarmee harde werkelijkheid. Twee maanden later vroeg Rob mij namens de stamgasten van de City Bar om toch weer te komen. De angst voor ongeregeldheden was geweken.

De Piersonrellen, ook wel bekend als de Zeigelhof-affaire brengen mij bij een andere herinnering aan Rob Hoogveld. Toen ik hem in 2007 vertelde, dat de redactie van het Numaga Jaarboek 2008 mij gevraagd had een terugblik te schrijven over de Zeigelhof-affaire, zei hij: dat kan helemaal niet. Jij was zelf een hoofdrolspeler. Ik antwoordde dat ik na zoveel jaar in gepaste bescheidenheid zo objectief mogelijk die terugblik zou schrijven, op basis van raadsstukken en raadsverslagen, en – niet te vergeten – de documentatie van de Gelderlander. De krant had in 1980 en 1981 correct verslag gedaan van de gebeurtenissen, en ook een genuanceerd oordeel geveld. Enkele maanden na de publicatie van het Numaga Jaarboek zei Rob spontaan, dat hij mijn verhaal met instemming en waardering had gelezen. Deze anekdotische herinnering toont Rob ten voeten uit: betrokken, kritisch, nieuwsgierig, maar ook fair en rechtvaardig.

Rob en Edith tijdens de Reunie 2007 van het City Bar Kroegtafereel bij Goos. Op de voorgrond Harry van Kuyk, Toontje en Ad Lansink. (Foto: Wijert)

Na de verkoop van de City Bar aan Louis Claus in 1986 vond een groot deel van de trouwe stamgasten, waaronder Rob Hoogveld een nieuw onderkomen in Café Goossens, kortweg Goos geheten. Het kroegtafereel van Rob Terwindt verhuisde na een tussenstop bij Café Biessels mee. Rob paste ook daar prima in het gemengde gezelschap, temeer waar het aantal min of meer politieke, in Nijmeegse onderwerpen geïnteresseerde figuren, nog groter was dan in de kroeg van Jo Samson. Bovendien speelde Goos een prominente rol in het Knotsenburgse leven. Carnaval was een kolfje naar zijn hand. Rob’s liefde voor carnaval had ik overigens al ervaren voordat ik zelf Prins Ad I werd. Ik mocht een keer met Rob, Harrie Janssen en Jan van Leeuwen mee op een dweiltocht naar de Waoterjokers en naar Malden om bij de Dwarsliggers de huldiging van Ad Langebent van KRO’s Brandpunt mee te maken. Daarmee werd trouwens bewezen, dat Rob soms ook wel buiten de Nijmeegse singels te vinden was.

Reunie 2012 van het Kroegtafereel City Bar voor het huis van Jo Samson aan de Waalkade: achter het schilderij Jo Samson, Harrie Janssen enn Rob Hoogveld Foto: Ans Lansink)

Dat binnen de stadssingels voor Rob meer dan genoeg te beleven was, had ook te maken met de plaatsen waar hij woonde: eerst lange tijd in de Hertogstraat, en later aan het Sint Stevenskerkhof, in het huis boven de poort naar de Sint Stevenskerk, de plaats waar Moenen en Mariken historie schreven. Rob heeft de Grote Markt onder zijn ogen zien veranderen: het teloorgaan van Vroom en Dreesmann, maar ook de toename van de terassendichtheid, met de Waag, Cafe Daen, Goos en de Derde Kamer als (Knotsenburgse) trekpleisters. De Grote Markt was de plaats waar hij zich thuis voelde, vooral in de historische Chirurgijnskamer, waar hij op 10 januari 2022 overleed, naar menselijke maat te vroeg. Zijn verwanten, naasten en vrienden weten zich getroost in de wetenschap, dat Rob Hoogveld talloze mensen aan zich verplicht heeft door zijn inzet voor en betrokkenheid met de stad, die hij liefhad en die hij op eigen wijze gediend heeft. Rob: rust in vrede.

Het ene jaar is het andere niet

Hoe herinneringen aan Kerstmis 1944 de blijde boodschap van 2021 maken tot een bundel trefwoorden voor 2022
Kerstgroep: houtsnijwerk uit Oberammergau (Duitsland), vanaf 1968 geleidelijk aan verzameld en toe in Kevelaer een figuur aan te schaffen. De groep is sinds 2000 compleet

Tijdens de Kerstdagen van 2021 dacht ik af en toe terug aan Kerstmis 1944. De afstand tussen toen en nu bedraagt zeven-en-zeventig jaar, toevallig zeven maal elf, twee getallen met meer dan een symbolische betekenis. Kunstenaar Han Klinkhamer leerde mij ooit, dat toeval niet bestaat, maar genade wel. Zal ik het dus maar op genade houden, dat in 2022 bijna alles goed komt, zoals dat in 1945 ook het geval was? Toegegeven: het ene jaar is nooit het andere, en evenmin het betere.  Van de in meer opzichten donkere dagen van Kerstmis 1944 herinner ik me het tekort aan voedsel, de angst voor razzia’s, de thuislessen door mijn ouders. Ik herinner me ook – het was mijn elfde levensjaar – de lange voettocht naar de Nachtmis in de Sint Franciscus Xaveriuskerk in Amersfoort, waar ons gezin na de evacuatie uit Arnhem beland was. Kaarsen opsteken, kerstliederen zingen, de liturgie vieren: dat kon in 1944 wel, maar nu niet. Want de pandemie hield ook de kerken in haar greep, juist nu meer mensen behoefte hebben aan gezamenlijke vieringen. 

Bronzen Kerstgroep uit Benin, enkele jaren geleden verworven in het Afrika Museum in Berg en Dal

Avond- en nacht-missen waren nu onmogelijk, en dagmissen spaarzaam. In Nijmegen-Noord – het vroegere Lent – waren de kerkdeuren zelfs alle dagen en uren gesloten. Aartsbisschop Wim Eijck had alle missen verboden, volgens Eduard Kimman SJ een vorm van pastoraal stalinisme. De Bossche bisschop Gerard de Korte liet zijn parochies enige vrijheid. Is het toeval dat de Waal de grens van de bisdommen is of is het een vorm van historische of geografische genade? Hoe het ook zij: Nijmegenaren konden in de Petrus Canisiuskerk kiezen uit Eucharistievieringen om 9:30, 10:30 en 11:30 uur, met inachtneming van de strenge coronaregels, maar ook met muziek en zang. De kerkgangers merkten tot hun verwondering, dat ook binnen drie kwartier een even ingetogen als feestelijke Kerst-dagmis mogelijk was. In zijn preek ging pastoor Eduard Kimman ook in op de overeenkomst tussen de vrijheidsbeperking in de oorlogsjaren, in het bijzonder 1944 en de belemmeringen in het sociale verkeer, zoals die nu veroorzaakt worden door de overigens noodzakelijke coronamaatregelen.

De verkondiging van de ‘vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor het hele volk: heden is u een Redder geboren’ bood een goed aanknopingspunt voor de pastorale oproep om vreugde en verdriet te delen, verantwoordelijkheid te ervaren als een gezamenlijk opdracht, en de vreugdevolle boodschap door te geven, in navolging van beeldhouwers, schilders, grafici schrijvers, dichters en niet te vergeten beoefenaren van de volkskunst, waar ook ter wereld. Het Kerstevangelie volgens Lucas 2, 1-14 begint overigens met de volkstelling, waartoe keizer Augustianus besloten had, en waaraan Jozef met Maria zijn zwangere verloofde, gehoor gaf. Ongetwijfeld zal ook toen het keizerlijk besluit verzet hebben opgeroepen, zoals nu het coronabeleid de samenleving verdeeld houdt. Of destijds ook sprake was van polarisatie en tweedracht valt uit de Heilige Schrift niet op te maken. Maar de passage Hemelse heerschare Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft sterkt mij in de overtuiging, dat de verkondiging van de vrede de kern van het Kerstgebeuren is. Opvallend genoeg riepen Paus Franciscus en Koning Willem Alexander in hun Kerstboodschappen ook op tot een echte dialoog, tot onderlinge verbondenhed en tot het slechten van tegenstellingen (die overigens al voor de pandemie voel- en zichtbaar waren). 

Houten Kerstgroep uit Afrika, waarschijnlijk Zimbabwe, verkregen van het Afrika Museum in Berg en Dal

Overigens maakte op eerste Kerstdag vooral de eerste lezing uit de profeet Jesaja vonken van ontroering bij mij los, door de inhoud en de woordkeus. 

Het volk dat wandelt in de duisternis, ziet een helder licht: een glans straalt over hen, die wonen in het land van de dood. Gij hebt hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. Voor uw aanschijn zijn zij vrolijk als mensen die opgewekt zijn bij de oogst, of jubelen bij het verdelen van de buit. Want het juk dat zwaar op hem drukt, het blok dat ligt op zijn nek, en de stok van zijn drijver hebt Gij stuk gebroken als in de dagen van Midjan. Want een kind is ons geboren, een zoon werd ons geschonken: hem wordt de macht op de schouders gelegd, en men noemt hem: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst.

Jesaja bood een vooruitblik op wat in de Kerstnacht te gebeuren stond met Joseph en Maria, voor wie geen plaats was in de herberg. Daarom legde zij haar eerstgeborene in een kribbe. Die eenvoudige, maar tegelijk verstrekkende gebeurtenis is intussen ontelbare malen verbeeld, veelal gemodelleerd naar de lokale komaf van de (volks)kunstenaar, of opdrachtgever, in enkelvoud en veelvoud, van allerhande materialen, in alle tijden. De kerstkribbe heeft niet voor niets decennia en eeuwen overleefd, en houdt de gedachte aan de oorsprong van het christendom levend. 

Kerstgroep in de Antonius Abtkerk in Nijmegen: afsluiting van de Kerstkribbe-route Hees

Een rondtocht door het gevarieerde Rijk van Nijmegen leerde, dat tijdens de Kerstdagen van 2021 heel wat kerken de deuren hadden geopend om de door de lockdownn geknotte samenleving de gelegenheid te bieden door een blik op de Kerstgroep blijde boodschap te ervaren en door te geven. Het bezoek aan de inmiddels ook buiten ijmegen befaamde Kribjesroute Hees leerde, dat nog altijd veel mensen het Kerstverhaal en de daaraan verbonden trefwoorden tot zich willen nemen, inclusief de trefwoorden, die voor mij aan de blijde boodschap zijn verbonden. Ik denk aan vrede, vreugde en vriendschap; vervolgens aan liefde, verbondenheid en genegenheid; ook aan zorgzaamheid, barmhartigheid en goedertierenheid; en tenslotte noem ik rechtvaardigheid en saamhorigheid. Laten we elkaar vasthouden in goede en minder goede tijden, met deze bundel trefwoorden. Zij blijven gelden niet alleen de komende dagen en weken, maar ook in 2022, na een jaarwisseling waarin een in meer opzichten bewogen jaar wordt afgesloten.

Nijmeegse Biografieën

Kanttekeningen bij de presentatie van Numaga Jaarboek 2021, waarin Deel 4 van de reeks Nijmeegse Biografieen is opgenomen

Op de omslag van boven naar beneden: Wilfried Uiiterhoeve, Martha Tausk-Frisch, Nol Smits, Claar Herckenrath, Eddy van Halen, Harry van Kuyk

Gewoontegetrouw verscheen kort voor Kerstmis het Numaga Jaarboek, editie 2021. De presentatie in Cultureel Centrum De Lindenberg was een bijzondere aangelegenheid. Het bijzondere karakter betrof op de eerste plaats het jaarboek zelf, nu de meeste pagina’s Deel 4 van de reeks Nijmeegse Biografieën omvatten. Bijzonder was ook de zaalinrichting: door de coronamaatregelen was er plaats voor 100 toehoorders, telkens gescheiden door twee lege stoelen. Schermen moesten het vrije verkeer van virusdeeltjes verder belemmeren. Over verkeer gesproken: straatnaamgeving in Nijmegen bleek een mooi thema bij de presentatie van een boek met korte schetsen van de levensloop van bekende en minder bekende Nijmegenaren. Jan Braber interviewde straatnaamkenner Rob Essers, terwijl wethouder Noel Vergunst en raadslid Rosalie Thomassen onder leiding van Jos Joosten met de praatgrage Essers spraken over ‘politieke’ aspecten van straatnaamgeving, zoals wel of geen behoud van namen van historisch belaste figuren, en de zeggenschap van bewoners. Ook QR-coden kwamen aan de orde, niet vanwege de coronapas, wel om bezoekers te informeren over de achtergrond van een straatnaam. 

Op de omslag van links naar rechts: Theo Elfrink, Kitty Courbois, Harry ter Balkt, Herma Chorus-Borgers

Zelf herinner ik me geen raadsdebatten over straatnaamgeving. De wijknummering in Dukenburg was destijds een hamerstuk. Mijn belangstelling voor biografieën kwam pas in 1998 bij toeval tot stand, toen na initiatieven elders  ook in Gelderland de gedachte was opgekomen om het leven van al dan niet befaamde Gelderslieden vast te leggen in korte biografische schetsen. Frank Keverling Buisman, directeur van het Gelders Archief en redactielid van het Biografisch Woordenboek Gelderland, vroeg mij om Karel Aalbers te vervangen bij de presentatie van Deel 1 van dat BWG. Geveld door een zware griep, kon de voorzitter van Vitesse het eerste boek niet in ontvangst nemen. Ik kende de inhoud van het boek niet. Daarom noemde ik in mijn toespraak onder meer de namen van enkele personen, die waarschijnlijk in Deel 1 ontbraken: John Bertine en (Gekke) Eddie Otten: Nijmegenaren die ik goed had leren kennen.  Mijn toespraak leidde tot het verzoek om voor Deel 2 Eddie Otten, die al op een groslijst stond, en John Bertine te portretteren. Ik werd een vast medewerker, kennelijk met zoveel genoegen, dat ik in 2005 bij de presentatie van Deel 4 van het BWG in het Harderwijkse Stadsmuseum een verhaal mocht afsteken over de wijze waarop een voormalig wetenschapper en politicus zich had omgeschoold tot amateur-biograaf.

De voordracht in Harderwijk viel op bij een redactielid van het Numaga Jaarboek. Hij zocht een spreker voor de feestelijke presentatie van Deel 2 van de Nijmeegse Biografieën, een reeks die in 2004 was gestart als hoofdbestand van het Numaga Jaarboek. Zijn uitnodiging beantwoordde ik positief, met als gevolg, dat ik in 2006 bij de viering van 50 Jaar Numaga in de Stevenskerk vanaf de kansel mocht ingaan op de betekenis van biografieën voor de lokale geschiedschrijving en op personen, die in de Nijmeegse reeks een plek hadden verworven. Terloops meldde ik, welke echte of import-Nijmegenaren volgens mij ook een plaats in de reeks verdienden. De geschiedenis herhaalde zich: ook deze toespraak werd gevolgd door het verzoek om voor Deel 3 een bijdrage te leveren. Dat derde deel verscheen overigens pas in 2013, zeven jaar na het verschijnen van Deel 2. Ik schreef een bijdrage over John Bertine, de befaamde kapper en ex-prins van Knotsenburg, die ik al geportretteerd had voor het BWG. Ik moest die bijdrage inkorten en herschrijven, omdat de Nijmeegse Biografieën 600 tot 800 woorden mogen tellen, ongeveer de helft van de bijdragen in het BWG. 

Die beperking dwingt de biograaf tot bondigheid, vergroot de leesbaarheid en biedt in elk deel ruimte voor meer dan honderd biografische schetsen. Detaillering is echter moeilijk, evenals de mogelijkheid van anekdotische kanttekeningen. De inkorting van mijn bijdrage over John Bertine leverde voldoende ervaring op om positief te reageren op de vraag van eindredacteur Joos van Vugt om voor Deel 4 van de Nijmeegse Biografieën een vijftal bijdragen te schrijven. Ik mocht enkele namen kiezen uit de uitvoerige groslijst van de redactie, maar ik mocht ook zelf namen voorstellen. Na wat wikken en wegen koos ik voor Blokker-ondernemer Nol Smits, kunstenaar Theo Elfrink, City Bar uitbater Jo Samson, kunstenaar Rob Terwindt en kunstenaar Toon Heijmans: allemaal Nijmegenaren, die ik vanaf de jaren zeventig – feitelijk sinds het begin van mijn raadslidmaatschap – persoonlijk had leren kennen en waarderen. De vroegere City Bar – ook wel het bijkantoor van de Gelderlander genoemd – was destijds een belangrijke ontmoetingsplaats, vooral voor kunstenaars. In Deel 4 treft de lezer ook bijdragen over graficus Harry van Kuyk en beeldhouwer Oscar Goedhart, echte stamgasten van de City Bar.

Tijdens de presentatie van het Numaga Jaarboek 2021 nam eindredacteur Joos van Vugt afscheid van de redactie. Hij werd terecht geprezen voor zijn inzet en zijn voortreffelijke begeleiding van de auteurs. De kopie van het e-mailbericht toont zijn reactie op mijn tekst en afbeeldingen voor het lemma over Robert Terwindt

Wat bij de eerdere delen al opviel, werd bevestigd in Deel 4 van de Nijmeegse Biografieën: de brede vertegenwoordiging uit alle lagen van de bevolking: ondernemers, kunstenaars,bestuurders, wetenschappers, uitbaters, schrijvers, verzetsmensen en zelfs figuren, die in de oorlog fout zaten. De twintigste eeuw wint van voorgaande eeuwen, maar de middeleeuwen komen wel aan bod. In de vier delen van de Nijmeegse Biografieën zijn inmiddels 534 boeiende levensgeschiedenissen opgetekend, waarvan 115 in Deel 4. Dat op de omslag van Jaarboek Numaga 2021 twee foto’s prijken van mannen, die ik heb mogen portretteren, berust waarschijnlijk op toeval. Ik ontleen aan dat toeval wel de vrijheid om ook nu weer namen te noemen van personen, die in een van de volgende delen niet zouden misstaan. Dat zijn oud-burgemeester Frans Hermsen, galeriehouder en Bottendaal-promotor Wim de Natris, ex-ambtenaar en schrijver Jan Roelofs, oud-wethouder en ex-NEC-voorzitter Henk Bergamin, ondernemer en NEC-topman Hans van Delft; inspirerende gangmakers, die in Nijmgen hun sporen hebben verdiend.

Herfstige biomassa

Kegels op de takken van de Zilverspar (Foto’s: Ad Lansink)

Een bijdrage aan de CO2-kringloop via duizenden bruine kegels van een lastige maar indrukwekkende Zilverspar

Zilverspar Willem Schiffstraat Nijmegen

Toen we ruim veertig jaar geleden verhuisden van Brakkestein naar de Willem Schiffstraat in Nijmegen, was de spar op de hoek van de tuin al een opvallende, flink uit de kluiten gewassen boom. De door de eerste bewoner aangeplante boom torende hoog uit boven de andere bomen in de omgeving, ook al wonnen de bomen van het Albertinum de strijd om de lengte. De blauwgrijze naalden deden ons denken aan een variant van de Blauwspar. Maar de fraaie boom kon evengoed een Zilverspar zijn, gelet op de pyramide-achtige vorm, de ruwe bast, de naalden en de vorm en afmetingen van de kegels. De in 1981 nog jeugdige zonen van overbuurman Frans Tromp hadden het ook over de Zilverspar, toen zij hun experimenten met een radiografisch bestuurde speelgoedauto onderbraken, om elkaar te vragen met wat die Zilverspar wel zou kosten. Wel tien duizend gulden hoorde ik een van de jongens zeggen, waarmee een deel van de koopprijs van ons huis werd verklaard. De Zilverspar staat nog steeds fier overeind, ondanks de bewuste verwijdering van enkele lage takken en het ongewilde verlies van takken door een sneeuwlast of door hevige windstoten.

Na de installatie van zonnepanelen op het (gelukkig) platte dak van ons huis – een kleine tien jaar geleden – kwam de gedachte op om de Zilverspar geen langer leven te gunnen. De tijdelijke dip in de stroomopbrengst in de maanden, waarin de zon wat lager staat, was de aanleiding voor die drastische ingreep. De omvang van de stam was inmiddels zo toegenomen, dat voor de verwijdering een vergunning van de gemeente Nijmegen nodig was. De kosten van verwijdering bleken wel aanzienlijk hoger dan de gederfde stroominkomsten, nog los van de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling. Het besluit om de Zilverspar te laten staan was dus snel genomen, ook omdat we – en wellicht ook de buren – gewend waren geraakt aan de uitstraling van de boom. Bovendien draagt de Zilverspar bij aan CO2-reductie en biomassa-productie, in de vorm van naalden en vooral kegels. De duizenden kegels, die in de herfst in twee tot drie weken naar beneden komen, zijn wel een pittige bron van werkverschaffing. Het bijeenvegen van de talloze kegels op het trottoir gaat redelijk snel. Maar de verwijdering van het gras en uit de gazons kost veel tijd en inspanning. De energiewinst gaat via de DAR en de ARN naar de gemeenschap. Herstige biomassa: dat is ook wat waard, nu de energieprijs in rap tempo toeneemt.

Wie was Theo Eikmans?

Elf observaties en herinneringen bij de onthulling van het naambord van Theo Eikmans alias Graodus fan Nimwegen bij de kerktrappen naar de Sint Steven, op 16 september 2021

De Nijmeegse Gemeenteraad stemde in 2019 unaniem in met het voorstel van enkele stedelijke partijen om Graodus fan Nimwegen te eren met een straatnaam. Op zijn 100e geboortedag luisterde op het Stevenskerkhof een in vol ornaat gestoken delegatie van het Prinsenconvent de feestelijke onthulling op: Van links naar rechts Willem I, Johan I, Theo III, Frans III, Ruud I en Ad I

Wie was Theo Eikmans? En wie was Graodus fan Nimwegen? Is buutreedner Graodus kenbaar in muzikant Theo? En omgekeerd? Wat voelde Theo, wanneer hij zich na een mooi optreden afschminkte en zijn attributen opborg? Hoe ervoer Graodus zijn immense populariteit in de bloeitijd van het Knotsenburgse carnaval? Vragen, die nu – op zijn honderdste geboortedag en ruim twintig jaar na zijn overlijden – niet een-twee-drie zijn te beantwoorden. Ik doe op uitnodiging van Theo’s familie en van de initiatiefnemers een bescheiden poging in elf korte observaties over de man, wiens alter ego vandaag bij de onthulling van het naambord van de Graodus fan Nimwegentrappen voor eeuwig wordt vastgelegd op de plek, waar ‘Al mot ik krupe’ naar de Sint Steven leidt.

Ex-prins Ad I vertelt wie Theo Eikmans was

1 Echte Nijmeegse jongen

Zoon van een bekende paardenslager uit het Willemskwartier. Theo was vaak te vinden bij zijn oma op de Hessenberg aan de voet van de Sint Steven. Daar leerde hij de Nijmeegse Benedenstad kennen, en ook de Waal, waar hij kaaisjouwers en andere lieden ontmoette. Jaren later greep hij terug op ervaringen uit zijn jeugd, wanneer hij autobiografische elementen verwerkte in zijn soms poëtische, hoe dan ook onvergetelijke schlagers: Als je straks naar huus toe komt, dan zie je die toren staon. Dan denk je aan die ouwe tied, hoe het vroeger is gegaon. Waar je als kind geboren bent en werd grootgebracht. Dat kun je nooit vergeten, daaraan denk je dag en nacht.

2 Kattekwaad met een knipoog

Theo Eikmans viel op de school aan de Groenestraat niet op, wel in het Willemskwartier en de Wolfskuil, waar kattenkwaad uithalen een onschuldig tijdverdrijf was. Die gewoonte brak hem later wel op, getuige zijn ontslag uit militaire dienst. Hij haalde daar dingen uit, die kennelijk het daglicht niet konden verdragen. Kattenkwaad met een knipoog: die woorden plak ik op de soms ondeugende maar altijd geestige buuts, waarmee hij als Graodus fan Nimwegen prinsenproclamaties en pronkzittingen opluisterde. Hij nam mij – als amateur- en later beroeps- politicus – vaak op de korrel. Ik kon dan wel lachen maar niet zo uitbundig als het overige publiek. Na de zitting verzekerde Theo mij, dat zijn grappen goedbedoelde aansporingen waren. En – zei hij ooit – genoemd worden is ook wat waard.

Willie van Gemert en familieleden van Theo Eikmans in afwachting van de onthulling van het naambord van Graodus fan Nijmegen

3 Bijna-alles-doener

Theo Eikmans was leer- en loopjongen bij de ‘Firma van Dungen in haarden en kachels’ en arbeider bij de Nyma, een geheime onderduiker maar ook een bijna echte soldaat, ambtenaar bij de openbare nutsbedrijven en meervoudig bouwvakker: timmerman en ijzervlechter. Tussen de bedrijven door voetbalde hij ook nog, tot genoegen van zijn vader, die zijn talenten op de grasmat hoger inschatte dan zijn muzikale en verbale mogelijkheden. Die artistieke talenten boden een dankbare uitweg, toen Theo door een val in een put in de bouw geen droog brood meer kon verdienen. Zijn drumstel bood uitkomst. Met accordeonist Jan Lourense en toetsenist Andree Hubrecht luisterde hij bruiloften en partijen op. Met allerhande moppen verraste hij zijn collega’s en zijn publiek. Zo ontpopte Theo zich tot een praatgrage artiest, een echte buutreedner, een local standup comedian.

4 Prins Theo I

Theo Eikmans was in 1959 stadsprins van Nijmegen. Knotsenburg bestond nog niet, het Grootvorstendom van Nico Grijpink wel. De oprichter van De Blauwe Schuit ontdekte Theo bij optredens in de Maartenskliniek en maakte van hem Theo I. Anders dan Nico I was Theo slechts een jaar stadsprins, lang genoeg om een onuitwisbare indruk te maken. Zijn opvolgers weten intussen als geen ander, wat Theo I voor Nijmegen en Knotsenburg betekent. Tegenover het Stadhuis getuigt de Hommage aan de Sint Steven, de bronzen verbeelding van Al mot ik Krupe, van de warme gevoelens, die zij voor hem koesteren. Met glazenier en beeldhouwer Toon I Heijmans zeggen de krupende ex-prinsen hem na: En ik hai van nacht gedroomd, da’k was een prins. Er was d’r aon de Waol geen zotter mins. En ik dronk er een wijntje, maar niet uut een glas. Ik hield er beide handen een hele emmer vast.

Een beperkt aantal gasten mocht aanwezig zijn bij de officiële aanbieding van het naambord door wethouder Noel Vergunst. Op de voorgrond familie en vrienden van Theo Eikmans, terwijl de initiatiefnemers en de delegatie van het Prinsenconvent een bescheiden plaats hadden uitgezocht

5 Gezinshoofd en familieman

Theo groeide op in het grote gezin, dat Gerrit Jan Eikmans en Aleida van der Kroft ruim een eeuw geleden stichtten. Theo trouwde in 1943 met Elisabeth Claus, een Groesbeeks meisje, hoewel zijn vader daar weinig in zag. Theo werd zelf ook pater familiaszorgzaam hoeder van zijn grote gezin, samen met zijn Lies, waarvoor hij tot in haar laatste levensdagen grote liefde koesterde. Het verhaal gaat dat Lies Theo na een dronken thuiskomst wel eens naar het kippenhok verwees. Maar zij steunde hem door dik en dun, zelfs als eindredacteur. Lies genoot van de waardering die Theo ten deel viel. Zij wist, dat hij haar bedoelde, wanneer Theo een meisje van achttien jaar laat zingen: Moeder, het is weer mis, omdat ’t een Nimweegse jonge is’t was so fijn om met hum aon de Waol te sijn. Die eenvoudige jongen deelde zijn verbondenheid met de stad in blijvende schlagers en onvergetelijke optredens. Theo kon mensen vermaken en ontroeren, boeien en binden, omdat hij ondanks zijn successen een gewone jongen bleef.

6 Grootste Knotsenburger

Theo is de grootste en meest geliefde Knotsenburger, getuige zijn fraaie carnavaleske carrière, zelfs in bestuurlijke en (kwasi)-wetenschappelijke zin. Hij was – de uitdrukking is van Johan I – prins voor even (1959) maar ex-prins gedurende zijn hele leven. Theo was ook Heer van Knotsenburg, het eregenootschap, waartoe maar weinig Knotsenburgers zijn geroepen. Hij voerde de Letste Stuver aan, maar ook de Vrolijke Knotsers. Hij won meermalen het Kiek ze Kieke Schlager Festival en het Tonnekespraoten bij ‘t Swerte Schaop toen voorrondes nodig waren voor een eerste schifting. In 1993 promoveerde Graodus aan de Knotsenburgse Academie voor Carnavalisten tot doctor in de toegepaste pretkunde. De stevige verdediging van zijn proefschrift in de Spiegeltent op de Grote Markt was een hoogtepunt is zijn toch al glansrijke carrière. 

De originele pet van Graodus fan Nimwegen, een kostbaar familiebezit

7 Veelzijdig artiest

Theo I was een even creatieve als bescheiden scheppend en uitvoerend artiest, die op onnavolgbare wijze tekst en muziek wist samen te voegen tot heerlijke schlagers. In de fraaie wisselwerking van noten en woorden ligt de kracht van zijn opvallende carnavalskrakers. Wie zou denken, dat Theo Eikmans buiten zijn schoenen is gaan lopen, komt bedrogen uit. Hij bleef de soms wat melancholieke, dan weer vrolijke artiest, die enorm genoot van het enthousiasme van zijn publiek. Lang leve de lol: dat was de uitnodiging voor eigen en andermans plezier, ook in tijden waarin het leven minder leuk is. Wie aon de Waal geboren is, die zegt: Lang leve de lol, want hejje alleen maar saggerijn, dan slao je so op hol: Het Nijmeegse spreekwoord dat staot bekend, en je leerde het in je bed: Beter is duuzend gulden schuld, dan dajje ermoe het.

8 Vrolijk melancholicus

Theo en Graodus waren alter ego’s, die hun eigen aard op het podium inruilden voor een bijzondere vorm van tweesporigheid. Toehoorders verrassen en vermaken, en tegelijk een les voorhouden was de uitdaging voor de ‘performer’, die inhoud en vorm uitstekend wist te combineren, en tegelijk innerlijke emoties en ervaringen kon verbergen. Was de combinatie van een soms droefgeestige blik – zoals bij circusclowns – en een uitgesproken vrolijke kijk schijn of werkelijkheid? Ik vermoed eerder een onbewuste afspiegeling van Theo’s soms sombere gevoelens, die weer verdwenen wanneer voor Graodus een klaterend applaus opklonk. Bij mijn ontmoetingen na zijn optredens, ontdekte ik, dat Graudus kijkers en luisteraars nooit op een verkeerd been wilde zetten, maar wel deelgenoot wilde maken van vreugde en verdriet, en van het soms wankele evenwicht tussen goed en kwaad. Dat het goede vrijwel altijd won, spreekt vanzelf.

Collector’s Item: Glas met beeltenis
van Graodus fan Nijmegen,
in beperkte oplage uitgegeven
bij de viering van 55 jaar C.V. Waoterjokers

9 Ongebroken na verdriet

Na het overlijden van zijn geliefde echtgenote Lies op 23 februari 1996 won Theo’s verdriet van zijn vroegere vreugde. Het verlies van zijn dochter, enkele maanden later, vergrootte dat verdriet. Theo kon maandenlang niet optreden, tot hij zich – toch nog plotseling – weer oprichtte. Graodus kwam terug, op een wijze die de echte Knotsenburgers niet gauw zullen vergeten. Het was op de Prinsenproclamatie 1996, kort voor de finale waarin het Prinsenconvent met een muzikale act ‘Back to the Sixties’ ging, toevallig Theo’s gloriejaren. De oud-carnavalsprinsen zagen achter de schermen zijn punctuele voorbereiding en zijn grote gespannenheid, kort voor een fantastisch optreden. Theo was terug van weggeweest: ouder, wijzer maar ongebroken. Hij vertolkte met zijn karakteristieke stem vol passie Lang leve de lol, een lied, dat volgens schlagerkenners de evergreen Al mot ik kruupe tekstueel, muzikaal en qua voordracht evenaart: een tijdloos nummer op de meestal korte lat van de carnavallistische roem.

10 Veraf en toch dichtbij

Het woord tijdloos brengt mij bij het enige optreden van Graodus met zijn vrienden van het Prinsenconvent. Op uitnodiging van Frans Hendriks trok Theo met ons naar Rotterdam om de voorzitterswisseling van de stichting ‘Verantwoord Alcoholgebruik’ op te luisteren. De Schiedamse oud-burgemeester Arie Lems droeg de borrelhamer over aan Jan Kamminga, de kersverse Gelderse Commissaris van de Koningin. De SVA-directeur had het convent beluisterd in Nieuwpoort na een uittocht naar den Haag. Hij bood ons 3000 gulden voor reis en verblijfkosten. Dat sloegen wij niet af. Theo I kreeg een nog niet toegewezen, ongedateerde en dus tijdloze kiel, achteraf passend bij zijn status: de ex-prins die veraf en toch dichtbij was: een onaantastbare grootheid, waar niemand aan kon tippen, en toch dichtbij: zomaar een van ons. Hij vergaste de verbaasde gasten op een stevige buut en zong met ons voor de in- en uitgaande bestuurders uiteraard Lang leve de lol. Buiten op de trappen van de Kamer van Koophandel zongen we met Theo: En ik dronk er een wijntje, maar niet uut een glas. Ik hield er beide handen een hele emmer vast. Verantwoord alcoholgebruik?

Leden van het Prinsenconvent Knotsenburg, kort voor de onthulling van de beeltenis van Graodus fan Nimwegen (Foto: Ad Lansink)

11 Afscheid in Paviljoen Irene

Na 1998 werd het stil rond Theo Eikmans. Toen ik met Ton I van der Laan z.g. Theo bezocht in Verpleeghuis Irene, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht, kon ik nauwelijks geloven dat hij ooit volle zalen had toegezongen. Zijn mooie stem met het onnavolgbare timbre klonk zachter en zachter. In zijn getekende en doorgroefd gezicht herkenden Ton een ik de troubadour van vroeger, de tonpraoter met de glinsterende en guitige ogen, die jaar na jaar met grappen en grollen, maar ook met wijze raad zijn toehoorders de spiegel van het leven had voorgehouden. Herinneringen ophalen werd steeds moeilijker, ook al sprong soms in zijn trouwe ogen een vonk van herkenning over. Theo en Graodus kwamen samen in de lieve man, die tegelijk veraf en dichtbij was. Theo Eikmans overleed op 23 maart 2000 in Verpleeghuis Irene te Groesbeek.

De trappen naar de Sint Steven zijn van nu af een blijvende herinnering aan Theo Eikmans en zijn alter ego Graodus fan Nimwegen, om wie hij was, om wat hij schiep en wat hij bracht: doorleefde odes aan Nijmegen met inhoud en kracht. Theo en Graodus zijn van nu af tegelijk veraf en dichtbij voor iedereen, die zijn trappen naar de Sint Steven, kruupt of gewoon klimt. Dat de leden van het Prinsenconvent Knosenburgers enkele uren later in hun karakteristieke kiel als eerste bezoekers hun opwachting maakten bij de ‘Graodustrappen’ spreekt vanzelf. Zij bevestigden in het grootste geheim het portret van hun verre voorganger boven het naambord. Zijn beeltenis mag immers ook gezien worden.

Aangeboden door hen die dat weten, zo is in kleine letters te lezen onder ‘Het gezicht van Onze Graodus, het even heimelijk als wellicht tijdelijk portret van Theo Eikmans (Foto: Ad Lansink)

Beeltenis

De trappen naar de Sint Steven zijn van nu af een blijvende herinnering aan Theo Eikmans en zijn alter ego Graodus fan Nimwegen, om wie hij was, om wat hij schiep en wat hij bracht: doorleefde odes aan Nijmegen met inhoud en kracht. Theo en Graodus zijn van nu af tegelijk veraf en dichtbij voor iedereen, die zijn trappen naar de Sint Steven, kruupt of gewoon klimt. Enkele uren na de onthulling van het naambord bij de Graodus fan Nimwegentrappen togen de leden van het Prinsenconvent in hun bekende kiel en goedgemutst met koeien van de rood-witte pet van Graodus naar het Stevenskerkhof om heimelijk bij het naambord een karakteristieke beeltenis van de illustre voorganger te bevestigen. Zijn schlagers blijven tellen, maar zijn gelaat ook.

De leden van het Prinsenconvent Knotsenburg varen na de heimelijke bevestiging van de beeltenis van Graodus fan Nimwegen in Le Cafe de 100e geboortedag van Theo I,, terwijl de gradus vanaf het videoscherm enkele van zijn schlagers zingt (Foto: Gerard Brouwer)

Rondje Kranenburger Broek

Wandeling door een bijzonder ‘Naturschutzgebiet’, even buiten het Duitse Kranenburg, met als verrassing een meer dan levensgrote foto van de 100 jaar geleden geboren Joseph Beuys 

Voettocht door Kranenburger Bruch, vastgelegd via Gurumaps op iPhone. Afstand 5,28 km. Vanaf de parkeerplaats (links onderin) loopt de Wolfsboss in noordoostelijke richting.

De Kranenburger Bruch (Broek) ligt aan de B9 van Nijmegen naar Kleef tussen Kranenburg en het dorp Nütterden. Het 95 hectare grote natuurreservaat is bekend om zijn plantenrijkdom, de herkenbare biodiversiteit, het wisselend landschapsbeeld en de nog slechts extensief gebruikte weidegebieden. De ontsluitingswegen kennen een beperkte toegankelijkheid voor auto’s. De Wolfsboss – het hoofdpad langs de Moorwãsserung – vormt samen met de Kurze Hofen, de Bruchse Strasse, en de Horndicherstrasse een boeiend ‘Naturlehrpfad’. De Wolfsboss is zelfs onderdeel van de pelgrimsweg van Nijmegen naar Santiago de Compostela. Het Kranenburger Broek dankt zijn naam aan de kraanvogels, die vooral in het voorjaar en soms in het najaar in het natuurgebied verblijven. Een broek is een laaggelegen gebied, dat nat blijft door kwelwater.

Erlenbruchswald: op de voorgrond de bruine Moorwãsserung (Foto: Ad Lansink)

Wie het Kranenburger Bruch te voet wil doorkruisen, moet de auto parkeren op de betrekkelijk kleine parkeerplaats aan de B9, ter hoogte van de buurtschap Tütthees, ongeveer een kilometer buiten de bebouwde kom van Kranenburg. Na het passeren van de eerste brug over de bruine Moorwãsserung moet de wandelaar (of fietser) kiezen tussen de Kurze Hofen, een lange kaarsrechte verharde weg dwars door de weidevelden en de met gras begroeide Wolfsboss, een breed voetpad, waarop de geluiden van het verkeer op de B9 aanvankelijk hoorbaar blijven. Langs het pad vallen naast de bruine Moorwässerung enkele oude bomen op. Het forse voetstuk van enkele omgewaaide bomen leren, wat topzwaarte betekent. Achter het Erlenbruchswald – een gevarieerd bosgebied – bevindt zich een grote plas: het Armenveen waar het voor leden van de visclub goed toeven is. 

Zicht op de Moorwãsserung vanaf de (tweede) brug (Foto:Ad Lansink)

Langs de waterloop en ook verder in de kleinere open stukken valt de bloemenrijkdom op, kwalitatief maar vooral ook kwantitatief. Halverwege augustus bloeien vooral de witte en roze Reuzebalsemienen en het overdadige Koninginnekruid. Op diverse plaatsen duiken de witte klokken van Haagwindes op, naast de bekende paarse Kattenstaarten en de witte Bereklauwen. Orchideeën laten zich minder vaak zien, maar maken wel deel uit van de inventaris, net zoals bijen, sprinkhanen en vlinders. De nieuwsgierigheid van de bezoekers wordt verder geprikkeld door de speciale informatieborden van het ‘Natuurlehrpfad’, en door een aparte ‘installatie’ waarin de bloei, groei en verwerking van riet uit het Kranenburgse Broek wordt toegelicht.

Een paar honderd meter verder ontwaart de wandelaar rechts twee oude boerenschuren, onderdeel van een wat groter complex, met de ingang aan de Horndicherstrasse. Bij die asfaltweg aangekomen, gaat hij of zij linksaf in de richting van Mehr. Aan de overzijde valt nog een groot wooncomplex op, verscholen achter hoge bomen. Even verder doet een rioolzuiveringsinstallatie het noodzakelijke werk. Het zicht op het Kranenburger Broek aan de linkerkant wedijvert met het ruime landschap rechts, waar de slanke kerktoren van Nütterden de aandacht trekt. Eenzelfde, nog indrukwekkender beeld ontrolt zich na het kruispunt waar de pelgrims rechtsaf en de Kranenburger Broek-ontdekkers linksaf slaan. Na ruim een kilometer is in de verte de torenspits van Mehr zichtbaar. 

Zicht op de kerk van Nütterden en de zendmast bij Kleef (Foto: Ad Lansink)

Kort voor de kruising van de Bruchsestraat en de Kurze Hofen – het laatste deel van het Rondje Kranenburg – staat vlak bij een statie van het Naturlehrpfad een niet eerder waargenomen paneel. Naderbij gekomen blijkt dat paneel een eerbetoon te zijn aan de honderd jaar geleden geboren Joseph Beuys. De befaamde Duitse kunstenaar woonde enige tijd in Kranenburg bij de gebroeders van der Grinten. Hij heeft waarschijnlijk van daaruit de Duffelt – ook wel de Duitse Ooij genoemd – goed leren kennen. Geen voorbijganger kan de levensgrote afbeelding van de kunstenaar ontgaan. Joseph Beuys staat tussen een erehaag van de (vroegere) populieren op de landweg van Nütterden naar Kranenburg, In der Pappelallee heet de kolossale fotomontage. Een klein bord met een QR-code verwijst de verraste wandelaar naar een nog verrassender website.

Die website leert, dat In der Pappelallee het zevende ‘station’ is in een reeks van negen fotomontages. Zij vormen samen het project ZEIT im Beuys’Land – Kunst und Klimawandel: een fietstocht langs foto-installaties in de Duffelt, die op 22 augustus 2021 is geopend en op 3 oktober 2921 wordt afgesloten. De tocht begint in Rindern (bij Kleef) en voert de fietsers (of automobilisten) via Düffelward, Keeken, Mehr, Kranenburg en Donsbrüggen terug naar Kleef, waar in het Museum Kurhaus van 7 mei tot 30 januari 2022 een keuze uit de Beuys-collectie in de grote Wandelhalle wordt geëxposeerd. Te zien zijn o.m. de monumentale sculptuur Bath Tub (1961/1987), het vierdelige werk Untitled (My Cologne Cathedral) (1980), kleurenlitho’s uit de jaren zeventig en het wandstuk Seven Palms (1974). Zo leverde het Rondje Kranenburger Bruch een aansporing op voor een toekomstige uittocht: een fiets- (of auto)tocht door Beuys’Land en een bezoek aan Museum Kurhaus Kleve.

Karakteristieke doorkijk op de Bruchseweg vanaf de Pappelallee van Joseph Beuys (Foto: Ad Lansink)

Bruukse bloemenrijkdom

Een zoektocht naar de reden van graafactiviteiten bij De Bruuk leverde naast inzicht in de zandverplaatsingen een verrassende zicht op de bloemenrijkdom na een warm en vochtig voorjaar

Akkerdistels in De Bruuk

Het moerasgebied De Bruuk – onderwerp van eerdere blogs – is een fraai voorbeeld van een maden- of medenlandschap: de kleinschalige afwisseling van natte graslanden, struwelen, houtwallen en broekbossen. Volgens de Gelderlander behoort De Bruuk tot de top drie van de botanisch rijkste natuurterreinen van Noordwest Europa, omdat op één vierkante kilometer tientallen plantensoorten voorkomen. De Provincie Gelderland beseft dat ook, getuige de forse miljoenenoperatie om het tegen de Duitse grens gelegen Groesbeekse reservaat toekomstbestendig te maken. Met de in 2018 door de Provincie Gelderland geëntameerde activiteiten is in 2020 een begin gemaakt. Vanuit de Horst op weg naar De Bruuk zijn de werkzaamheden, die eind 2021 afgerond zijn, goed zichtbaar.

Realisering van de Ashorstersloot. Zicht vanaf de Plakseweg (Foto: Ad Lansink)

Het waterbeheer in de naaste omgeving van De Bruuk speelt een belangrijke rol bij het op peil houden van de waterstand en het relatief kleine natuurreservaat. In 2020 zijn de watergangen in De Bruuk van nieuwe leemlagen voorzien. In 2021 is de Ashorstersloot aan de beurt. Aan de hand van het provinciaal inpassingsplan Ashorstersloot wordt tussen Horst en De Bruuk een nieuwe watergang aangelegd: een van de ecologische herstelmaatregelen om de nadelige effecten van stikstof op dit Natura 2000-gebied te verminderen. Door de aanleg van de watergang, verder weg gelegen van het natuurgebied De Bruuk, kan de waterhuishouding in het natuurgebied zich herstellen.

Inpassingsplan Ashostersloot (Bron: Provincie Gelderland)

Vanaf de Plakseweg, even buiten het dorp De Horst, is goed te zien hoe graafmachines het landschap bij De Bruuk een ander uiterlijk geven. Er worden nieuwe watergangen gegraven, oude sloten worden gedempt of uitgegraven en vervolgens van een nieuwe, niet doorlaatbare leemlaag te voorzien. Na de afronding van de werkzaamheden wordt ook rond de nieuwe Ashorstersloot de natuur aan haar lot overgelaten. De verwachting is, dat ook daar de plantenrijkdom zal toenemen. Of het nieuwe landschap ook voor wandelaars toegankelijk is staat nog niet vast. Wat wel vaststaat is dat de beheersmaatregelen van 2020 al – mede door de weersomstandigheden – resultaat hebben opgeleverd.

Naast de recente beheersmaatregelen heeft ook het groeizame weer – veel neerslag, hogere temperaturen – heeft het natuurreservaat De Bruuk onmiskenbaar veranderd. Sommige riet-gebieden lijken op een ondoordringbaar oerwoud. Ook de bloemenrijkdom, vooral langs de ‘hoofdroute’ van zuid naar noord – lijkt groter dan ooit tevoren. De (begin juli nog spaarzame) bosorchideeën zijn wel wat groter dan de exemplaren, die in het voorjaar overal tevoorschijn kwamen. Maar nu, kort na het begin van de echte zomermaanden vallen die typische orchideeën nauwelijks op tussen de andere kleurrijke moerasgewassen. Bovendien is het aantal grassoorten is niet op de vingers van een hand te tellen. Zij vormen een soort erehaag langs de groene en grijsbruine graslanden. 

Paars, wit en geel zijn de overheersende kleuren in het uiteraard groene landschap. We van determineren houdt, kan zich uitleven, vooral langs de ‘hoofdroute’ dwars door het indrukwekkende natuurreservaat. Dat determineren is trouwens geen gemakkelijke opgave, getuige de minimale verschillen tussen Moeraskruiskruid en (al dan niet Gewoon) Jacobskruiskruid. De Haagwinde levert met een score van 100% op Obsidentify geen probleen op, en de paarse Akkerdistel evenmin. Die doodgewone distels winnen het dik van de Citroengele honingklaver en de Echte valeriaan, bloemen die overigens ook in De Bruuk in meer variëteiten voorkomen. Zoveel is zeker: de bloemenrijkdom verrast menig bezoeker, die het fraaie natuurreservaat voor de eerste keer heeft weten te vonden. Of – zoals wij – bij het zoveelste bezoek steeds weer verrast zijn door het afwisselend landschap en de fraaie bloemenpracht.

De Bruuk begint op enkele plaatsen op een oerwoud te lijken (alle foto’s: Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde

Bespiegelingen na een wonderlijke week, waarin tijdens (on)verwachte ontmoetingen aan de lijn van verleden, heden en toekomst de sleutel van vertrouwen hangt

Niets blijft hetzelfde: de ruïne van wat ooit het Huis van de Heer van Batenburg was (Foto: Ad Lansink)

‘Niets blijft hetzelfde’: die ware woorden uitte mede-moderator Kees Roovers tijdens de laatste deelsessie van het vierdaagse webinar van de Vereniging van Milieuprofessionals over 50 jaar afvalbeleid in Nederland. Die deelsessie was het laatste van een reeks digitale meetings, met als thema: hergebruik van afvalstoffen als bouwstof. Auteur Frank van Berkum had mij een dag tevoren na mijn bijdrage in de deelsessie over de Ladder van Lansink in de circulaire wereld uitgenodigd om van gedachten te wisselen over zijn presentatie, waarin de ladder een belangrijke rol speelde. Ongedacht gevolg was, dat ik zijn sessie thuis ging volgen, en eigenlijk vanzelf in de levendige discussie werd betrokken. Kees Roovers, die het boeiende thema van een meer theoretische kant bekeek, gebruikte de zinsnede ‘Niets blijft hetzelfde’ om te benadrukken, dat verandering en vernieuwing van technologie vertrouwen vergen, zowel van de samenleving als van wetenschappers, beleidmakers en bestuurders. Ik voeg daar politici aan toe, omdat niet alle volksvertegenwoordigers bestuurders zijn en omgekeerd.

Elke medaille heeft twee kanten

Niets blijft hetzelfde: Waterlelies verdwijnen na enkele dagen (Foto Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde; die woorden werden al voor het begin van die wonderlijke week werkelijkheid door de onverwachte politieke storm, die binnen het CDA maar ook daarbuiten losbarstte als gevolg van de plotselinge opzegging van het CDA-lidmaatschap door Pieter Omtzigt. Twee dagen na het uitlekken van zijn uiterst kritische notitie maakte het Twentse CDA-Kamerlid bekend, dat hij niet langer deel uit zou maken van de CDA Tweede Kamerfractie, wanneer zijn ziekteverlof voorbij zou zijn, formeel vier maanden na de ingangsdatum van zijn vervanging door Henri Bontenbal. Ik schrok van het bericht, en ook van de publieke hoon, die over het CDA werd uitgestort door vrijwel alle media. Van de door Pieter Omtzigt gevraagde rust kwam niets terecht, ook door zijn eigen toedoen, maar toch. Op social media werd gevraagd om een eigen lijst, een nieuwe afsplitsing: bevestiging van een al langer zichtbare trend van fragmentatie en personificatie in het Nederlandse parlement. Zelf kon ik de neiging om mijn opvattingen kenbaar te kaken nauwelijks onderdrukken. Veelal volstond ik met de te wijzen op de (doffe) medaille, die twee kanten heeft, en geen randschrift: God met ons.

Achtergrondgesprek met BNNVARA

Niets blijft hetzelfde: ook Sint Janskruid heeft net het eeuwig leven

Het toeval wilde, dat ik op de tweede dag van wat een wonderlijke week zou worden een afspraak had met Joost Bekendam en Anna Pleijsier van BNN/VARA, die mij enkele weken eerder hadden gevraagd om een lang achtergrondgesprek over mijn politieke ervaringen. De jonge journalisten hadden bij de voorbereiding van een nieuw ‘format’ over politieke nieuwkomers en oude rotten behoefte aan informatie van iemand, die vooral in eigen kring als ‘mastodont’ wordt beschouwd. Of mastodont een scheldwoord of een geuzennaam is, doet er overigens niet toe. De vraag was namelijk wat de karakteristieke verschillen zijn tussen het Kamerlidmaatschap van vroeger en nu. Een terugblik op mijn 21 jaren aan het Binnenhof kon bouwstenen opleveren voor een latere serie gesprekken. Na het dramatische Omtzigt-weekend vielen de journalisten letterlijk en figuurlijk met de deur in huis. Off the record liet ik mijn gedachten de vrije loop, on the record hield ik het bij de doffe medaille die twee kanten heeft, met op de zijkant het randschrift: elkaar vasthouden in goede en slechte tijden. Of het boeiende, drie uur durende – soms ook anekdotische – gesprek over verleden, heden en toekomst aanknopingspunten voor BNNVARA heeft opgeleverd, moet later blijken.

Maidenspeech van Henri Bontenbal

Bloemen verwelken, rozen vergaan, maar vertrouwen blijft bestaan (Foto: Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde. Dat geldt intussen ook voor het fenomeen van de maidenspeeches: het eerste plenaire optreden van een nieuw Kamerlid. Vroeger toen er minder plenaire debatten en grotere fracties waren, duurde het soms lang voordat een nieuweling het spreekgestoelte mocht beklimmen. Dat is niet meer het geval. Doorstroming en versnippering hebben de wachttijd fors verkort. Met de personificatie in de politiek is ook het karakter van de maidenspeech veranderd. Nogal wat Kamerleden voelen de behoefte aan persoonlijke profilering. Dat doet geforceerd aan, wanneer ideologische grondslagen ontbreken. Henri Bontenbal, tijdelijk vervanger van Pieter Omtzigt, mocht op de woensdag van mijn wonderlijke week zijn maidenspeech houden over het voorstel tot Wijziging van de Wet voor­raad­vorming aard­olie­pro­ducten. De oud-medewerker van de CDA Tweede Kamerfractie, later strategisch manager bij Stedin vervlocht op voortreffelijke wijze rentmeesterschap, gerechtigheid en gedeelde verantwoordelijkheid met zakelijke kanttekeningen bij het prozaïsche wetsontwerp. Zijn drievoudige verwijzing naar inspiratiebron Paus Franciscus en de encycliek Laudato Si was even tekenend als zijn hommage aan stadgenoot Ruud Lubbers. Henri’s maidenspeech deed mij denken aan mijn eerste bijdrage in april 1978. Fractievoorzitter Wim Aantjes wees de fractiegenoten toen op mijn vertaling van de CDA-kernwaarden in actiepunten voor een konkreet wetenschapsbeleid. 

Nadenken langs de Maas bij Batenburg

Aanlegsteiger Voetveer Batenburg – Demen (Foto: Ad Lansink)

Een dag na het boeiende gesprek met de jonge BNNVARA-journalisten leek een wandeling door het stille Batenburg een mooie gelegenheid om in alle rust na te denken over wat de nabije toekomst zou brengen, voor een deel met maar ook zonder mijn inbreng. Een dag later zou ik immers weer eens naar Utrecht rijden om in de VVM-studio te reflecteren op de toekomst van circulair afvalbeleid. Ook de maidenspeech van Henri Bontenbal bleef mij bezig houden. De rust aan de oever van de Maas met het zicht op de kerktoren van Demen werd even doorbroken door de aankomst van het veer met een viertal fietsers. Na een bevestigend antwoord op de vraag aan de kaartjesman of hij vrijwilliger was, zei hij: wacht even, u bent toch Ad Lansink, oud-lid van Provinciale Staten. Nog voordat ik kon reageren zei de schipper, die ook dichterbij was gekomen: ja, dat is Ad Lansink, vroeger een bekend lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Ik herinner me hem uit Nijmegen. De kaartjesman greep zijn kans, en wilde meteen weten, wat ik van de affaire Omtzigt vond. Ik aarzelde omdat ik niet wist of de stilte langs de Maas ‘off the record’ inhield. Ik laat de ontwapende woorden van de vrijwilligers voor wat zij waard zijn: de bevestiging van mijn eerdere stelling over de medaille met de twee kanten. Vlak bij de in 2019 aan de eredienst onttrokken nieuwe Sint Viktorkerk van Batenburg was het randschrift: Niets blijft hetzelfde.

Nationale Milieudag 2021 bij VVM in Utrecht

Niets blijft hetzelfde: Ans Lansink met rollator rust even uit (Foto: Ad Lansink)

Leren van 50 jaar milieubeleid was het overkoepelend thema, dat de Vereniging van Milieuprofessionals had gekozen voor de evaluatie van een halve eeuw openbaar milieubeheer. Tijdens de Nationale Milieudag 2021 – feitelijk een bijna echte vierdaagse – werd in een reeks digitale presentaties en discussies verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden. Zelf mocht ik op 17 juni 2021 in de fraaie VVM-studio in Utrecht een bijdrage leveren aan de deelsessie ‘Ladder van Lansink in de circulaire wereld’ met een bondige powerpoint-presentatie, een uitgebreid interview van Esther Geertsema en een (chat-) discussie onder leiding van presentator Jan van Dijk over verleden, heden en toekomst, gekoppeld aan stellingen over preventie (was er vroeger meer?), bron- of nascheiding (wat is vandaag beter?) en circulariteit (is ooit 100% haalbaar?) De poll over bron- en nascheiding pakte met de uitslag 13-87 verkeerd uit. Toch was de VVM-deelsessie over het afvalbeleid in de afgelopen vijf decennia, de betekenis van de Ladder van Lansink en de belemmeringen op weg naar optimale circulariteit – wellicht 80 tot 90 % – opnieuw een stimulans om met een toekomstbestendige ladder de grondstoffenschaarse en klimaatverandering aan te pakken. Wie geïnteresseerd is in de verslagen van de Nationale Milieudag 2021 verwijs ik naar de website van de Vereniging voor Milieuprofessionals.

Nogmaals; de ruine van Batenburg: oase van rust en vertrouwen (Foto: Ad Lansink)

Ladder van Lansink, Beeldspraak, Knotsenburg en andere topics

Translate »