De ‘eeuwigheid’ van HABOG

Omkijken en vooruitzien bij uitbreiding van COVRA-gebouw voor opslag van hoogradioactief afval

HABOG 2003 – 2022 (Rechts witte feesttent, geplaatst voor de openingsplechtigheid)

De feestelijke opening van de uitbreiding van HABOG, het COVRA-gebouw voor de opslag van hoogradioactief afval, markeert de langere levensduur van de kerncentrale te Borssele. De toestemming om deze betrouwbare bron van kernenergie tot 2033 in bedrijf te houden, noopte tot een forse uitbreiding van het HABOG. Geopolitieke ontwikkelingen als klimaatbeleid en internationale instabiliteit vergroten in Nederland en elders het draagvlak voor kernenergie. De levering van elektriciteit moet immers gewaarborgd blijven.  In tegenstelling tot de politieke en maatschappelijk trends van de afgelopen decennia, wordt zelfs de bouw van nieuwe kerncentrales overwogen. 

Mijn persoonlijk geloof in het vreedzaam gebruik van kernenergie vatte vlam in 1955 als rondleider op de expositie ‘Het Atoom’ op Schiphol: een mooie studentenbaan, niet te vergelijken met het keuren van aardappels bij de NAK in de Noordoostpolder of allerhande klussen in de melkfabriek van Baambrugge. Tijdens mijn echte baan in Nijmegen, grotendeels op de afdeling Pathologie van het Radboudziekenhuis, raakte de belangstelling voor kernenergie volledig uit beeld. Maar na het toetreden tot de Tweede Kamer in 1977 belandde ik op instigatie van CDA-fractiegenoot Steef Wijers vrijwel meteen in de vaste commissie voor kernenergie, die later opging in de vaste commissie voor economische zaken.  

Opening HABOG (2003) door Koningin Beatrix. Links: COVRA-Directeur Hans Codee, in het midden kunstenaar William Verstraeten en burgemeester Jaap Gelok, daarachter Ad Lansink

De Kamer sprak in het kader van de Brede Maatschappelijke Discussie Kernenergie ook over de opslag van het radioactief afval van de kernreactor in Petten. Bij de isotopen-productie voor medische toepassingen ontstaat radioactief afval, dat destijds na insluiting in vaten met beton in de Noordzee werd gedumpt. Begin jaren 80 pleitte ik daarom voor langdurige bovengrondse opslag van alle kernafval, ook indien afkomstig van de kerncentrales in Dodewaard en Borssele. Gedurende die ’tijdelijke’ opslag van 50 tot 100 jaar konden dan de opties voor definitieve eindberging in zoutkoepels onderzocht worden. Die ’tijdelijke’ opslag kwam inderdaad tot stand, bij COVRA in Nieuwdorp (Vlissingen-Oost). 

2013 Tien Jaar HABOG – Hans Codee in de veilige zaal boven de opslagkokers; achteraan kunst van William Vrstraeten

Intussen bleef kernenergie in Nederland omstreden, ook als gevolg van de zware kernongevallen in Three Miles Island -USA (1979), Tsjernobyl – Sovjet Unie (1986) en Fukushima – Japan (2011). Zelf had ik na een werkbezoek aan Harrisburg (Three Miles Island) in 1984 de kernenergie-draad weer voorzichtig opgepakt, met als onverwacht resultaat, dat in 1985 een meerderheid van de Tweede Kamer besloot om kernenergie weer bespreekbaar te maken als optie voor uitbreiding van de elektriciteitsproductie.  De kernramp van Tsjernobyl dwong de Kamer echter tot heroverweging van de plannen. Ook de even plotselinge als voortijdige sluiting van Dodewaard – gevolg van onvrede bij de SEP, de eigenaren van de centrale – was geen opsteker voor een hernieuwd vertrouwen in kernenergie.

2007 : 25 Jaar COVRA met toespraak door oud-premier Ruud Lubbers

De realisering van een bovengrondse opslag van alle kernafval bij COVRA in Vlissingen was inmiddels voortvarend ter hand genomen. Tot mijn verrassing werd ik twee jaar na de beëindiging van mijn Kamerlidmaatschap in 1998 uitgenodigd toe te treden tot de Raad van Commissarissen van COVRA. Mijn politieke ervaring paste in het profiel van een van de vier toezichthouders. Over het ja-woord hoefde ik uiteraard niet lang na te denken. Toen ik begin 2000 bij COVRA begon, was het imposante HABOG nog in aanbouw. Boeiende werkbesprekingen met directeur Hans Codee en projectleider Kees Kalverboer leerden, dat aan het HABOG hoge eisen werden gesteld. De opening op 11 november 2003 door Koningin Beatrix was een onvergetelijke mijlpaal, technologisch, bestuurlijk en eigenlijk ook politiek.

2007 : 25 Jaar COVRA – namens RvC mocht ik Hans Codee zijn gratificatie overhandigen

Het commissariaat bij COVRA was tot halverwege 2011 een even interessante als verantwoordelijke functie, die ik voor geen goud had willen missen. De band met COVRA bleef overigens na mijn terugtreden bestaan door de mooie gewoonte om bij het afscheid van commissarissen ook hun voormalige collega’s uit te nodigen. Ook bij bijzondere gebeurtenissen zoals op 19 mei 2022 bij de ingebruikneming van de uitbreiding van het HABOG was ik dus weer welkom. Zo kon het gebeuren, dat ik in de naast het uitgebreide en nog steeds markante opslaggebouw opgerichte feesttent plaats kon nemen tussen mijn vroegere president-commissarissen: Huib van Heel en Jannes Verwer. Herinneringen ophalen was uiteraard het parool, genieten van ‘Metamorfose’ – de artistieke naam van het HABOG – ook.

HABOG 2022 met de aanbouw en de aanpassing van het exterieur door kunstenaar William Verstraeten
(Foto Ad Lansink)

Dat bij die herinneringen de gedachten ook teruggingen naar de motie, die ik ruim veertig jaar geleden had ingediend, spreekt vanzelf. Maar mijn persoonlijke gedachten betreffen ook de toekomst, inclusief de vraag of het HABOG langer dan 100 jaar de veilige opslag van het hoogradioactief afval zou mogen en kunnen waarborgen. Zouden ooit nog meer modules bijgebouwd moeten worden? Wanneer en hoeveel? Dat lijken onzinnige vragen, vergeleken met de tijd die mensen zelf te leven hebben. De nog jonge geschiedenis van het HABOG leert intussen, dat ‘De tijd van de toekomst’ – titel van de film bij 10 jaar HABOG in 2013 – niet te voorspellen is.  Toch markeert diezelfde tijd de schaalverdeling langs de weg naar eeuwigheid. De geleidelijk veranderende kleuren van het HABOG zijn met E = MC2 een teken aan de wand, een baken op die weg.

Naalduitval en beukenbladluis

Over de tegen- en meevallers van een tuinliefhebber na het droge voorjaar van 2022

Dode naast levende dennenboom

Alle jaargetijden hebben hun eigen charme, ook in de tuin rondom het huis. Toch wint de lente van zomer, herfst en winter al was het alleen al door het jonge groen van bomen en heesters en de kleurenrijkdom van vaste planten en kleine struikgewassen. Bijna elke week is er wat nieuws te beleven. Jammergenoeg leverde het betrekkelijk droge voorjaar van 2022 naast de gebruikelijke meevallers ook onverwachte tegenvallers op. De ranke denneboom, die met een soortgelijke broeder al meer dan een halve eeuw aan de Nijmeegse Willem Schiffstraat de hoek van onze tuin markeert, heeft het forse tekort aan water niet overleefd. Toen een toevallig passerend boomverzorger mij op de ‘stervende’ boom attendeerde, kon ik de man niet geloven. De dennenboom zag er nog redelijk uit. Enkele weken later bewees de snelle naalduitval, dat de boomverzorger gelijk had. Over enkele weken worden beide dennenbomen gerooid. Dat wordt wennen aan een ander straat- en tuinbeeld.

Gouden regen tussen Meidoorn en Hemelboom

Die onmiskenbare tegenvaller was intussen ruimschoots gecompenseerd door een reeks kleurrijke meevallers. De azalea bloeide in 2022 als nooit tevoren. De tulpenboom laat elk jaar meer, en grotere bloemen zien, en de meidoorn mocht er opnieuw zijn, evenals de gouden regen, die jammergenoeg maar enkele dagen in volle glorie te bewonderen viel. De droogte heeft gelukkig ook geen vat gekregen op de rododendron, vooral het late exemplaar met zijn fraaie paarse bloemen. De waterlelies zijn in aantocht, het Sint Janskruid en de rozen ook. De vuurdoorn gaat ongetwijfeld veel rode bessen opleveren.

Rhododendron in volle breedte

De voortuin kent een andere tegenvaller: de beukenboom, die jaren geleden onverwacht uit een beukenootje is ontstaan, en in drie decennia is uitgegroeid tot een karakteristiek element, ook door zijn spitse vorm. Door de droogte kwamen de jonge bladeren kwamen opvallend laat te voorschijn. Toch duurde het maar een week totdat de beuk zich helemaal groen kleurde. Enkele dagen geleden kreeg de beuk een neerslachtig uiterlijk. De bladen gingen hangen en de ooit fiere spits werd een afgestompte top. Veel bladeren bleken plotseling gekruld, en verstoonden meestal ook veel glans. Een bevriende kenner van het plantenleven vermoedde – overigens op afstand, aan de hand van foto’s – dat de beukenbladluis bezit had genomen van de beuk.

De witte, grijze of lichtblauwe beukenbladluisjes manifesteren zich aan de onderzijde van de soms sterk krullende bladeren, die geleidelijk gaan afvallen. De beuk kan ernstig verzwakken, ziek worden en zelfs afsterven. Een zoektocht naar een snelle en eenvoudige bestrijding van de beukenbladluis leert, dat een natuurlijke bestrijding met krachtige waterstralen soelaas kan bieden. Maar gemakkelijk is dat niet, omdat de onderzijde van veel bladeren niet bereikbaar is. Datzelfde geldt trouwens voor het aanbevolen bestrijdingsmiddel: kaliumzouten van vetzuren. De tijd zal leren of deze tweevoudige  behandeling van de ooit fiere beuk effectief is.

Gelukkig blijft er nog genoeg te genieten, temeer nu de droogte lijkt af te nemen. De Spoorbloem, beter bekend als Valeriaan, bloeit als vanouds, net zo als de Grote klaproos, die jammergenoeg geen lang leven beschoren is. Intussen tonen ook de Rozen hun fraaie kleuren en vergt het gazon weer meer maaibeurten dan een maand geleden. De tuin blijft een domein voor liefhebbers, die meevallers weten te waarderen en met tegenvaller leren om te gaan, zelfs wanneer het bomen betreft, die meer dan een halve eeuw oud zijn.

Spoorbloem of Valeriaan

Bruukse Lente

Op zoek naar Bosanemonen, Grote Muur en andere vroeg bloeiende planten

Landweg door De Bruuk = op de voorgrond links en rechts bosanemonen

Het even stille als fraaie Natuurgebied De Bruuk tussen de kerkdorpen Horst en Breedeweg – vroeger Groesbeek, nu behorend tot de grote gemeente Berg en Dal – toont in alle jaargetijden een ander gezicht. Zelfs binnen elk van de vier jaargetijden vallen er steeds nieuwe beelden te schieten, en andere indrukken vast te leggen. Groot(s) wanneer het om het landschap gaat, klein, wanneer de talrijke bloemen om detaillering vragen. Zo ook wanneer de Bruukse Lente al een maand op gang is. De bomen kleuren geleidelijk groener, en veelal witte bloemen klitten samen in kleine of grote groepen, langs de landwegen of in de moerasvelden.

Grote Muur in overvloed

De Bosanemonen zijn gemakkelijk te herkennen, net zo als de Pinksterbloemen, die zich van de kerkelijke feestkalender weinig aantrekken. De Grote Muur is moeilijker te determineren, totdat de app Obsidentify – handig hulpmiddel voor minder begaafde plantenkenners – plotseling een score van 100 % laat zien. De kenmerken kloppen, de vindplaats in de wegberm een aan de rand van het loofbos ook. Opvallend genoeg laat Obsidentify het bij de gewone Paardebloem afweten. Herhaalde pogingen leverden slechts een score op van ruim 70 %. Ik sloeg dat resultaat toch op, met als verrassend gevolg dat een van de moderatoren van waarneming.nl mij via email de juiste naam meldde: Paardenbloem – Taraxacum officinale s.l.

De determinatie van enkele andere planten verliep een stuk beter. De Bosanemonen halen met gemak een score van 100%, evenals de Pinksterbloem, het Fluitekruid en het Klein Hoefblad. Maar de alom blende Dotterbloemen – ook te vinden in de eigen tuinvijver – hebben kennelijk ook moeite met het algoritme van Obsidentify: de score van 60% stelt teleur. De reactie van waarneming.nl op de Paardebloem leert , dat de lage score niet aan de gele kleur ligt, en evenmin aan de camera van de iPhone. Ook de Dotterbloem kent meerdere soorten. Het mooie natuurgebied De Bruuk blijft het domein voor natuurliefhebbers, die hun kennis willen vergroten en tegelijk in alle rust willen genieten van natuur en landschap.

Oostelijke randweg door de Bruuk: in hete midden links het bruggetje naar het bos; in de wegberm Grote Muur

Over landschap gesproken: de landwegen door De Bruuk werken als een soort zichtlijnen. Dat geldt vooral voor de verharde weg, die van noord naar zuid – en omgekeerd uiteraard – door het natuurgebied loopt. Vanaf die weg heeft de wandelaar aan de ene kant een mooi zicht op het Reichswald, en aan de andere kant op de moerasgronden, afgewisseld door kleine en wat grotere bosgedeelten. Het uitzicht verandert met de jaargetijden, vooral door de kleur vaan de begroeiing, maar ook door de kleur van de lucht en de aanwezigheid van wolken. Stapelwolken hebben de voorkeur, maar zware bewolking laat een ander licht schijnen op het gevarieerde landschap, waarin de watergangen – afhankelijk van de waterstand – een eigen functie vervullen.

Kleurrijk beeld vanaf de noordelijke dwarsweg door de Bruuk

De landwegen en paden die van oost naar west lopen bieden een andere kijk op het gevarieerde landschap dan de hoofdweg, midden door de Bruuk. Ook de zijpaden om en langs de randen van de Bruuk leveren andere, ook afwisselende beelden op. Wie de Bruuk binnengaat via de oostelijke landweg loopt langs een brede afwateringssloot. Aan de ene kant doemt het Reichswald op, achter enkele boerderijen. Aan de andere kant trekt een ruw bos met loofbomen de aandacht. Via een houten bruggetje kan dat bos bezocht worden. Op de wegbermen bloeit in april en mei Grote Muur, meestal in vrij grote groepen. Bij de driesprong buigt het brede pad in westelijke richting, om uit te komen bij de grote lange landweg, en weer verder bij de parkeerplaats aan de Ashorst. Daar begint ook de westelijke randweg met het uitzicht op de vuilstort.

Landwegen als zichtlijnen: de noordelijke dwarsweg in de richting van de Ashorst

Het oude riet staat nog fier overeind, de pluimen wiegend in de wind. Hier en daar zijn de jonge, lichtgroene scheuten al zichtbaar. Nog even, en het beeld langs de Bruuske wegen zal er anders uitzien, wanneer het nieuwe riet het oude riet wegdrukt. Dan wordt het tijd voor een nieuw bezoek aan De Bruuk, het landschap dat telkens weer blijft boeien en verrassen, zelfs zonder de befaamde orchideeën.

Rondje De Grote Vilt

Een nawinter wandeling in het eeuwenoude landschap van de oude Maasbocht tussen Oeffelt en Beugen
Wandelpad langs De Grote Vilt in de richting van Beugen

Even buiten het Brabantse Beugen ligt het natuurgebied De Grote Vilt, een halve-maan-vormige plas omgeven door rietkragen, broekbossen, veengebieden, cultuurland en weidegronden. De uitgestrekte plassen – doorsneden door een verharde landweg – zijn de restanten van een eeuwenoude bocht in de Maas. De meanderende rivier zocht na verloop van tijd de kortste weg, waardoor een gebied met stilstaand water ontstond. Kwelwater zorgt nu voor aanvulling van de unieke, bijna 10.000 jaar oude plassen, die tot halverwege de 19e eeuw sterk zijn verveend. Tussen 1850 en 1920 werd nat veen gewonnen, gedroogd en afgevoerd via de al genoemde landweg, Moerasbaan geheten. Van 2007 tot 2010 is het vroeger veenmoeras veranderd in wat het nu is: een leefgebied voor ganzen, ooievaars en reigers.

Wandelroutes bij De Grote Vilt in het midden van de kaart, en bij De Kleine Vilt, links boven. De Moerasbaan (met de P voor parkeren) doorsnijdt De Grote Vilt. Het meest oostelijke deel van de rode stippellijn is het Kerkepad.

Die Moerasbaan maakt deel uit van de wandelroutes langs en door De Grote Vilt. De zoektocht naar de toegangen van het unieke natuurgebied kost enige moeite, zelfs met de kaarten van verschillende wandelroutes. De wegen zijn smal en de parkeermogelijkheden beperkt. Vanuit Oeffelt biedt Portaal De Vilt aan de Beugenseweg de eerste mogelijkheid de auto te parkeren. Te voet gaat het dan verder over de Beugense weg, eerst naar dwarsstraat Hoog Werveld, en vervolgens over Laag Werveld naar de wandelroute om De Grote Vilt. Vanuit Beugen voert de Heiveldsestraat – een dwarsstraat van de Dorpsstraat – naar de Moerasbaan, waar aan de rechter kant kort voor De Grote Vilt een zestal auto’s geparkeerd kunnen worden. De wandelaar kan de Moerasbaan volgen, of in de richting Beugen lopen, langs de overvloedige rietkragen.

Eenzame Ooievaar kijkt op de grens van zomer en lente uit naar een lotgenoot

Na een paar honderd meter wordt de kerktoren van Beugen zichtbaar, en even later ook de Beugense molen. Na het bereiken van de bocht om De Grote Vilt doemt plotseling een ooievaarsnest op. Op en het water vermaken de grauwe ganzen zich, te oordelen naar hun typische geluiden. De fiere ooievaar – overigens alleen op zijn of haar nest – blijft geruime tijd zichtbaar, tot de viersprong bij het Letste Vercken van Helbroek. Dat ijzeren beeld herinnert aan het laatste varken in wat tot de varkenspest een dichtbevolkt varkensdomein was. Bij dat even eenvoudige als indrukwekkende beeld slaat de wandelaar linksaf op het smalle Kerkepad. De naam doet vermoeden, dat het pad naar de kerk in Beugen leidt: een optie dus om uit Beugen de kortste weg naar De Grote (en Kleine) Vilt te vinden. Langs het Kerkepad staat een plat, tweedimensionaal plaatstalen beeld van een turfsteker, een figuur uit vervlogen tijden. 

Grauwe ganzen, gezien vanaf Laag Werveld. In de verte de kerktoren van Beugen

Het Kerkepad komt uit op Laag Merveld, de noordelijke asfaltweg langs De Grote Vilt. Aangekomen bij de Moerbaan, kort na een kleine parkeerplaats–, kan de wandelaar, die meer dan 3,5 km wil lopen, rechtsaf staan naar De Kleine Vilt, een minder forse waterplas, die begin 20e eeuw ontstaan is als een kleiwinningsput voor een steenfabriek in de naaste omgeving. Is de voettocht om De Grote Vilt voldoende, dan voert de Moerbaan rechtstreeks terug naar de parkeerplaats, zij het met een fraai zicht op de uitgesterkte waterplassen. Dat die plassen daar al meer dan tien eeuwen liggen, versterkt het gevoel, dat tussen Beugen en Oeffelt ondanks de noodzakelijke vernieuwing in 2010 en herinrichting plus uitbreiding in 2020 de tijd heeft stilgestaan.

Op de grens van winter en lente wordt snel duidelijk, dat De Grote Vilt in alle jaargetijden een ander uiterlijk krijgt. Fotografie: Ad Lansink met iPhone 11 Pro

Paars-rode vroegbloeiers

Crocussen, Azalea, Heide en Schoenlappersplanten: signalen van klimaatverandering

Crocussen na storm Eunice

Twee weken na de geel-groene aankondiging van de lonkende lente verdringen in eigen tuin nogal wat paarse bloemen de winterakonieten van de eerste plaats op de hitlijst van bloeiende, kleurrijke bloemen. De schuchtere krokussen lieten zich al eerder zien, zij het verspreid in kleine groepen alsof zij Dudley en Eunice, de winterstormen met de welluidende namen voelden aankomen. De jonge crocussen bogen snel het hoofd voor het geweld van de wind. Hier en daar bleven kleine groepjes, die de storm hebben kunnen weerstaan, overeind, zij het minder uitbundig dan in andere jaren. Afgewaaide takken en gehavende crocussen tonen, dat de klimaatverandering ook dichtbij sporen nalaat. Gelukkig is de forse zilverspar blijven staan.

Dat ondanks de winterstormen de lente blijft lonken, blijkt uit het voortijdig bloeien van de azalea. Vijf jaar geleden bedekte een forse sneeuwlaag de kale tuin, waarin de azalea met zijn talrijke knoppen nog moest uitkomen. Dat is nu wel even anders: een groot deel van de heester met de paarse bloemen voegt een mooi element toe aan wat in de tweede helft van februari tot overheersing van paarse kleuren leidt. Naast de Azalea Japonica zijn het de vroeg bloeiende heide en de rose-rode, bijna paarse Schoenlappersplanten, die pas in april voluit zouden mogen bloeien. Opnieuw dus een aanwijzing, dat het weerbeeld in de wintermaanden van 2022 afwijkt van dat in voorgaande jaren.

Ook de Bergenia (Schoenlappersplant) boog voor storm Eunice

De paars-rood-roze Schoenlappersplant – waarschijnlijk de variant Bergenia cordifolia – intrigeert mij al jaren, niet alleen om de typische verschijningsvorm maar ook door de naam. Volgens de Dikke van Dale doet het blad aan een lap leer denken. Andere ‘kenners’ schrijven, dat de was uit de bladeren gebruikt werd bij het schoenen poetsen. De Engelstalige tuinliefhebbers wijzen op de overeenkomst met ‘elephants ears’, wanneer zij naar de bladeren kijken. In andere talen wordt de hartvorm van de bladeren karakteristiek genoemd. De uitheemse Schoenlappersplant heeft hoe dan ook in Europa goed wortel geschoten, letterlijk en figuurlijk.

Wie op zoek gaat naar de eigenschappen van Bergenia ontdekt, dat de Schoenlappersplånt geneeskundige kracht wordt toegedacht. In Rusland en China worden met extracten van wortelstok en bladeren darminfecties, tuberculose, acute en chronische longontsteking, griep, maagdarmziekten, gewrichtsreuma, hoofdpijn en koorts bestreden. De brede inzet van Bergenia-extracten als volksgeneesmiddel zou verklaard kunnen worden door allerhande polyphenolen, die in de bladeren van de Schoenlappersplant worden aangetroffen. De steeds vroeg bloeiende Bergenia-varianten zouden intussen in Nederland een mooie indicatie zijn voor de klimaatverandering: een speculatieve toepassing, dat wel.

De drieling storm Dudley-Eunice-Franklin heeft de crocussen meer geraakt dan de bomen: naast veel klein waanhout slechts een viertal grotere takken

De lente lonkt

Winterakonieten als vroege voorbode van de tijd die komen gaat

Winterakonieten op 2 februari 2022

De lente lonkt: die woorden lijken een voorbarige uitspraak, want er zijn nog een kleine acht weken te gaan. Toch laten de gele bloemen van de winterakonieten zich in de eerste dagen van februari zien als een levendige, overigens tijdelijke bodembedekker. De eerste bloemknoppen waren trouwens al drie weken geleden te zien, nadat de kleine bolgewassen schoorvoetend uit de donkere aarde tevoorschijn waren gekomen. Aanvankelijk dacht ik met ranonkels van doen te hebben, of met gele anemonen. De Obsidentify-app bracht uitkomst. De identificatie met de iPhone leverde een 100% score voor de winterakoniet, wel een lid van de ranonkelfamilie, maar geen anemoon.

Winterakonieten tussen verdwaalde herfstbladeren

Opvallend is wel, dat Obsidentify de winterakoniet een zeldzame verspreiding toedicht. Het is niet duidelijk, of de plant al in 1981 aanwezig was, bij de aankoop van ons huis. Vast staat wel dat de omvang van het bloembed geleidelijk aan groter is geworden. Bovendien zijn op andere plaatsen in de tuin ook winterakonieten te vinden. Winterakonieten kunnen uit zaad worden gekweekt, en dus ook door vogels worden verspreid. Ook kunnen de planten zichzelf uitzaaien. Eranthis hyemalis – de officiële naam van de geelgroene plant – behoort tot de groep van de stinsenplanten, die vooral te vinden zijn op landgoederen, boerenhoven, borgen en kerktuinen. Het zijn meestal ingevoerde en aangeplante, soms ook verwilderde planten.

Winterakonieten als voorbode van de lente

De heldergele, naar honing ruikende bloemen zitten aan een 5 tot 10 cm hoge steel boven een kraag van groene bladeren. Ook Wikipedia meldt, dat winterakonieten in Nederland vrij zeldzaam zijn. In Zuid-Frankrijk, Italie en de Balkan komt de plant vrij in de natuur voor. Nederlandse liefhebbers zijn aangewezen op de bollenhandel. Gelukkig bloeien winterakonieten enkele weken, hoewel de bloemen pas ontluiken bij hogere temperatuur. In zonlicht openen de bloemen zich om zich weer te sluiten wanneer het donker wordt. Dan resteert een bodembedekker, die tegen het einde van het voorjaar de geest geeft. Het veldje van akonieten doet in de – toegegeven: verste – verte denken aan een groen-gehelmde actiegroep. Van dichtbij is het echt de aankondiging van de lente.

Mysterieus maar mooi

Hoe regen en mist De Bruuk veranderen in een grauw-grijs-bruin maar desondanks boeiend landschap

Dat was een vreemde gewaarwording op de tweede maandag van januari, even na drie uur: in Nijmegen volop zon en dus opnieuw aanleiding voor de gebruikelijke wandeling in De Bruuk, het steeds weer boeiende natuurgebied bij Breedeweg. Maar bij het binnenrijden van Groesbeek verdween de zon plotseling achter een dichte, winterse mist. Het zicht bedroeg nog wel een meter of vijftig, maar de abrupte overgang ontnam meteen het uitzicht op de heuvels van het Reichswald. De temperatuur zakte van vijf naar twee graden, en het groene grasland rond Horst kreeg een sombere, grijsgrauwe kleur. Bij de noordelijke ingang aan de Ashorst schrokken de modderige parkeerplaats en de moeilijk begaanbare paden ons zozeer af, dat we besloten door te rijden naar de zuidelijke toegang aan de Hogewaldseweg. Een voettocht over lange landweg, dwars door de Bruuk leek een beter alternatief dan de traditionele rondwandeling.

Die verwachting werd niet beschaamd. Integendeel. De betonnen rijplaten maakte het parkeren tot een eenvoudige handeling. Ook het brede pad naar de blauwgrasvelden was droog en goed begaanbaar, tot halverwege de driesprong met de paden naar de beide andere ingangen aan de Ashorst en de Lage Horst. Op sommige stukken dwongen grote plassen ons maar de met gras begroeide hogere middenberm of naar de zijkanten, dicht langs de afwateringssloten. Modderige gedeelten waren intussen moeilijk te ontwijken. Toch haalden we uiteindelijk de al genoemde driesprong, om daar – anders dan bij de gebruikelijke rondtocht – de weg terug te lopen naar de parkeerplaats. Het zijpad dat naar de ingang aan de Lage Horst lijkt was – zoals verwacht – veranderd in een nauwelijks beloopbare modderpoel.

Intussen viel er toch wel wat te genieten, ondanks of juist door de opvallende grauwsluier over het meestal bruine landschap. De mist hing als een half doorlaatbare wolk boven de landweg, die De Bruuk doorkruist, langs de hier en daar nog groene blauwgrasvelden. Het eind van de weg blijft geruime tijd onzichtbaar. Talrijke plassen op de doorgaans droge weg maken het lopen tot een moeilijke aangelegenheid, behalve op het gedeelte, waar kennelijk een mengsel van leem en zand is gestort, zelfs over de meestal groene middenberm heen. Het dode riet langs de weg maakt het beeld er niet vrolijker op, Maar daar staat tegenover dat het andere zicht op De Bruuk een aparte stemming oproept

De Bruuk zag er dus heel anders uit dan we in de andere jaargetijden gewend zijn. In de blauwgrasvelden waren nu meer en grotere plassen zichtbaar. Het water in de nu zichtbare en kennelijk schoongemaakte sloten langs de landweg stond veel hoger dan in het voorjaar en de zomer. Van de bloemen resteerden nog wat resten, net zoals van het riet. De banken langs de landweg, meestal een dankbaar oriëntatiepunt, doemden pas op het laatste moment op. Het aantal wandelaars was op de vingers van een hand te tellen. Kortom: de Bruuk in een herfstachtige wintertooi, die we nooit eerder gezien hadden. Niettemin: de moeite waard om te beleven en vast te leggen in enkele karakteristieke beelden.

Met uitzondering van de laatste afbeelding zijn alle foto’s gemaakt op of vanaf de oude landweg, die De Bruuk door midden klieft. De slagboom op de laatste afbeelding markeert de modderige toegang van De Bruuk aan de Ashorst, de weg van Horst naar Breedeweg. Klikkn op de foto’s toont meer details. (AL – 10 januari 2022)

Rob Hoogveld (1943 – 2022)

Herinneringen aan Nijmeegse drie-eenheid: bevlogen journalist, voluit Knotsenburger, levenskunstenaar

Wie kende hem niet: Rob Hoogveld, de jarenlange stadsverslaggever van de Gelderlander, die onlangs overleed aan kanker, de nog te vaak ongeneeslijke ziekte. Hij had gemeten naar de tijd nog heel wat jaren te gaan in de stad, die hem in veel, zo niet alle opzichten dierbaar was. Wie kende hem niet onder de Nijmegenaren, die meer dan vier decennia via zijn pen en schrijfmachine gevoed werden met nieuws en kennis over de oudste stad van Nederland. Dat achter Moenen – auteur van talrijke boeiende columns – Rob Hoogveld schuilging, was alom bekend. Maar dat deerde hem niet om wanneer dat nodig was politici de les te lezen of discutabele zaken op een bijzondere wijze te belichten, overigens zonder de aangesproken mensen of zaken schade te berokkenen. 

Rob Hoogveld, op 25 juni 1997, aan de stamtafel van Café Goossens (Foto: Ger Loeffen)

Wie kende hem niet, onder de vele Knotsenburgers, die Rob Hoogveld tijdens de Carnavalsvierdaagse in zijn traditionele uitrusting in de weer zagen met attributen en met een glas gerstenat, op een van de terrassen op de Grote Markt of in Café Goossens, wanneer het binnen beter toeven was dan buiten. Op carnavalszondag was Rob, alleen of met Edith, te vinden voor, naast of na de optocht. Vrijwel elk jaar liep hij zijn eigen route, buiten mededinging maar wel zichtbaar, ook voor Nijmegenaren die zich nog niet tot het Knotsenburgerschap geroepen wisten. Zijn surplace op de Grote Markt – als beeldend kunstenaar een carnavalstafereel schilderend– was voor Rob een aangename uitzondering op zijn gebruikelijke voettochten. Ook de Carnavalskrant mocht in de beginjaren op zijn medewerking rekenen.

Van Café naar Café (2015): Rob Hoogveld rust uit op de Grote Markt (Foto: Ad Lansink

Wie kende hem niet, onder al die levensgenieters, die een stamkroeg nodig hebben om aan dat genieten een extra dimensie toe te voegen: de ontmoeting met gelijk- maar ook andersdenkenden, of met collega’s – de City Bar aan de Houtstraat heette niet voor niets het Bijkantoor van de Gelderlander – en andere creatieve mensen. Het café van uitbater Jo Samson bood namelijk ook volop ruimte en drank aan een hele reeks kunstenaars, die dichtbij of veraf hun atelier hadden. In de kroeg kon niemand om Rob Hoogveld heen, niet alleen vanwege zijn rijzige gestalte maar ook om de even karakteristieke als welluidende stem, waarmee hij de mede-stamgasten aansprak of bevroeg. Op het kroegtafereel van voornaamgenoot Rob Terwindt is Rob Hoogveld dan ook terecht op de voorgrond geplaatst.

Reunie 2007 bij Rob Terwindt’s Kroegtafereel, in 1977 geschilderd voor Jo Samson van de City Bar in de Houtstraat. Links Rob Terwindt, op de voorgrond Rob Hoogveld en Harrie Janssen (Foto: Wijert)

Zelf leerde ik Rob Hoogveld kennen tijdens de eerste vier jaar van mijn lidmaatschap van de Nijmeegse Gemeenteraad. Rob volgde Frans van Mierlo, de veel te jong overleden chef van de stadsredactie op. Met zijn collega Harrie Janssen wist hij na de Raadsvergaderingen de raadsleden gemakkelijk te vinden, wanneer zij een of meer afzakkertjes namen, eerst in Old Dutch, later in de bar van Hotel Schaefer aan de Grote Markt. Daar was naast bier en worst meer nieuws te halen dan in de Raadzaal, zo ontdekten de twee journalisten, die overigens ook hun liefde voor Knotsenburg deelden. Het waren de jaren, waarin de Gelderlander extra veel aandacht aan het Nijmeegs carnaval besteedde. Toen ik zelf in de City Bar belandde, sprak ik uiteraard nog vaker met Rob, ook over niet-politieke zaken. Dat we soms van mening verschilden, deed niet terzake: de wederzijdse waardering wel.

Moeten en Marieke alias Rob en Edith , in de stadskleuren van Nijmgen, 2004 (Foto: Ad Lansink)

Die waardering uitte zich soms op een bijzondere wijze. Ik denk bij voorbeeld aan het verhaal over de door Rob aan mij uitgeleende langspeelplaat met carnavalsschlagers. Toen Jo Samson mij die plaat aanreikte – Rob was die vrijdag niet aanwezig – nam jazzmusicus Boy Raymakers de langspeler uit mijn handen en brak hem doormidden. Carnavalsmuziek stond Boy niet aan. Gelukkig vond ik in den Bosch een nieuwe plaat, zodat Rob’s verzameling compleet bleef. Ik herinner me ook als de dag van gisteren, dat Rob in de tijd van de Piersonrellen – de politie adviseerde mij een quarantaine avant la lettre – op carnavalszaterdag mijn echtgenote Ans een snor, een baard en een donkere bril meegaf, zodat ik de volgende dag ongestoord de carnavalsoptocht kon meemaken. Dat liep goed, totdat ik in de City Bar ‘ontmaskerd’ werd. Het ‘Adriaen oprotten’ van een spandoek op een studentenflat werd daarmee harde werkelijkheid. Twee maanden later vroeg Rob mij namens de stamgasten van de City Bar om toch weer te komen. De angst voor ongeregeldheden was geweken.

De Piersonrellen, ook wel bekend als de Zeigelhof-affaire brengen mij bij een andere herinnering aan Rob Hoogveld. Toen ik hem in 2007 vertelde, dat de redactie van het Numaga Jaarboek 2008 mij gevraagd had een terugblik te schrijven over de Zeigelhof-affaire, zei hij: dat kan helemaal niet. Jij was zelf een hoofdrolspeler. Ik antwoordde dat ik na zoveel jaar in gepaste bescheidenheid zo objectief mogelijk die terugblik zou schrijven, op basis van raadsstukken en raadsverslagen, en – niet te vergeten – de documentatie van de Gelderlander. De krant had in 1980 en 1981 correct verslag gedaan van de gebeurtenissen, en ook een genuanceerd oordeel geveld. Enkele maanden na de publicatie van het Numaga Jaarboek zei Rob spontaan, dat hij mijn verhaal met instemming en waardering had gelezen. Deze anekdotische herinnering toont Rob ten voeten uit: betrokken, kritisch, nieuwsgierig, maar ook fair en rechtvaardig.

Rob en Edith tijdens de Reunie 2007 van het City Bar Kroegtafereel bij Goos. Op de voorgrond Harry van Kuyk, Toontje en Ad Lansink. (Foto: Wijert)

Na de verkoop van de City Bar aan Louis Claus in 1986 vond een groot deel van de trouwe stamgasten, waaronder Rob Hoogveld een nieuw onderkomen in Café Goossens, kortweg Goos geheten. Het kroegtafereel van Rob Terwindt verhuisde na een tussenstop bij Café Biessels mee. Rob paste ook daar prima in het gemengde gezelschap, temeer waar het aantal min of meer politieke, in Nijmeegse onderwerpen geïnteresseerde figuren, nog groter was dan in de kroeg van Jo Samson. Bovendien speelde Goos een prominente rol in het Knotsenburgse leven. Carnaval was een kolfje naar zijn hand. Rob’s liefde voor carnaval had ik overigens al ervaren voordat ik zelf Prins Ad I werd. Ik mocht een keer met Rob, Harrie Janssen en Jan van Leeuwen mee op een dweiltocht naar de Waoterjokers en naar Malden om bij de Dwarsliggers de huldiging van Ad Langebent van KRO’s Brandpunt mee te maken. Daarmee werd trouwens bewezen, dat Rob soms ook wel buiten de Nijmeegse singels te vinden was.

Reunie 2012 van het Kroegtafereel City Bar voor het huis van Jo Samson aan de Waalkade: achter het schilderij Jo Samson, Harrie Janssen enn Rob Hoogveld Foto: Ans Lansink)

Dat binnen de stadssingels voor Rob meer dan genoeg te beleven was, had ook te maken met de plaatsen waar hij woonde: eerst lange tijd in de Hertogstraat, en later aan het Sint Stevenskerkhof, in het huis boven de poort naar de Sint Stevenskerk, de plaats waar Moenen en Mariken historie schreven. Rob heeft de Grote Markt onder zijn ogen zien veranderen: het teloorgaan van Vroom en Dreesmann, maar ook de toename van de terassendichtheid, met de Waag, Cafe Daen, Goos en de Derde Kamer als (Knotsenburgse) trekpleisters. De Grote Markt was de plaats waar hij zich thuis voelde, vooral in de historische Chirurgijnskamer, waar hij op 10 januari 2022 overleed, naar menselijke maat te vroeg. Zijn verwanten, naasten en vrienden weten zich getroost in de wetenschap, dat Rob Hoogveld talloze mensen aan zich verplicht heeft door zijn inzet voor en betrokkenheid met de stad, die hij liefhad en die hij op eigen wijze gediend heeft. Rob: rust in vrede.

Het ene jaar is het andere niet

Hoe herinneringen aan Kerstmis 1944 de blijde boodschap van 2021 maken tot een bundel trefwoorden voor 2022
Kerstgroep: houtsnijwerk uit Oberammergau (Duitsland), vanaf 1968 geleidelijk aan verzameld en toe in Kevelaer een figuur aan te schaffen. De groep is sinds 2000 compleet

Tijdens de Kerstdagen van 2021 dacht ik af en toe terug aan Kerstmis 1944. De afstand tussen toen en nu bedraagt zeven-en-zeventig jaar, toevallig zeven maal elf, twee getallen met meer dan een symbolische betekenis. Kunstenaar Han Klinkhamer leerde mij ooit, dat toeval niet bestaat, maar genade wel. Zal ik het dus maar op genade houden, dat in 2022 bijna alles goed komt, zoals dat in 1945 ook het geval was? Toegegeven: het ene jaar is nooit het andere, en evenmin het betere.  Van de in meer opzichten donkere dagen van Kerstmis 1944 herinner ik me het tekort aan voedsel, de angst voor razzia’s, de thuislessen door mijn ouders. Ik herinner me ook – het was mijn elfde levensjaar – de lange voettocht naar de Nachtmis in de Sint Franciscus Xaveriuskerk in Amersfoort, waar ons gezin na de evacuatie uit Arnhem beland was. Kaarsen opsteken, kerstliederen zingen, de liturgie vieren: dat kon in 1944 wel, maar nu niet. Want de pandemie hield ook de kerken in haar greep, juist nu meer mensen behoefte hebben aan gezamenlijke vieringen. 

Bronzen Kerstgroep uit Benin, enkele jaren geleden verworven in het Afrika Museum in Berg en Dal

Avond- en nacht-missen waren nu onmogelijk, en dagmissen spaarzaam. In Nijmegen-Noord – het vroegere Lent – waren de kerkdeuren zelfs alle dagen en uren gesloten. Aartsbisschop Wim Eijck had alle missen verboden, volgens Eduard Kimman SJ een vorm van pastoraal stalinisme. De Bossche bisschop Gerard de Korte liet zijn parochies enige vrijheid. Is het toeval dat de Waal de grens van de bisdommen is of is het een vorm van historische of geografische genade? Hoe het ook zij: Nijmegenaren konden in de Petrus Canisiuskerk kiezen uit Eucharistievieringen om 9:30, 10:30 en 11:30 uur, met inachtneming van de strenge coronaregels, maar ook met muziek en zang. De kerkgangers merkten tot hun verwondering, dat ook binnen drie kwartier een even ingetogen als feestelijke Kerst-dagmis mogelijk was. In zijn preek ging pastoor Eduard Kimman ook in op de overeenkomst tussen de vrijheidsbeperking in de oorlogsjaren, in het bijzonder 1944 en de belemmeringen in het sociale verkeer, zoals die nu veroorzaakt worden door de overigens noodzakelijke coronamaatregelen.

De verkondiging van de ‘vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor het hele volk: heden is u een Redder geboren’ bood een goed aanknopingspunt voor de pastorale oproep om vreugde en verdriet te delen, verantwoordelijkheid te ervaren als een gezamenlijk opdracht, en de vreugdevolle boodschap door te geven, in navolging van beeldhouwers, schilders, grafici schrijvers, dichters en niet te vergeten beoefenaren van de volkskunst, waar ook ter wereld. Het Kerstevangelie volgens Lucas 2, 1-14 begint overigens met de volkstelling, waartoe keizer Augustianus besloten had, en waaraan Jozef met Maria zijn zwangere verloofde, gehoor gaf. Ongetwijfeld zal ook toen het keizerlijk besluit verzet hebben opgeroepen, zoals nu het coronabeleid de samenleving verdeeld houdt. Of destijds ook sprake was van polarisatie en tweedracht valt uit de Heilige Schrift niet op te maken. Maar de passage Hemelse heerschare Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft sterkt mij in de overtuiging, dat de verkondiging van de vrede de kern van het Kerstgebeuren is. Opvallend genoeg riepen Paus Franciscus en Koning Willem Alexander in hun Kerstboodschappen ook op tot een echte dialoog, tot onderlinge verbondenhed en tot het slechten van tegenstellingen (die overigens al voor de pandemie voel- en zichtbaar waren). 

Houten Kerstgroep uit Afrika, waarschijnlijk Zimbabwe, verkregen van het Afrika Museum in Berg en Dal

Overigens maakte op eerste Kerstdag vooral de eerste lezing uit de profeet Jesaja vonken van ontroering bij mij los, door de inhoud en de woordkeus. 

Het volk dat wandelt in de duisternis, ziet een helder licht: een glans straalt over hen, die wonen in het land van de dood. Gij hebt hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. Voor uw aanschijn zijn zij vrolijk als mensen die opgewekt zijn bij de oogst, of jubelen bij het verdelen van de buit. Want het juk dat zwaar op hem drukt, het blok dat ligt op zijn nek, en de stok van zijn drijver hebt Gij stuk gebroken als in de dagen van Midjan. Want een kind is ons geboren, een zoon werd ons geschonken: hem wordt de macht op de schouders gelegd, en men noemt hem: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst.

Jesaja bood een vooruitblik op wat in de Kerstnacht te gebeuren stond met Joseph en Maria, voor wie geen plaats was in de herberg. Daarom legde zij haar eerstgeborene in een kribbe. Die eenvoudige, maar tegelijk verstrekkende gebeurtenis is intussen ontelbare malen verbeeld, veelal gemodelleerd naar de lokale komaf van de (volks)kunstenaar, of opdrachtgever, in enkelvoud en veelvoud, van allerhande materialen, in alle tijden. De kerstkribbe heeft niet voor niets decennia en eeuwen overleefd, en houdt de gedachte aan de oorsprong van het christendom levend. 

Kerstgroep in de Antonius Abtkerk in Nijmegen: afsluiting van de Kerstkribbe-route Hees

Een rondtocht door het gevarieerde Rijk van Nijmegen leerde, dat tijdens de Kerstdagen van 2021 heel wat kerken de deuren hadden geopend om de door de lockdownn geknotte samenleving de gelegenheid te bieden door een blik op de Kerstgroep blijde boodschap te ervaren en door te geven. Het bezoek aan de inmiddels ook buiten ijmegen befaamde Kribjesroute Hees leerde, dat nog altijd veel mensen het Kerstverhaal en de daaraan verbonden trefwoorden tot zich willen nemen, inclusief de trefwoorden, die voor mij aan de blijde boodschap zijn verbonden. Ik denk aan vrede, vreugde en vriendschap; vervolgens aan liefde, verbondenheid en genegenheid; ook aan zorgzaamheid, barmhartigheid en goedertierenheid; en tenslotte noem ik rechtvaardigheid en saamhorigheid. Laten we elkaar vasthouden in goede en minder goede tijden, met deze bundel trefwoorden. Zij blijven gelden niet alleen de komende dagen en weken, maar ook in 2022, na een jaarwisseling waarin een in meer opzichten bewogen jaar wordt afgesloten.

Nijmeegse Biografieën

Kanttekeningen bij de presentatie van Numaga Jaarboek 2021, waarin Deel 4 van de reeks Nijmeegse Biografieen is opgenomen

Op de omslag van boven naar beneden: Wilfried Uiiterhoeve, Martha Tausk-Frisch, Nol Smits, Claar Herckenrath, Eddy van Halen, Harry van Kuyk

Gewoontegetrouw verscheen kort voor Kerstmis het Numaga Jaarboek, editie 2021. De presentatie in Cultureel Centrum De Lindenberg was een bijzondere aangelegenheid. Het bijzondere karakter betrof op de eerste plaats het jaarboek zelf, nu de meeste pagina’s Deel 4 van de reeks Nijmeegse Biografieën omvatten. Bijzonder was ook de zaalinrichting: door de coronamaatregelen was er plaats voor 100 toehoorders, telkens gescheiden door twee lege stoelen. Schermen moesten het vrije verkeer van virusdeeltjes verder belemmeren. Over verkeer gesproken: straatnaamgeving in Nijmegen bleek een mooi thema bij de presentatie van een boek met korte schetsen van de levensloop van bekende en minder bekende Nijmegenaren. Jan Braber interviewde straatnaamkenner Rob Essers, terwijl wethouder Noel Vergunst en raadslid Rosalie Thomassen onder leiding van Jos Joosten met de praatgrage Essers spraken over ‘politieke’ aspecten van straatnaamgeving, zoals wel of geen behoud van namen van historisch belaste figuren, en de zeggenschap van bewoners. Ook QR-coden kwamen aan de orde, niet vanwege de coronapas, wel om bezoekers te informeren over de achtergrond van een straatnaam. 

Op de omslag van links naar rechts: Theo Elfrink, Kitty Courbois, Harry ter Balkt, Herma Chorus-Borgers

Zelf herinner ik me geen raadsdebatten over straatnaamgeving. De wijknummering in Dukenburg was destijds een hamerstuk. Mijn belangstelling voor biografieën kwam pas in 1998 bij toeval tot stand, toen na initiatieven elders  ook in Gelderland de gedachte was opgekomen om het leven van al dan niet befaamde Gelderslieden vast te leggen in korte biografische schetsen. Frank Keverling Buisman, directeur van het Gelders Archief en redactielid van het Biografisch Woordenboek Gelderland, vroeg mij om Karel Aalbers te vervangen bij de presentatie van Deel 1 van dat BWG. Geveld door een zware griep, kon de voorzitter van Vitesse het eerste boek niet in ontvangst nemen. Ik kende de inhoud van het boek niet. Daarom noemde ik in mijn toespraak onder meer de namen van enkele personen, die waarschijnlijk in Deel 1 ontbraken: John Bertine en (Gekke) Eddie Otten: Nijmegenaren die ik goed had leren kennen.  Mijn toespraak leidde tot het verzoek om voor Deel 2 Eddie Otten, die al op een groslijst stond, en John Bertine te portretteren. Ik werd een vast medewerker, kennelijk met zoveel genoegen, dat ik in 2005 bij de presentatie van Deel 4 van het BWG in het Harderwijkse Stadsmuseum een verhaal mocht afsteken over de wijze waarop een voormalig wetenschapper en politicus zich had omgeschoold tot amateur-biograaf.

De voordracht in Harderwijk viel op bij een redactielid van het Numaga Jaarboek. Hij zocht een spreker voor de feestelijke presentatie van Deel 2 van de Nijmeegse Biografieën, een reeks die in 2004 was gestart als hoofdbestand van het Numaga Jaarboek. Zijn uitnodiging beantwoordde ik positief, met als gevolg, dat ik in 2006 bij de viering van 50 Jaar Numaga in de Stevenskerk vanaf de kansel mocht ingaan op de betekenis van biografieën voor de lokale geschiedschrijving en op personen, die in de Nijmeegse reeks een plek hadden verworven. Terloops meldde ik, welke echte of import-Nijmegenaren volgens mij ook een plaats in de reeks verdienden. De geschiedenis herhaalde zich: ook deze toespraak werd gevolgd door het verzoek om voor Deel 3 een bijdrage te leveren. Dat derde deel verscheen overigens pas in 2013, zeven jaar na het verschijnen van Deel 2. Ik schreef een bijdrage over John Bertine, de befaamde kapper en ex-prins van Knotsenburg, die ik al geportretteerd had voor het BWG. Ik moest die bijdrage inkorten en herschrijven, omdat de Nijmeegse Biografieën 600 tot 800 woorden mogen tellen, ongeveer de helft van de bijdragen in het BWG. 

Die beperking dwingt de biograaf tot bondigheid, vergroot de leesbaarheid en biedt in elk deel ruimte voor meer dan honderd biografische schetsen. Detaillering is echter moeilijk, evenals de mogelijkheid van anekdotische kanttekeningen. De inkorting van mijn bijdrage over John Bertine leverde voldoende ervaring op om positief te reageren op de vraag van eindredacteur Joos van Vugt om voor Deel 4 van de Nijmeegse Biografieën een vijftal bijdragen te schrijven. Ik mocht enkele namen kiezen uit de uitvoerige groslijst van de redactie, maar ik mocht ook zelf namen voorstellen. Na wat wikken en wegen koos ik voor Blokker-ondernemer Nol Smits, kunstenaar Theo Elfrink, City Bar uitbater Jo Samson, kunstenaar Rob Terwindt en kunstenaar Toon Heijmans: allemaal Nijmegenaren, die ik vanaf de jaren zeventig – feitelijk sinds het begin van mijn raadslidmaatschap – persoonlijk had leren kennen en waarderen. De vroegere City Bar – ook wel het bijkantoor van de Gelderlander genoemd – was destijds een belangrijke ontmoetingsplaats, vooral voor kunstenaars. In Deel 4 treft de lezer ook bijdragen over graficus Harry van Kuyk en beeldhouwer Oscar Goedhart, echte stamgasten van de City Bar.

Tijdens de presentatie van het Numaga Jaarboek 2021 nam eindredacteur Joos van Vugt afscheid van de redactie. Hij werd terecht geprezen voor zijn inzet en zijn voortreffelijke begeleiding van de auteurs. De kopie van het e-mailbericht toont zijn reactie op mijn tekst en afbeeldingen voor het lemma over Robert Terwindt

Wat bij de eerdere delen al opviel, werd bevestigd in Deel 4 van de Nijmeegse Biografieën: de brede vertegenwoordiging uit alle lagen van de bevolking: ondernemers, kunstenaars,bestuurders, wetenschappers, uitbaters, schrijvers, verzetsmensen en zelfs figuren, die in de oorlog fout zaten. De twintigste eeuw wint van voorgaande eeuwen, maar de middeleeuwen komen wel aan bod. In de vier delen van de Nijmeegse Biografieën zijn inmiddels 534 boeiende levensgeschiedenissen opgetekend, waarvan 115 in Deel 4. Dat op de omslag van Jaarboek Numaga 2021 twee foto’s prijken van mannen, die ik heb mogen portretteren, berust waarschijnlijk op toeval. Ik ontleen aan dat toeval wel de vrijheid om ook nu weer namen te noemen van personen, die in een van de volgende delen niet zouden misstaan. Dat zijn oud-burgemeester Frans Hermsen, galeriehouder en Bottendaal-promotor Wim de Natris, ex-ambtenaar en schrijver Jan Roelofs, oud-wethouder en ex-NEC-voorzitter Henk Bergamin, ondernemer en NEC-topman Hans van Delft; inspirerende gangmakers, die in Nijmgen hun sporen hebben verdiend.

Ladder van Lansink, Beeldspraak, Knotsenburg en andere topics

Translate »