Saamhorigheid troef

Bestrijding van Covid19 vergt eensgezindheid, geen betweterij

Houd een dagboek bij, zo raadde iemand mij aan, kort nadat premier Rutte op 13 maart de ‘intelligente lockdown’ had afgekondigd. Nederland zou evenals andere landen in Europa voor een groot deel op slot gaan. Afzien van handen schudden, niezen in de arm en regelmatig handen wassen waren onvoldoende gebleken. Anderhalve meter afstand werd de nieuwe norm, en thuiswerken bijna verplicht.  Bijeenkomsten werden verboden, onderwijsinstellingen gingen dicht, evenals de grenzen, ook al bleef een tocht naar Duitsland mogelijk. Een dagboek heb ik niet bijgehouden, weekoverzichten evenmin. Want in de directe omgeving gebeurde weinig, en buitenshuis begeven: dat mocht niet of nauwelijks. Desondanks zijn merkwaardig genoeg de voorjaarsmaanden van 2020 omgevlogen. Binnenshuis is gelukkig weinig veranderd, maar buiten het eigen domein wel, vooral daar waar Covid19 verderf heeft gezaaid.

Covid19 leverde overigens ook wel wat op; universaliteit, saamhorigheid, gemeenschapsgevoel, voorzichtigheid. En niet te vergeten innovatie. De leerkrachten wisten binnen de kortste keren hun leerlingen langs digitale weg te bereiken. Videoconferenties en webinars bleken een geslaagde vervanging van vergaderingen en congressen. De vraag was wel, hoe lang die positieve effecten en de vernieuwing van kommunicatie-kanalen stand zouden houden. Zou het woord samenleving in meer opzichten blijven gelden, voor jong en oud, voor arm en rijk, in Nederland, Europa en verder weg? De coronacrisis zou wel eens het begin van een ommekeer kunnen zijn, zo verwachtten de actieve transitiemannen en vrouwen van het Rotterdamse DRIFT. Of zou de aanvankelijk vrijwel eensgezinde gemeenschap toch weer uiteenvallen in groepen en individuen, met eigen ambities en agenda’s? Het antwoord is inmiddels duidelijk. Een echte ommekeer lijkt nu al uitgesloten. De komst van een tweede – hopelijk kleinere uitbraak – ligt meer voor de hand dan de omvorming van de samenleving naar rechtvaardiger en duurzamer snit. 

Het draagvlak voor het door het kabinet Rutte ingezette coronabeleid – wat traag op gang gekomen maar later in een behoorlijke versnelling gezet – was in de eerste maanden groot. Uit polls bleek, dat 80 tot 90 % van de bevolking de inzet van Mark Rutte en Hugo de Jonge wisten te waarderen. Het bedrijfsleven, dat open mocht blijven, paste zich goed aan en de noodzakelijke diensten – met op de eerste plaats de zorgverleners in zieken- en verpleeghuizen – spanden zich bovenmatig in om verder onheil te voorkomen. De wekelijkse persconferenties en de openbare briefings van de Tweede Kamer hielden de aandacht gevangen. Verpozing vond ik zelf in opruimactiviteiten, tuinwerkzaamheden en wandelingen op plaatsen waar het aantal bezoekers beperkt bleef, met als ultieme voorbeelden: de Bruuk bij Groesbeek, de Zelderse Driessen bij Ottersum en de Blauwe Kamer bij Wageningen. Al met al vloog de tijd om, ondanks of juist door de ergernis, die de betweterij van sommige hooggeleerde commentatoren en kwasi-deskundige BN-ers opriepen. Zij kregen in de media alle ruimte om het coronabeleid van het Kabinet en de Veiligheidsregio’s op de korrel te nemen. Dat zij daarmee het draagvlak voor de maatregelen ondermijn(d)en, was en is hen kennelijk een (andere) zorg.

Nu wil het toeval, dat twee van die hooggeleerde commentatoren hun domicilie hebben in Nijmegen aan de Radbouduniversiteit, waar universaliteit toch uitgangspunt is. Ik doel op Prof. Dr. Ira Helsloot, hoogleraar veiligheidsbeleid, die klaarblijkelijk het utiliteitsbeginsel hoog in zijn vaandel heeft gezet. De nuttige, voor de economie belangrijke levensjaren tellen voor Helsloot meer dan het beperkte aantal jaren, die ouderen nog te gaan en veelal ook te beleven hebben. En ik doel op Prof. Dr. René ten Bos, hoogleraar filosofie, die de individuele vrijheid van mensen hoger waardeert dan de gedeelde verantwoordelijkheid voor ieders welzijn, op welke leeftijd ook. Ira Helsloot haalde met zijn kritiek op Rutte en de Jonge diverse kranten (waaronder de Gelderlander), en mocht aanschuiven bij talkshows, die wel wat voelden voor tegendraadse geluiden. René ten Bos moest het hebben van Café Weltschmerz, waar van weerwoord nauwelijks sprake was. Anders liep het met zijn boek De coronastorm, dat door critici in NRC en Vrij Nederland terecht met de grond gelijk is gemaakt. Menno Lievers eindigt zijn kritiek in de NRC met de woorden: ‘Ten Bos staat zich erop voor, dat hij Denker de Vaderlands is geweest: zijn voorgangers en opvolgers trekken na lezing van dit boek een zak over hun hoofd’.

Een intelligente lockdown was aan René ten Bos niet besteed. In de ondertitel van De coronastorm: Hoe een virus ons verstand wegvaagde had de voormalige Denker des Vaderlands het woord ‘ons’ beter kunnen vervangen door ‘mijn’. Zijn boek is in meer opzichten een aanfluiting, niet alleen omdat hij de wetenschappelijke onderbouwing van het coronabeleid bagatelliseert en eigenlijk ontkent, maar ook omdat hij de maatregelen van Rutte en de Jonge fascistisch noemt. Hij munt op eigen – overigens grootsprakerige wijze – de term ‘coronafascisme’. Zijn stelling ‘het fascisme ‘zit in ons allemaal, omdat de angst in ons zit’ is een grove mistekening. Volgens Ten Bos zijn wij – een kwalijke veralgemenisering – in de greep van een fascistische manier van denken, nu ziektebestrijding belangrijker is dan behoud van fundamentele waarden en normen. Ten Bos vergeet dat de norm van de gedeelde verantwoordelijkheid is blijven gelden, net zoals de norm van de gerechtigheid. In Vrij Nederland schrijft Carel Peeters terecht: ‘De coronastorm, staat bol van grootspraak, verdraaiingen en zogenaamde bescheidenheid. Het virus maakt kennelijk ook het slechtste in de mens los’. Het is onbegrijpelijk, dat de man, die Denker des Vaderlands was, zo de weg van de redelijkheid kwijt heeft kunnen raken. Dat zijn boek in de NRC nog een van de vijf bolletjes scoorde, zegt genoeg.

Terug naar het begin: geen dag- of weekboek dus, en evenmin een evaluatie. Wel een op voorhand onvolledige terugblik in grove lijnen, met woorden en begrippen, die tijdens de periode van de virusuitbraak en bestrijding meer dan de gebruikelijke betekenis hebben gekregen. Saamhorigheid, maar later ook verdeeldheid. Communicatie maar later ook polarisatie. Duidelijkheid maar ook – en dat van het begin af – betweterij. Mijn ergernis over verdeeldheid, polarisatie en betweterij heb ik niet altijd weten te onderdrukken, vandaar mijn kanttekeningen bij de uitspraken van Helsloot en Ten Bos. Maar uiteindelijk wint de herinnering aan de verbondenheid en (redelijke) eensgezindheid, in woorden als burenhulp, buurtborrel en borrelplank. Herinnering ook aan goede persconferenties van Rutte en de Jonge, en niet te vergeten de onmisbare doventolken. De infectieradar kwam nog onvoldoende van de grond, het contactonderzoek ook. Het coronadashboard is een waardevolle bron van informatie, zolang een effectief vaccin, laat staan groepsimmuniteit uitblijven. Reisbeperkingen blijven overzien- en draagbaar, en de omstreden mondkapjes ook. Mijn trefwoorden blijven: voorzichtigheid, saamhorigheid en solidariteit, hoe moeilijk dat ook is.  

Zonneboom naar ROC

Kunstwerk van Andreas Hetfeld na acht jaar over van Stichting Zonneboom naar ROC-Technovium

Ongebruikstelling van de Zonneboom op 8 mei 2012 door wethouder Jan van der Meer en Ad Lansink, voorzitter van de Stichting Zonneboom

De Zonneboom, het grote en opvallende kinetisch kunstwerk van Andreas Hetfeld, is al acht jaar een vertrouwd beeld voor reizigers – te voet, op de fiets, in de auto of met de trein – die het ROC Technovium bezoeken of via de Heyendaalseweg naar het centrum van Nijmegen gaan. De indrukwekkende kroon met de negen en zestig zonnepanelen torent weliswaar niet uit boven de gebouwen ter linker en rechterzijde, het majestueuze complex van de SSH& en het supermoderne gebouw van het ROC Technovium. Maar de ranke steel en de artificiële bloem, die afhankelijk van de zon van oost naar west beweegt, maken de schepping van Andreas Hetfeld tot een binnenstedelijk landmark. De ruim dertien meter macrosculptuur is een teken van duurzaamheid, en tegelijk een educatief project, dat in 2012 ook om die reden bij het Technovium geplaatst werd.

Installatie The Making off The Solartree door Andreas Hetfeld (2011): mixed media op karton, ingelijst (in beset van Ad Lansink)

De Zonneboom was een bijzonder onderdeel van Zoek de zonzij, een plan van aanpak ter bevordering van zonne-energie. Het Zonnekrachtteam had in 2008 op verzoek van de gemeente Nijmegen dat plan gepubliceerd. Wethouder Jan van der Meer vroeg destijds naast suggesties voor allerlei projecten ook om ideeën voor een ‘zonne-icoon’ om in de openbare ruimte de aandacht te vestigen op de potenties van de zon. Ik vroeg als voorzitter van het team in 2007 kunstenaar Andreas Hetfeld een voorontwerp te maken. Zelf dacht ik aan een zonneboot, en later aan een zonneboom met gebladerte van zonnepanelen De kunstenaar trok zijn eigen plan, gebaseerd op een zonnebloem. Na rijp beraad viel de keuze op een combinatie van bloem en boom. De Zonneboom heeft echte wortels maar de kroon verbeeldt een zonnebloem, die de zon volgt.

Ondertekening van de Vaststellingsovereenkomst door Peter van Mulkom (ROC), Cees Stunnenberg (SSH&) en Ad Lansink (Stichting Zonneboom) Op tafel van gastheer en Technovium-directeur Folkert Potzeligt het boek over de Zonneboom. De nog resterende boeken zijn met de Zonneboom overgedragen aan het ROC-Tecnovium (Foto: Andreas Hetfeld)

De bouw van de Zonneboom was een kostbare aangelegenheid. De Gemeente Nijmegen wilde wel een bijdrage verlenen, op voorwaarde dat het Zonnekrachtteam in het bedrijfsleven sponsoren zou gaan zoeken. De oprichting van de Stichting Zonneboom was noodzakelijk, omdat het stadsbestuur om begrijpelijke redenen – waaronder precedentwerking – niet als opdrachtgever en eigenaar wilde optreden. De bedoeling was, dat de stichting ca vijf jaar zou bestaan, van 2009 tot 2015, dus tot drie jaar na de onthulling van de Zonneboom in 2012. Die tijd leek aanvankelijk ruim voldoende om te zoeken naar een definitieve eigenaar. Die schatting bleek te optimistisch. Pas op 26 oktober 2019 kon de Zonneboom officieel aan het ROC worden overgedragen. Het ROC Technonovium was de meest voor de hand liggende eigenaar gelet op de educatieve functie van het project en de besturing van de installatie, die ondergebracht is in de kelder van het ROC Technovium.

Statieportret na de overdracht van de Zonneboom aan het ROC-Nijmegen. Van links naar rechts; Andreas Hetfeld, Folkert Potze, Ad Lansink, Peter van Mulkom en Cees Stunnenberg (Foto: een voorbijganger)

De vertraging in de overdracht had louter zakelijke achtergronden. Het kunstwerk staat op grond van de SSH&, met een onbeperkt recht van opstal, terwijl het bestuur van het ROC-Nijmegen ook tijd nodig had om de consequenties van het eigenaarschap goed te kunnen overzien. Overigens was de directie van het ROC Technovium steeds enthousiast over de inlijving van de Zonneboom. De wisseling van het bestuursvoorzitterschap van het ROC zorgde ook voor enig uitstel. Dat was geen probleem voor het bestuur van de Stichting Zonneboom, omdat voldoende middelen in kas waren om het reguliere onderhoud van het kunstwerk – uitgevoerd door bouwer Willems uit Boven Leeuwen – onder toezicht van Andreas Hetfeld te betalen. Maar als gezegd: op 26 oktober 2019 was het dan zover: de ondertekening van de door notaris Klaas Albert Veerbeek Vaststellingsovereenkomst, waarmee het ROC het eigendom en onderhoud van de Zonneboom bevestigde. De Stichting Zonneboom is na overdracht van de nog aanwezige middelen per 1 april 2020 opgeheven: het eindpunt van een lang traject, dat secretaris Frits Ogg, penningmeester John Schermer en voorzitter Ad Lansink hoofdbrekens heeft gekost maar zegeningen gebracht, in eendrachtige samenwerking met kunstenaar Andreas Hetfeld, die intussen diverse andere spraakmakende kunstwerken heeft gerealiseerd.

Het Gezicht van Nijmegen door Andreas Hetfeld, aan de Spiegelwaal bij Veur-Lent, nu al een trekpleister van allure (Foto: Ad Lansink)

Een van die kunstwerken, en wellicht een van de meest indrukwekkende, is Andreas Hetfeld’s Het Gezicht van Nijmegen, dat midden in de tijd van Covid19 en intelligente lockdown geplaatst is op de oever van de Spiegelwaal in Veur-Lent, vlak bij Fort Knodsenburg. Anders dan de toekomstgerichte Zonneboom herinnert Het Gezicht van Nijmegen aan een ver verleden, toen Romeinse legers in en om Nijmegen hun kampen opsloegen. Het beeldhouwwerk – een met veel kunde en passie tot stand gekomen installatie – is een sterk vergrote en voor bezoekers en kijkers aangepaste vertaling van het Romeinse masker, dat jaren geleden in de Waal bij Nijmegen is gevonden. Het kostbare pronkstuk maakt deel uit van de archeologische collectie van Museum Het Valkhof. Daar wordt vanaf 21 juni 2020 in ‘the making of’ expositie de totstandkoming van het reusachtige masker toegelichtaan de hand van ontwerpschetsen, technisch onderzoeksmateriaal, maquettes en sprekende beelden van fotograaf Paul Breuker en filmteam ‘Nijmegen blijft in beeld’.

Aparte gewaarwording

Een ogenblik terug naar de zestiger jaren dankzij een Italiaans biotechnologisch platform

Gewaarwording is een zelden gebruikt, ook ouderwets woord voor een vreemde gebeurtenis of onverwachte waarneming. Welnu, een recent emailbericht met een rechtstreekse verwijzing naar LinkedIn was een plotselinge gewaarwording, die mij herinnerde aan lang vervlogen tijden. Het was begin jaren zestig, toen ik in de verste verte niet kon bevroeden ooit in de landelijke politiek terecht te zullen komen. Het was de tijd van fundamenteel en later toegepast wetenschappelijk onderzoek aan de (toen nog) Katholieke Universiteit. Mijn afstudeeronderwerp – fysisch-chemisch structuuronderzoek aan ribosomen uit bakkersgist – had ik uit Utrecht meegenomen naar Nijmegen, waar wel plaats was voor een pas afgestudeerde chemicus. Professor Dr. Gerard van Os – mijn latere promotor – was zelfs bereid bij Beckmann in München een kostbare Spinco-ultracentrifuge te bestellen. In 1964 promoveerde ik, na een kleine vijf jaar onderzoek op het Laboratorium voor Fysische Chemie aan de gloednieuwe Faculteit van Wiskunde en Natuurwetenschappen.

Titel van het proefschrift

Het verrassende bericht dat mij onlangs bereikte, luidde aldus: 

Hi Ad: My name is Paola and I work for IMMAGINA Biotechnology, a company focused on ribosomes. We recently develop of new tool for the analysis of translated or ribosome-associated ncRNAs (AHARIBO kit). I invite you to accept my invitation to learn more! 

Meer te weten komen, dat wilde ik natuurlijk wel, niet zozeer wie Paola is, wel waarom die onbekende vrouw mij op het spoor was gekomen. De verwijzing naar de website met een intrigerende naam bevatte de sleutel: www.immaginabiotech.com. De term ‘biotech’ komt immers bekend voor. Maar ‘immagina’ gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. Paola schreef, dat haar onderneming zich bezighoudt met ribosomen. De in Trento (Italie) gevestigde biotechnologische onderneming noemt zich The Ribosome Company. Voor wie vraagt wat ribosomen zijn: dat zijn macromoleculaire verbindingen van eiwitten en ribonucleinezuren, die in het cytoplasma van levende cellen een rol spelen bij de eiwitsynthese. Ik isoleerde destijds de ribosomen door bakkersgist in een mortier fijn te wrijven met carborundum. Met ultracentrifuges scheidde ik de voor het onderzoek nodige preparaten. The Ribosome Company is een platform voor ribosoomtechnologie, dat wetenschappers informatie verschaft over therapeutische strategieën bij kanker en aangeboren aandoeningen. Verder ontwerpt, produceert en levert het bedrijf onderzoeksinstrumenten voor de analyse van genexpressie op ribosomaal niveau.

Electronenmicroscopis beeld van ribosomen uit bakkersgist (Foto: Ad Stadhouders, Laboratorium voor Electronenmicroscopie, Medische Faculteit, Katholieke Universiteit, Nijmegen (1963)

Waarom mijn bijzondere gewaarwording? Welnu; omdat ik me na de verdediging van mijn proefschrift over Yeast Ribosomes and Magnesium Ions in 1964 niet meer met die uiterst kleine celdeeltjes heb bemoeid. In mijn dissertatie had ik aangetoond, dat magnesiumionen functioneel zijn voor de structuur van ribosomen, Door mijn overstap naar de Afdeling Pathologie van het Radboudziekenhuis ging ik me toeleggen op onderzoek van weefsel, sera en hersenvloeistoffen. Ribosomen raakten buiten beeld, de wetenschappelijke literatuur over RNA en DNA ook. Dat ik ruim zestig jaar na mijn onderzoek naar de fysisch-chemische eigenschappen van ribosomen herinnerd wordt aan het begin van mijn wetenschappelijke loopbaan was een ongedachte verrassing. Mijn proefschrift is kennelijk niet overal bij het oud-papier terecht gekomen. Een recente Google-zoekopdracht met de koppeling van mijn naam aan ribosomen leverde diverse vindplaatsen op, inclusief het volledige pdf-bestand van mijn proefschrift. Mijn onderzoek naar de structuur van ribosomen is dus niet voor niets geweest. Dat de opgedane wetenschappelijke bagage ook van betekenis is voor het werk van een politicus, heb ik later kunnen aantonen, uiteraard in gepaste bescheidenheid.

Vindplaats van ‘Yeast Ribosomes and Magnesium Ons’, mijn dissertatie, beschikbaar via Open Access
Overbruggen van kloof tussen wetenschap en samenleving: Toespraak van Ad Lansink bij de ontvangst van de ISWA Publication Award 2018 in Kuala Lumpur (Foto: Sophie van Kempen)

De wetenschappelijke vorming kwam vooral van pas bij onderwerpen in het domein van de beta-wetenschappen: milieubeheer en energiepolitiek maar ook volksgezondheid met als voorbeelden: orgaantransplantatie, ziektebestrijding en farmacie. Wetenschapsbeleid in meer algemene zin is natuurlijk ook een thema, waar kennis van en inzicht in wetenschap en technologie van betekenis zijn. Dat geldt temeer, omdat de afstand tussen wetenschap en samenleving vaak te groot is. De recente uitbraak van Covid19 maakt dat evenzeer duidelijk als de verdeelde opvattingen over klimaatbeleid. Kennisbronnen zijn vaak niet goed toegankelijk voor het grote publiek. De noodzaak van een transparant tweerichting-verkeer tussen wetenschap en maatschappij vraagt om spelers, die het ongelijke speelveld van wetenschap en samenleving kennen. Wetenschapsjournalisten kunnen een brug slaan. Of ook politici de kloof tussen wetenschap en maatschappij kunnen dichten, valt te bezien. Op 7 december 2004 mocht ik op een internationaal symposium te Amsterdam die moeilijke vraag beantwoorden. Ik concludeerde toen, dat een stevige rol van politici moeilijk is door de versnippering van het politieke landschap en door de te grote nadruk op korte termijn vraagstukken. Politici kunnen de (extra?) functie van mediator op zich nemen wanneer hun visie op lange termijn de incidentele aanpak overvleugelt. Denken, werken en spreken zonder vooroordelen blijft mijn aanbeveling voor de politici van vandaag en morgen.

Panta Rhei

Ofwel een bijzondere regenton als herinnering aan een rustige verjaardag onder het corona-regiem

Een jaar ouder worden onder het Corona-regiem, dat werd dus geen uitbundige (herinnering aan) persoonlijke D-day, maar een ingetogen thuisviering. De overigens trouwe familieleden wonen ver weg, en samenscholingen worden ondanks de versoepeling nog steeds ontraden, of sterker nog verboden. Toch was het gebak niet tevergeefs ingeslagen. Enkele vrienden uit Nijmegen – Cobie met Robert en Sophie met Klaas – maakten de 6e juni van 2020 toch nog tot een bijzondere verjaardag. Na bijna drie maanden zonder enig bezoek viel er veel bij te praten over de achteraf toch snel verlopen intelligente lockdown, over even terechte als risicovolle anti-racisme-demonstraties, over allerlei gecancelde bijeenkomsten waaronder de kerksluitingen, over diverse gebeurtenissen in eigen kring en over de verwachtingen voor een nog onzekere toekomst. Herinneringen, ervaringen en ideeën delen met vrienden, dat blijft de moeite waard.

Regenton (Ontwerp: Guido de Vries) op regenrijke plaats bij de zijmuur waar het water van het dak voor voldoende vulling zorgt

De eerdergenoemde onderwerpen kwamen ook aan bod op de avond voor D-day tijdens een onverwacht maar niet toevallig samenzijn in het Petrus Canisiushuis van de Jezuïeten aan de Graafseweg in Nijmegen. Eduard Kimman SJ had de leden van het locatiebestuur van de Petrus Canisiuskerk uitgenodigd om de eerste week na de gedeeltelijke openstelling van de kerk bijeen te komen voor een evaluatie. Hoewel de korte gebedsvieringen om kwart over twaalf werden gewaardeerd, bleef het aantal kerkgangers beperkt. Maar Eduard Kimman had nog een aanleiding om ook de partners van de bestuursleden uit te nodigen voor een bescheiden wijn- en kaasparty: zijn officiële benoeming tot pastoor van de Sint Stephanus-parochie, waarin sinds enkele jaren een zestal oude Nijmeegse parochies zijn verenigd. Na het afscheid van Pastoor Cyrus van Vugt was hulpbisschop Mgr Rob Mutsaers tijdelijk administrator. Zijn onverwachte vertrek maakte plotseling de benoeming van Eduard Kimman mogelijk.

Sophie en Klaas bewijzen de lengte van het verjaardagsgeschenk: anderhalve meter

De genoeglijke bijeenkomst in lhet Canisiushuis en de boeiende verhalen en discussies – ook over de vergrijzing van de kerkgemeenschap – bleken een mooie opmaat voor wat ik toch een bijzondere verjaardag durf te noemen. Ik doel niet zozeer op het getal 86, wel op de kenmKerken van een stille viering in corona-tijd. Geen omhelzing of knuffels, zelfs geen eenvoudige handenschudderij maar Japanse buigingen om de jarige gastheer te feliciteren met het bereiken van wat langzamerhand een forse mijlpaal wordt. Ga maar na: geboren op 6 juni 1934. Ik hoor de fysiotherapeut bij de eerste revalidatie training op Dekkerswald na mijn open-hart-operatie in 2017 nog vragen: hebt u zich niet u vergist bij het invullen van uw geboortejaar: dat moet toch 1944 zijn. Sophie maakte het – bij wijze van grap – nog bonter. Op het verjaarsgeschenk had zij het over de 68-jarigen: een bewuste typefout dus, waarschijnlijk om de jarige gastheer en zijn echtgenote een hart onder de riem te steken.

Toelichting bij het verjaardag geschenk voor de 68=jarige Ad & Ans, met een fotocollage uit De Bruuk bij Groesbeek
Jarige Ad en bijna jarige Ans weten dankzij de kraan waarmee zij verrast worden: een regenton

Sophie en Klaas hadden hun komst tevoren aangekondigd. De deurbel was dus geen verrassing, maar de aanblik van het tweetal wel. Zij bleven uiteraard op anderhalve meter staan, naast een ook anderhalf meter hoge, slanke geschenkverpakking. Klaas sleepte het gevaarte naar binnen, waar na wat snij- en knipwerk een lange grijze doos met een zwarte kraan tevoorschijn kwam. Een kleurrijk etiket op A4-formaat leerde, dat het cadeau een dubbele bestemming had: voor Ad en Ans, die in 1934 kort na elkaar geboren waren, zij het wel op ruime afstand van elkaar in Arnhem en Hilversum. Sophie herinnerde zich wellicht het ‘Allemachtig, allebei tachtig in 2014.

Is dit de juiste plaats? Nee, want het balkon levert te weinig regenwater op.

Maar dat terzijde. Het gezamenlijke cadeau voor 6 juni en 21 juli was letterlijk en figuurlijk een grote verrassing. De strakke, langwerpige regenton is gemaakt van recyclaat: dus meer dan een knipoog naar het circulaire gebruik van hemelwater. De regenton is ontworpen en gemaakt door kunstenaar Guido de Vries. Vorm en kleur passen mooi bij het huis – zie de eerste afbeelding – en de wat dikkere regenpijp. De lengte van de regenton – toevallig (?) anderhalve meter is een blijvende herinnering aan de corona-tijd.

Stromende regens lijken zeldzamer te worden. Toch hoop ik, dat de regenton op gezette tijden vol raakt, niet alleen om te besparen op de waterrekening maar ook om een kleine bijdrage te leveren aan de veelbesproken circulariteit. Stromend water brengt mij bij ‘Panta Rhei’: het geliefde aforisme van de Griekse filosoof Heraclitus (ca.530-475 v. Chr), die in twee woorden – alles stroomt – duidelijk wilde maken, dat alles op de wereld steeds in beweging is. De samenleving en de natuur veranderen voortdurend, ook wanneer de zucht naar behoud wint van het verlangen naar vernieuwing. Alles beweegt, ook de tijden, en met de tijden de mensen. Het is in de tijd van de corona-hectiek een hopelijk geruststellende gedachte, zelfs in een verdeelde samenleving. Ik hoef de moderne regenton overigens niet Panta Rhei te noemen om de herinnering aan een bijzondere verjaardag levend te houden. Daar zorgt het hemelwater wel voor.

De openheid van ‘open access’

Herinneringen aan 1964 bij de recente column van Hieke  Huikstra in Trouw over het verdienmodel van wetenschappelijke uitgevers

Hieke Huistra: Dat het nog bestaat, zo’n absurd systeem
Trouw, 23 mei 2020

Onder gewone omstandigheden zou de column van Hieke Huistra in Trouw niet zijn opgevallen. Een twitterbericht met de prikkelende vraag ‘Je mond houden als je niks te zeggen hebt: hoe kan het toch dat zo weinig wetenschappers daar de moed voor hebben?’ was een voldoende aansporing om een van de laatste pagina’s van ‘De Verdieping’ op te zoeken. De waarschijnlijk retorische vraag is de slotzin van een boeiende beschouwing over de publicatiedrift van veel wetenschappers en – in strijd met de gewenste toegankelijkheid – de door uitgevers opgerichte betaalmuren. Aanleiding voor de column is de deal, die de Nederlandse universiteiten hebben gesloten met Elsevier. In ruil voor tachtig miljoen Euro mogen de Nederlandse wetenschappers vijf jaar lang alle publicaties gratis lezen. Er komt een dag, aldus Hieke Huistra, waarop universiteiten geen zin meer hebben om heel veel geld te betalen voor toegang tot onderzoekresultaten, die op kosten van diezelfde universiteiten tot stand zijn gekomen.

De schrijfster ziet de publicatiedrift van wetenschappers als werkelijke kwaal, zonder op de oorzaken van die overproductie in te gaan. Ik doel op de grote betekenis, die aan citatie-indices wordt toegedicht en aan de noodzaak om externe subsidies voor onderzoekprojecten binnen te hengelen. Een ander in de column niet bericht aspect betreft de externe toetsing van publicaties. De wetenschappelijke tijdschriften kennen een doorwrocht systeem van onafhankelijk ‘peer reviews’: systematische controle en beoordeling van de voor publicatie aangeboden bijdragen en artikelen. Publicatie van onderzoekresultaten in een wetenschappelijk tijdschrift betekent dus een stempel van goedkeuring. De instandhouding van het systeem van ‘peer reviews’ vergt financiële middelen, die door de uitgevers moeten worden opgebracht via de relatief hoge abonnementskosten.

Hieke Huistra (1982) was nog niet geboren, toen ik de systematiek van de wetenschappelijke uitgevers aan de orde stelde. Dat gebeurde in 1964, om precies te zijn op 7 juli bij mijn promotie aan de (toen nog) Katholieke Universiteit in Nijmegen. Aan de stellingen had ik, zoals gebruikelijk was, tot lering en vermaak enkele ‘beweringen’ buiten het domein van mijn proefschrift toegevoegd.  Stelling X over de voorkeur voor hypothetisch deductieve onderzoekmethoden was bedoeld voor een discussie met Dries van Melsen, de hoogleraar filosofie, die ik al in Utrecht als oud-Veritijn en mentor van natuurfilosofisch dispuut ‘De Pyramide’ had leren kennen en bewonderen. Toen Drie van Melsen van de rector het woord kreeg, vroeg hij mij niet stelling X maar stelling XI voor te lezen, en daarbij uitgevers te vervangen door schoenlappers. Even schrok ik, om te vervolgen met ‘Schoenlappers zijn zich niet altijd bewust van hun verantwoordelijkheid bij de reparatie van schoenen en laarzen’. Dries van Melsen kon nog net zeggen: Juist, open deur, voordat de pedel na het openen van de deur uitriep: Hora Est.

In een jaarverslag had de directie van Elsevier onomwonden verklaard, dat in een tijd van recessie aandeelhouders zich geen zorgen hoefden te maken. Wetenschappelijke uitgaven waren door de jaren heen een zekere en goede bron van inkomsten, ook wanneer de economie wat tegenzat. Ik vond toen al, dat de tijdschriften waar ik veel kennis aan ontleende – ik herinner me vooral Biophysica et Biochimica Aca – voor jonge onderzoekers onbetaalbaar waren. Bibliothecaire verzamelingen hadden geld genoeg, dacht ik, maar nieuwsgierige onderzoekers niet. De stelling was overigens even provocatief als naief. Dries van Melsen had met zijn ‘open deur’ grotendeels gelijk. Toen ik jaren later Pierre Vinken, eerst als directeur van Excerpta Media, later als topman van Elsevier tegenkwam was ik mijn stelling ook vergeten. Dat ik nu met enig plezier herinneringen ophaal aan 1964, is te danken aan Hieke Huikstra. ‘Het systeem is zo absurd dat niemand begrijpt dat het nog bestaat’, aldus de wetenschppelijke columniste, die ik grotendeels ondersteun in haar kritiek. Hoe open is ‘open access’? Die terechte vraag blijft ook open. 

 

Hoop doet leven

Beelden en woorden uit Groesbeek, Mook, Kekerdom en Nijmegen: een kleurrijke Paasgroet bij een ongedacht  Pasen 2020

Een groep bosanemonen in de blauwgraslanden van De Bruuk bij Groesbeek

Zou 2020 een bijzonder jaar worden, zo vroeg menigeen zich af, die tijdens Oudjaar 2019 aan de ritmische cijfercombinatie een magische betekenis toekende. Twintig-twintig: die twee ronde getallen zouden toch een nieuw begin kunnen inluiden, ook al was het nietige Covid19 al voor de jaarwisseling gesignaleerd. Welnu: de hele wereld weet wel beter, nu het coronavirus vrijwel iedereen belaagt. Sinds de uitbraak in het Chinese Wuhan heeft Covid19 wereldwijd verdriet en verderf gezaaid. Miljoenen mensen zijn besmet geraakt en vele duizenden mensen gestorven aan een ziekte, die slechts moeizaam bestreden kan worden. Pasen 2020 zou – zoals elk jaar – het feest van de wederopstanding moeten zijn. Maar Pasen 2020 is anders. Lockdown – al dan niet intelligent – is nu het trefwoord. De wederopstanding is onzeker, en wellicht veraf.

Jongeren op de trappen bij de haven en kerk van Mook

Pasen 2020: geen tochten over de grens bij Wyler naar een Witte Donderdag in Kevelaer, een Goede Vrijdag in de Sankt Petrus und Pauluskirche in Kranenburg of een Paaswake in de Sankt Nicolaikirche in Kalkar of de Sankt Viktorsdom in Xanten, de beroemde kerk met fraaie kloostergang, waar na de Paaswake de gasten onthaald worden op witte wijn. Geen traditionele paasvuren op de heen- en terugweg door het boeiende land van Niederrhein. Maar ook geen feestelijke Paasmis in de Nijmeegse Petrus Canisiuskerk, waar de parochianen en andere bezoekers hun Molenstraatskerk niet kunnen bewonderen na de omvangrijke schilderklus. De wederopstanding van Pasen 2020 moet gevierd worden in eigen huis, tuin en buurt, waar afstand houden intussen even gewoon is geworden als ademhalen. Vrijwel alles went, ook al werkt onzekerheid beklemmend

Veerkracht: Rietpluimen in De Bruuk bij Groesbeek

Pasen 2020 is ook het signaal van de veerkracht van een samenleving in nood. Het is een vreemde paradox: lichamelijk afstand houden en toch geestelijk afstand verkleinen of overbruggen in ongekende saamhorigheid. Die onderlinge betrokkenheid wordt breed gedeeld, en gelukkig ook op talloze plaatsen op allerlei manieren in praktijk gebracht. De ongemakkelijke maatregelen en dringende adviezen van de overheid worden goeddeels zonder mokken aanvaard. De boodschappen van geestelijke en politieke leiders worden in veelal ter harte genomen, ondanks weerwoorden en opvattingen van dwarsliggers en doemdenkers. Dat de toekomst onzeker is, staat vast. Hoe lang die onzekerheid gaat duren weet niemand. Daarom moet hoop op een nieuwe toekomst levend blijven. Paus Franciscus vroeg tijdens de Paaswake in een lege Sint Pieter terecht aan gelovigen en ongelovigen zaadjes van hoop te planten met een kleine daad van zorg, liefde of gebed.

Eenzaamheid – Beeld (1973) van Oscar Goedhart langs de Maas bij Mook

Pater Eduard Kimman S.J., ordegenoot van Paus Franciscus, kon evenmin voorgaan in de Paasvieringen als al die andere priesters en voorgangers, die op last van bisschoppen en synodes hun kerken nu al vier weken gesloten houden. De pastoor van de Petrus Canisiuskerk zond daarom een palmtakje aan de parochianen en vrienden van de Molenstraatskerk, plus een ‘pastorale’ brief, die in meer zichten de moeite waard is: inhoud, vorm, inspirerend en nog meer. Ik ontleen aan die mooie Paasbrief: Wat de overheid ons zegt te doen, had een geestelijk leider ook kunnen zeggen: zit stil, blijf rustig, en wacht. Dat geldt voor de vastentijd, de woestijntijd, de tijd zonder drukte of franje. Het is ook het parool, dat Jesus op Pasen de apostelen meegeeft: wacht af, bidt er komt een Helper.

Kerk van Kekerdom – 8 april 2020

Eduard Kimman besluit zijn ‘Gedachte bij Pasen 2020’: En dan: op Paasmorgen, doe vroeg het raam open, of loop even naar buiten, waar het nog fris en stil is. Luister naar de vogels. Zij vertellen ons wat de klokken dit jaar niet doen. Hij is verrezen, in ons stille hart. Dat naar buiten lopen, kan verruimd worden naar plaatsen waar de rust voelbaar en de hoop tastbaar is. In de Paasweek was voor mij het natuurgebied De Bruuk, achter Groesbeek, ‘the place to be’. Maar ook de mooie oever langs de Maas bij Mook, waar mensen afstand hielden en toch elkaar ontmoetten, op de trappen bij de kerk en de haven, of – opvallend genoeg – bij het beeld ‘Eenzaamheid’ (1973) van Oscar Goedhart. Buiten: dat waren ook de uiterwaarden bij Kekerdom waar een ooievaar het nieuwe leven symboliseert, net zoals de bloeiende bosanemonen in De Bruuk. Dus toch een wederopstanding: een Paasgroet met geloof, hoop en ook liefde.

Bosanemonen in De Bruuk bij Groesbeek (Alle foto’s: Ad Lansink)

Zwerfpuin

Waar boomspiegels al niet goed voor zijn

Boomspiegel met zwerfpuin (Foto: Jean Op Heij)

Nu binnenblijven het terechte parool is, rest de tuin als een plaats waar het goed toeven en werken is, vooral nu de zon zich van zijn beste kant laat zien. Bomen, planten en gras krijgen meer aandacht, net zoals de directe omgeving: stoep, straat en niet te vergeten de bomenspiegels van de acacia’s, die al meer dan een halve eeuw de Willem Schiffstraat in Nijmegen-Oost sieren. En eigenlijk ook plagen, want de stevige wortels van de ‘woeste’ acacia’s drukken de stoeptegels op sommige plaatsen zo omhoog, dat een onverwachte struikelpartij niet valt uit te sluiten. De receptioniste van de Nijmeegse ‘Bel en Herstel-lijn’ meldde mij een half jaar geleden, dat de straat in het volgende onderhoudsplan zou worden meegenomen. Maar het jaar noemde ze niet.

Omhooggedrukte tegels (Foto: Ad Lansink)

Toen ik een paar dagen geleden in de dichtstbijzijnde boomspiegel ander zand ontdekte, geelwit van kleur en hier en daar wat grint, vroeg ik me af of de Bel en Herstel-mannen bezig waren geweest. Zouden zij het overtollige scherpe zand in de boomspiegel geveegd hebben, zonder dat wij thuisblijvers iets gemerkt hadden? De omhoog gedrukte stoeptegels leerden, dat van enig onderhoud geen sprake was geweest. Het vreemde puin moest dus ergens anders vandaan komen. Een kleine wandeling bracht aan het licht, dat meer boomspiegels waren gevuld met wat ik nu maar zwerfpuin noem: elders vrijgekomen materiaal, dat op dubieuze wijze een zwervend bestaan is opgedrongen.

Ook bij voetpad langs HAN is zwerfpuin gestort (Foto: Ad Lansink)

Een goede buur is beter dan een verre vriend, vooral wanneer je – zoals al onze naaste buren de afgelopen weken nog eens benadrukten – in een fijne straat woont. Zij doelden op de onderlinge betrokkenheid in de eerste lus van de straat, die niet voor niets de naam van een beroemde Nijmeegse zilversmid draagt. De meeste buren hebben overigens geen acacia voor de deur en evenmin een boomspiegel, de overburen wel. Laten zij nou bij toeval een mystery guest ontdekken, die uit zijn fraaie kruiwagen minder mooi zwerfpuin in de boomspiegels kiepert. Niet alle acacia’s krijgen deze twijfelachtige voeding toegediend. De kruiwagen-man kijkt kennelijk wel of er genoeg ruimte is voor wat een vreemde, zo niet illegale activiteit is.

Zwerfpuin rond acacia (Foto: Jean Op Heij)

Pleegde de mystery guest een heterdaadje? Werd hij betrapt op een strafbaar feit? Het antwoord is: ja en nee. Hij werd betrapt, maar een strafbaar feit: dat is misschien te zwaar uitgedrukt. Ik houd het op laakbaar gedrag. Een bekering, zelfs zonder boetedoening, is mogelijk. Het spreekwoord van de goede buur en verre vriend moet – voorlopig, dat wel – tweemaal omgekeerd worden. De mystery guest is een verre buur, maar waarschijnlijk geen goede vriend. Want het deponeren van eigen afval in de openbare ruimte is even verkeerd als het verdunnen van de vruchtbare grond met wellicht schadelijke bouwstoffen. Ik zie liever wat groen onkruid – dat trouwens af en toe door Dar-mannen wordt weggehaald – dan het scherpe zand, dat het zicht op de miniplantsoentjes ontneemt.

Het karwei is geklaard: De mystery guest op de terugweg (Foto: Jean Op Heij. Bewerking: Ad Lansink)

Het wachten is dus op een bekering van de anonieme mystery guest van de Willem Schiffstraat. Wat mij betreft mag hij onbekend blijven en in alle stilte het zwerfpuin verwijderen. Een tweede leven van bouw- en sloopafval is beter dan gebruik als een onvruchtbare bodembedekker. Wie de kruiwagen herkent, hoeft de naam ook niet bekend te maken. Het wachten is intussen ook op de mannen van de Bel en Herstellijn. Dat moet natuurlijk niet te lang duren. De gemeente Nijmegen wil toch niet op haar geweten hebben, dat iemand struikelt over de omhoog gedrukte stoeptegels. Een beroep op het instrument van de wettelijke aansprakelijkheid gaat vaak in de papieren lopen, letterlijk en figuurlijk.  Gewaarschuwde bestuurders tellen voor twee, ook in Nijmegen.

Eerbewijs Antonis Mavropoulos

Overhanding van Toren van Babel bij opening ISWA Headquarter in Rotterdam

Antonis Mavropoulos en Ad Lansink met De Toren van Babel: cassette waarin een boek en twee zeefdrukken van Harrie Gerritz. Plaats: CIC Rotterdam, 13 januari 2020

Antonis Mavropoulos, de enthousiaste, bedreven en gedreven ISWA-president, die mij in Kuala Lumpur tijdens het ISWA World Congress 2018 de eervolle ISWA Publication Award overhandigde, had vanwege zijn inspanningen nog zijn exemplaar te goed van De Toren van Babel, de bibliofiele editie waarmee ik instellingen en personen bedankte voor hun onmisbare ondersteuning bij de publicatie van Challenging Changes. Op goed geluk – ik wist niet zeker of Antonis Mavropoulos aanwezig zou zijn, omdat hij op 15 januari in Abu Dhabi zou spreken – reisde ik naar Rotterdam, met in mijn rugzak De Toren van Babel. Meteen na binnenkomst trof ik hem: de onvermoeibare en goedlachse ISWA-president, die mij zeer hartelijk begroette. Antonis Mavropou;os stak zijn blijdschap en zijn waardering voor het artistieke geschenk niet onder stoelen of banken. De fotograaf moest de zeefdrukken van Harrie Gerritz meteen vastleggen.

Eensgezind drietal bij de opening van ISWA Headquarter in Rotterdam: ISWA-President Antonis Mavropoulos, burgemeester Ahmed Aboutaleb en ISWA General Manager Marc Tijhuis

Intussen was Ahmed Aboutaleb, de betrokken burgemeester van Rotterdam, gearriveerd. Hij zou na de welkomstwoorden van Antonis Mavropoulos – die de bewuste keuze voor Rotterdam nog eens onderstreepte – en een inleiding van ISWA General Manager Marc Tijhuis een indrukwekkende openingstoespraak houden, voor de vuist weg, in voortreffelijk Engels, verwijzend naar persoonlijke ervaringen met als trefwoord waarde-creatie. Uiteraard toonde de Rotterdamse burgemeester zijn instemming en blijdschap met de langdurige vestiging van het ISWA Hoofdkantoor en uiteraard ook met het besluit om het ISWA World Congress 2020 in Rotterdam te houden. “De komst van ISWA naar Rotterdam onderstreept dat de stad een hotspot is voor innoverende en duurzame organisaties. Rotterdam heeft hoge ambities en we zijn erg blij dat ISWA samen met ons deze ambities gaat’ aldus Ahmed Aboutaleb, die na meer dan 20 jaar mijn stem zich herinnerde, en mijn naam even later ook.

Toespraak van burgemeester Ahmed Aboutaleb bij de opening van ISWA Headquarter

De opening van het ISWA-hoofdkantoor vond plaats in een informele ambiance: een fraaie ontmoetingsruimte op de vierde verdieping van het CIC Rotterdam. De staande ontvangst en korte toespraken versterkten de gelegenheid voor een weerzien van oude bekenden – Eric de Baedts, Herman Huisman, Ton Holtkamp, Maarten Goorhuis, Jasper de Jong, Han Noten, Frans Follings – en kennismaking met gasten, die ik niet eerder had ontmoet. zoals Otto de Bont van Renewi en Silver Snoek van Elma Media. De Ladder van Lansink blijkt steeds weer een punt van (h)erkenning, ook internationaal. Want tijdens het gesprek met ISWA Treasurer Weine Wiqvist uit Zweden kwam ook de naam van Par Larshans naar boven. Dat het ISWA Jaarcongres 2020 in het WTC – van 28 tot en met 30 september 2020 – ook aanleiding gaf tot netwerken, spreekt vanzelf. Want er moet nog veel gebeuren, en de tijd gaat snel.

Antonis Mavropoulos luistert naar de burgemeester: achter hem Maarten Goorhuis, Bernard Wientjes en Han Noten, voorzitter van de NVRD, medeorganisator van ISWA World Congress 2020

Over tijd gesproken: ik kan weer een andere, nieuwe deadline in de agenda schrijven. Antonis Mavropulos vroeg mij of ik een voorwoord wilde schrijven voor zijn boek over ‘Industry 4.0, Waste Hierarchy and Circular Economy’. Het zou niet een gebruikelijk voorwoord moeten zijn, maar een soort mini-essay over de betekenis van de vierde industriële revolutie voor de transitie naar circulaire economie, naar aanleiding van mijn stellingen in een recent ISWA-rapport over dit even boeiende als moeilijke onderwerp. Ik heb medewerking toegezegd, ook uit waardering voor Antonis, die – notabene binnen twee dagen na de opening van het ISWA Hoofdkantoor – al weer in Abu Dhabi is om kennis te delen over ‘artificial intelligence’ en andere aspecten van ‘Industry 4.0’.  

Gastheren uit Abi Dhabi een en al oor voor ISWA President Antonis Mavropoulos tijdens een ontvangst op 15 januari 2020

Meer begrip en betrokkenheid

Met Wijzen uit het Westen op weg in 2020

Drie Wijzen uit het Westen op pad in 2020. Voorop de Veldwachter, achter hem de biddende Pater en de Burgemeester, met sigaar. In hout gesneden figuren van Huggler Holzbildhauerei (ca 1975), Brienz, Schweiz. (Foto’s: Ad Lansink)

Is het de voorliefde voor ronde getallen, of de regelmaat van twintig-twintig? Tonen even cijfers beter dan oneven combinaties? Of is dubbel-twintig een jaartal, echt of vermeend einde van een decennium? Ik houdt het er op, dat ronde jaartallen de oneven combinaties overvleugelen. De daarmee gewekte verwachtingen zijn een reden om met enig optimisme uit te zien naar wat een nieuw decennium heet. Mijn ‘Wijzen uit het Westen’ volgen geen ster, maar hopelijk wel een begaanbare weg. Het zijn koningen noch autocraten, maar gewone stervelingen, ieder voor zich een kernwaarde verbeeldend. Zij zijn uit hout gesneden maar bezitten door hun komaf – Huggler Holzbildhauerei uit Brienz – enige eeuwigheidswaarde. Wellicht geldt dat ook voor wat de burgemeester, de pater en de veldwachter eenieder toewensen: oog voor gerechtigheid, solidariteit en rentmeesterschap. Gedrieën delen zij de verantwoordelijkheid voor de samenleving, inclusief de natuurlijke omgeving.

‘Inclusive system thinking’

De burgemeester staat voor gerechtigheid: zorg voor veiligheid en handhaving

Ik kwam op deze, misschien wat gezochte metafoor, door de herinnering aan de discussie na mijn voordrachten in 2019 over circulaire economie bij Ragn-Sells in Zweden, eerst in Stockholm, een dag later in Sätra bij de jaarlijkse Framtidsdagen. Onder het gehoor was Kai Embren, een vooraanstaand journalist, die in Zweden en England zijn sporen heeft verdiend in het domein van energie- en milieuvraagstukken. Mijn betoog over de dilemma’s bij de transitie naar circulaire economie – denk aan de tegenstelling tussen overheid en markt, of aan de spanning tussen nationalisme en globalisering – bracht hem op de vraag of ik met mijn aanpak ‘inclusive system thinking’ beoogde. Anders gezegd: het rekening houden met alle facetten om op termijn resultaten te boeken. Hij zag in mijn schematische aanduiding van die dilemma’s terecht de bevestiging van een integrale, inclusieve aanpak, inclusief een mogelijke oplossing. Dat die oplossing ligt midden tussen de uitersten – gereguleerde marktwerking bij voorbeeld – zal niemand verbazen.

Wordt 2020 keerpunt?

De pater staat voor solidariteit: zorg voor zieken, zwakken en armen

Persoonlijk vierde ik in 2019 – dankzij Recycling Netwerk – 40 jaar Ladder van Lansink. Maar in meer algemene zin raakte mij vooral de onvrede in de samenleving en de polarisatie in het politieke domein. Ongebruikelijke stakingsacties van boeren, leraren en verpleegkundigen gingen gepaard met allerhande mogelijke en onmogelijke, soms zelfs kwalijke uitingen op sociale media. Ik las veel berichten met negatieve ondertoon in sommige media, die weinig nieuwswaarde toekennen aan positief gedrag of betekenisvolle activiteiten. Zou 2020 een keerpunt kunnen worden i, politiek, maatschappelijk en economisch opzicht? Zouden wegkijken en wegschuiven verbannen kunnen worden naar een gesloten woordenboek? Zouden korte lontjes ingeruild kunnen worden tegen stevige en duurzame draden van verbondenheid, ook wanneer voorlopig nog aan beide kanten getrokken blijft worden?

Uitdaging: betrokkenheid in plaats van polarisatie

De veldwachter staat voor gerechtigheid en rentmeesterschap, zorg voor de leefomgeving en wat dies meer zij

Zou 2020 het jaar kunnen worden, waarin het evenwicht tussen de dynamiek van de vooruitgang en het behoud van waarden en normen wordt teruggevonden? Het is geen eenvoudige vraag, waarop nog geen antwoord te geven is. Wat in een reeks van jaren op veel plaatsen verloren is gegaan – saamhorigheid, gemeenschapszin – kan niet zomaar worden teruggewonnen. Maar vast staat wel, dat inclusief denken en doen tot verantwoord handelen en zorgvuldig communiceren kan leiden. De verbinding van de sociale kernwaarden met actuele vraagstukken van vandaag en morgen maakt dat duidelijk. Vertaal solidariteit in zorg voor zwakkeren, en in een rechtvaardige inkomensverdeling. Vertaal gerechtigheid in het uitbannen van discriminatie en in een zorgvuldig immigratiebeleid. Vertaal rentmeesterschap in concrete duurzame ontwikkeling en serieuze bescherming van natuur en landschap. En deel de verantwoordelijkheid, dichtbij en veraf, ook over de landsgrenzen met allen, die zich gebonden weten in een democratische rechtstaat. Ruil onvrede en polarisatie in voor begrip en betrokkenheid: mijn wens en uitdaging voor 2020. 

Drie gezagsdragers als ‘Wijzen uit het Westen’ op weg in 2020, met optimisme de toekomst tegemoet

Rob Terwindt (1940-2019)

Persoonlijke herinneringen aan groots en geliefd kunstenaar

Robert Terwindt – September 2016
(Foto: Archief Familie Terwindt)

‘Alles wat jij ziet, zijn vissen. Zo moet je het zien’, aldus Rob Terwindt tien jaar geleden tegen Els Dinnissen tijdens de opnames voor een film over Rob’s oevre. De cineaste en de kunstenaar staan in het atelier, waar Rob werkt aan het laatste doek in zijn serie Riddergevechten. Van Vis tot Veldslag: zo zou de film gaan heten. Alliteratie werkt, ook in de beeldende kunst. ‘Alles wat je ziet zijn vissen? De ridders ook’ vraagt Els voorzichtig. Ja, antwoordt Rob. ‘Maar wanneer je wilt, kan ik ook een vis op de helmen schilderen’. Het is Rob ten voeten uit; creatief, inventief, onderkoeld, provocerend,  humoristisch, verbeeldend, kleurrijk en ga zo maar door. Het toeval wil, dat het eerste schilderij, wat ik van Rob kocht een vis verbeeldt, in geuren en kleuren.

City Bar

Robert Terwindt, Vistafereel, Olie op linnen (1974) 40 x 30 cm

Ik leerde Rob kennen in de City Bar, destijds het zogenaamde Bijkantoor van de Gelderlander, maar in de jaren zeventig vooral de dagelijkse stamkroeg van de Nijmeegse kunstscene. Rob Terwindt was daar het onbetwiste middelpunt, temidden van kunstbroeders en – zusters als Theo Elfrink, Harry van Kuyk, Ed van Teeseling, Oscar Goedhart, Klaus van der Locht, Nel Linssen, John Slippens, Gertjan van Oostende en Kees Raymakers. En wanneer Rob er niet was, dan was hij er toch via het grote schilderij aan het plafond. Daar hield een forse keizer de stamgasten van eigenaar Jo Samson – waaronder ook enkele buurtgenoten en koppelbazen – in de gaten.

Rob schilderde naar eigen zeggen geen mensen, maar figuren met al hun emoties. Of dat ook geldt voor het befaamde Kroegtafereel, dat hij in 1976 en 1977 schilderde op verzoek van uitbater Jo Samson, betwijfel ik. De meeste stamgasten lijken zo uit het leven gegrepen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, dat zij daar staan, in alle ernst bijeengezet voor, op en achter de toog van Jo Samson en Annemiek van Woerden. Ik herinner me als de dag van gisteren de uren, waarop Rob mij als laatste personage toevoegde aan het doek. Rechts onder in de hoek, onder Jan van Teeffelen was nog plaats voor de enige politicus op het schilderij. Terwijl ik in Robs atelier aan het Pijkegas poseerde, draaide hij muziek van Boy Raymakers. Toen ik in de spiegel mijn hoofd niet meer meebewoog wist ik dat ik ‘erop’ stond.

Robert Terwindt: De ontvoering van Europa: Na op Rob’s atelier achter Mater Dei aan de Berg en Dalseweg een reeks doeken bekeken te hebben, besloot ik dit schilderij aan te kopen voor mijn echtgenote Ans, die een dag later haar verjaardag zou vieren. Vroeg in de ochtend kwam Rob het schilderij brengen en ophangen. Het doek hangt nog altijd op dezelfde plaats.

In de City Bar – het onvergetelijke domein van uitbater Jo Samson – hebben we heel wat zaken besproken, ook buiten het domein van de kunst. Mijn lidmaatschap van de Tweede Kamer verruimde trouwens de gespreksstof van meer stamgasten. Rob Terwindt wist veel en vertelde graag zijn mooie verhalen aan iedereen met een gewillig oor. Wat mij wel verraste – ondanks de al genoemde vissen –  was zijn voorzitterschap van het Scholleke, de kleinste visclub van Nederland met slechts vijf leden. Als enig erelid mocht ik twee keer mee naar Ouddorp, waar de artistieke en andere vissers meestal wel wat schollen wisten te vangen. Lukte het niet, dan was er wel de veiling. Want zonder schol in de City Bar terug komen, dat kon natuurlijk niet.

Rob Terwindt poseert voor Ger Loeffen, die in 2006 een serie atelierfoto’s maakte voor ‘Beeldspraak – Gesprekken met kunstenaars uit het Rijk van Nijmegen door Ad Lansink

De afstand tussen kunst en politiek was voor Rob Terwindt geen belemmering om mij in 1991 te vragen zijn expositie bij Interart in Heeswijk-Dinther te openen. De galerie van Astrid en Dick Rakhorst was toen nog gevestigd in het oude gemeentehuis. Een groot aantal gasten luisterde met enige verbazing naar mijn verhaal over de doeken van Rob Terwindt en de sculpturen van Piet Slegers. Dat een politicus zinnige dingen over kunst kon zeggen, hadden zij niet verwacht, Piet Slegers evenmin, maar die wist niet dat Rob mij een boek over de Brabantse beeldhouwer had gegeven. Toen ik in 2014 de inmiddels 25-jarige Beeldentuin van Interart bezocht voor de expositie van Alexander Bobkin, herinnerde de eigenaren van Interart zich Rob’s expositie in 1991, dank zij de kleurrijke expressie van zijn veelal grote doeken en zijn grote persoonlijkheid.

Exposities

Reunie 2007 bij Rob Terwindt’s Kroegtafereel, in 1977 geschilderd voor Jo Samson’sCii ty Bar in de Houtstraat. Om de vijf jaar troffen de stamgasten elkaar bij het schilderij. Rob staat – anders dan op het doek – nu op de voorgrond, met het gezicht naar de fotograaf.

De wederzijdse verbondenheid tussen Rob en mij bleef door de jaren heen bestaan. Na de sluiting van de City Bar troffen we elkaar soms nog bij ‘Goos’ op de Grote Markt of bij kunstmanifestaties. Ik noem in het bijzonder de toekenning van de Karel de Grote-prijs van de Stad Nijmegen, in het Valkhofmuseum in 1999. Rob vertelde openhartig over de keelziekte, die zijn leven veranderde. Maar hij bleef schilderen. Zo kon het gebeuren, dat Rob mij nog twee keer vroeg een expositie te openen met een toepasselijke voordracht. Op die invitaties ging ik vanzelfsprekend in, ook omdat ik zijn doeken bleef bewonderen. In 1997 verraste hij in Galerie Magenta zijn fans met een  reeks schilderijen als venster op de wereld. En jaren later – in 2015 – was de galerie van Wim de Natris de plaats waar ik mocht terugblikken op Rob’s rijke kunstenaarsleven.

Steeds iets nieuws maken

Robert Terwindt, Strand I (2015) Olieverf op doek, 120 x 100 cm: Expositie bij Galerie Wim de Natris

Rob Terwindt was befaamd en geliefd om zijn grote, zelfs grootse doeken, die elk voor zich zijn bijzondere handschrift tonen. De toeschouwers wisten en weten zich verplaatst naar een meervoudige en kleurrijke wereld, waar heel wat te gebeuren staat: ergens aan een onmetelijk strand, op een onverwachte vismarkt, in een met ingrediënten gevulde keuken of bij een vrolijk carnavalsfeest. Wie bijzondere en expressieve vrouwen zoekt, geschilderd in opvallende kleuren, kan ook in Rob’s omvangrijke beeldenschat terecht. ‘Een echt thema is fijn. Maar ik moet toch steeds iets nieuws maken’, vertrouwde Rob mij ooit toe. Dat nieuwe lukte hem steeds weer. Waarschijnlijk is minder bekend, dat Rob Terwindt ook grafisch werk maakte, met een ontegenzeggelijke uitstraling. Kijk maar naar zijn verbeelding van ‘Jacob met de Engel’, een zeefdruk met beperkte oplage, onderdeel van een grafiekmap voor weldoeners van het Taborhuis in Groesbeek.

Vormentaal die de kijker prikkelt

Rob Terwindt, Jacob met de Engel (2000), zeefdruk, 40 x 30 cm, nr 7/65

In 1998 bij gelegenheid van mijn afscheid uit de Tweede Kamer mocht ik in het Internationale Perscentrum Nieuwspoort een expositie inrichten van Nijmeegse kunstenaars. Een uitzonderlijke geste, want voor mij was geen Kamerlid de eer te beurt gevallen van een amateur-conservator-schap. Rob Terwindt, Harrie Gerritz en Oscar Goedhart –  kunstenaars die mij vanaf de zeventiger jaren geboeid hadden – zeiden spontaan ja op mijn vraag naar medewerking. Nieuwspoort voorzitter Max de Bok – destijds soms ook stamgast van de City Bar – zei toen bij de opening van de geslaagde expositie over Rob’s schilderijen onder meer: ‘Vormentaal, die de eigen interpretatie van de kijker prikkelt. Zijn het de weglopende vormen, de dramatiek, de hartstocht, het figuratieve, dat bijna non-figuratief is. Of is het precies andersom? Is dat het, wat zo boeit? Wat het ook is, ik voel me door een doek van Rob Terwindt altijd gegrepen.

Tijdens de presentatie van ‘Beeldspraak’ (zie eerste en laatste afbeelding) bij Dekker & vandeVegt signeert Angeline Lips het exemplaar van Hans Jacobs. Annemiek van Woerden kijkt toe. Rob Terwindt (met rode sjaal) denkt na (Foto: Ger Loeffen)

Vooortleven

Gegrepen, dat heeft Rob Terwindt mij ook, vanaf de eerste ontmoeting in de City Bar tot bij het definitieve afscheid, kort voor zijn uitvaart op vrijdag 20 december 2019 in de Sint Stevenskerk in Nijmegen. Gegrepen door zijn werk, ontroerd door zijn dode lichaam: de kunstenaar, die talloze mensen aan zich heeft weten te binden door zijn doeken met de onmiskenbare handtekening, letterlijk en figuurlijk. Jeugdvriend Fons Asselbergs en dichter Victor Vroonkoning verwoordden op eigen wijze wat Rob Terwindt voor hen en voor de samenleving had betekend, nadat Robin al op gloedvolle wijze zijn vader had herdacht. Zijn echtgenote Mies, kinderen en kleinkinderen maar ook zijn vele fans putten ongetwijfeld troost uit de wetenschap dat Rob voorleeft in zijn werk, naar vorm en inhoud. Naar menselijke maat heeft Rob Terwindt nu rust gevonden, in vrede die hem toekomt.