Marinus Kleijnen – Boerke van Winssen

1877-1949, landbouwer en gebedsgenezer

Marinus Antonius Johannus (Rinus) Kleijnen (bijgenaamd de 8ön) werd als oudste in een gezin van achtkinderen op   3   j  uni   1877  geboren  in Wijchen  op  boerderij De Zandberg in de vennen  tussen Overasselt en Alverna als zoon van landbouwer en logementshouder Johannes  (Jan)  Kleijnen (Wijchen 25 april 1854 – Wijchen (19 november 1925)  en  Hendrika van Haren (Wijchen 16 juli 1847 – Nijmegen 23 augustus 1939). Rinus trouwde op 10 mei 1907 te Wijchen met Wilhelmina Geertruida Hopman (Wijchen 1874 – Winssen 1955). Het echtpaar kreeg een zoon: Johannes Hendrikus (Jan) Kleijnen, landbouwer en chauffeur (Wijchen 24 augustus1909 – Raalte 15 april 1985). Marinus Kleijnen alias het ‘Boerke van Winssen’ overleed in Winssen op 20 juli 1949.

Graf van Marinus Kleijnen bij de kerk van Winssen (Foto: Ad Lansink)

Marinus Kleijnen groeide op in het buitengebied van Wijchen, op en om de boerderij, waar zijn ouders meteen gemengd bedrijf de kost verdienden. Onderwijs was aan Rinus niet besteed, de omgeving van de Hatertse vennen wel. De koortsboom van Sint-Walrick was voor Rinus bekender terrein dan de school. Op die historische plaats bij de boom met windsels moet de ongeletterde Martinus al op jeugdige leeftijd gevoeld hebben dat hij over bijzondere gaven beschikte. De ontdekking dat hij zieke koelen beter kon maken, zou later zijn leven helemaal In beslag nemen. Het beroep van zijn ouders en voorouders deed verwachten, dat ook Marinus boer zou worden. Na zijn huwelijk begon Rlnus inderdaad met zijn zwager In een Wlnssense boerderij een gemengd bedrijf zij het van een bijzonder type: een boomgaard met kersen en appelbomen, een aardige  moestuin, kippen en koeien voor eigen en andermans gebruik en een eenvoudige praktijk als gebedsgenezer. Het duurde overigens wel even voor zieken en zwakken van allerlei komaf de weg naar Winssen wisten te vinden. In de jaren ’20 en’30 van de vorige eeuw waren het vooral streek-genoten, die de hulp van Martinus inriepen. In zijn naaste omgeving wisten de mensen al snel te vertellen dat de Bön – zijn bijnaam had hij waarschijnlijk te danken aan zijn kleine, gebogen gestalte: een boontje – met zijn duim de tandarts overbodig kon maken. Toen hij met zijn handen ook de pijn van menig reumaklant wist te verdrijven, was de naam van het ‘Boerke van Winssen’ snel gevestigd.

Pas na de oorlog kwam de loop er goed in. Volgens   de overlevering van tijdgenoten moeten er in die jaren vele duizenden mensen door hel kleine manneke met zijn onafscheidelijke visserspetje zijn behandeld en vaak ook genezen. De blauwgrijze bussen van de Maasbuurtspoorweg van Nijmegen naar Druten zetten elke dag tientallen patiënten af bij de halte aan de Geerstraat, die in de volksmond al gauw naar het  Boerke van Winssen werd genoemd. Rinus was in staat om ongeveer honderd mensen per dag te behandelen. De grote toeloop dwong hem om met volgnummers te werken. Een emmer vol genummerde blikjes behoorde tot zijn vaste uitrusting. De mensen die op zijn hulp waren aangewezen, hadden daar evenmin moeite mee als met de lange wachttijden. Zij wisten dat een bezoek aan het Boerke meestal hielp, of zij nu last van spit hadden, een onverklaarbare huiduitslag, baardschurft of een open been. Hoe Rinus het allemaal voor elkaar kreeg, is nooit opgehelderd. De faam van zijn magische krachten was zo groot, dat niemand twijfelde aan zijn kennis en kunde. Van heinde en verre, zelfs uit het buitenland, meldden zich patiënten. Bij grote drukte lagen zij langs de weg in de berm. Wanneer het regende was een paraplu de enige beschutting. Later zou Rinus in de stal een wachtkamer inrichten, die hij – uitbesteder avant la lettre – verpachtte aan een dorpsgenoot die koffie kon zetten.

Detail van de Grafsteen Marinus Kleijnen (Foto: Ad Lansink)

Hoewel de Bön bij zijn streekgenoten in Maas en Waal veel respect afdwong, had hij ook tegenstanders, vooral onder de medische professie, die weinig ophad met de gebedsgenezer. Dokter de Sonneville uit Winssen spande al in 1926 een geding aan tegen de concurrent, die in zijn ogen onbevoegd de geneeskunst uitoefende. Het gerecht in Nijmegen stelde de huisarts in het gelijk. Rinus liet het er niet bij zitten en trok met een advocaat, en met Bertha Verbeet en Dien Voet, naar de rechtbank in Arnhem, die hem in hoger beroep vrijsprak. Hij had Bertha en Dien op afstand van spit afgeholpen, zonder medische handelingen en geneesmiddelen, zalf of kruiden. Zijn ‘gebed in de verte’ was kennelijk genoeg, ook voor de hogere rechter, die zijn Nijmeegse collega het nakijken gaf. Rinus vierde met zijn dankbare gezelschap op de terugweg zijn vrijspraak, eerst in een Nijmeegs café, en vervolgens bij Hanneke in Weurt. De laatste afzakkertjes werden ingenomen bij zijn chauffeur Gradus Koenen in Winssen. Bertha’s zoon herinnert zich nog goed die ‘enige’ dag, waarop zijn moeder beneveld thuiskwam.

Dat ook de geestelijkheid wat in hem zag, bewijst een lange taxirit naar Groningen, waar een pastoor de bijstand van het ‘Boerke van Winssen’ had ingeroepen om een van zijn parochianen letterlijk de helpende hand te bieden. De taxichauffeur, die de Bön af en toe naar klanten reed, werd betaald door de pastoor, en niet door Rinus, die hoewel ongeletterd goed wist hoe hij met geld moest omgaan.  De genezerspraktijk legde hem dan ook geen windeieren. Hij deed zich bescheidener voor dan hij werkelijk was. Op de vraag van zijn patiënten wat zij hem schuldig waren, antwoordde hij steevast: ‘Leg maar wat op tafel’ Maar denk er wel aan: Dat kriegde niet meer terug’. Wisselgeld kende hij niet. Het geld verdween schielijk in de la onder de keukentafel. De munten verhuisden naar een van de emmers in zijn slaapkamer, en de briefjes borg hij op in een oude dekenkist. Rinus had een goede naam in Winssen, ook al beperkte hij zijn contacten tot de kaartclub en zijn taxichauffeurs. Zijn koeien – dikkonten volgens Winssenaren – mochten er trouwens ook zijn, dankzij de zorg van zijn zwager ‘Grad Um’, die na de toeloop van patiënten de boerderij was gaan runnen. Op de vraag van een dorpsgenoot, of zijn zoon Jan, die meer gevoel had voor auto’s, zijn praktijk zou voortzetten, antwoordde Rinus: ‘Nee, dat kan hij echt niet’. De vraag was ook, of Jan wel met geld kon omgaan. Want niemand weet wat er later is gebeurd met de vele munten en briefjes, die de Bön met zijn genezerspraktijk had vergaard. ‘Hij heeft veel gebeurd, maar niks overgehouden,’ zo weten ze in Winssen. Het Boerke had het regelmatig over een goed doel. Maar welk doel, dat bleef zelfs voor zijn kaartvrienden verborgen.

Dat ook een boertje met magische krachten niet ontkomt aan sterfelijkheid, bewijst het bidprentje, gedateerd 10 juli 1949: ‘God heeft hem in zijn werken gezegend en zijn arbeid deed Hij vruchten dragen.’ Een verweerde grafsteen op het kerkhof aan de voet van de imposante kerktoren van Winssen houdt de herinnering levend aan een eenvoudige boer uit het Land van Maas en Waal, die talloze mensen tijdelijk of blijvend van hun kwaal heeft verlost.

Bronnen

Over de magie van een eenvoudig boerke’, in: De Gelderlander, editie Maas en Waal, 28 december 2008

Mondelinge informatie van L. Kruisbergen te Grave, die in 2009 een speelfilm over het Boerke van Winssen zal uitbrengen: de cineast voerde daartoe gesprekken met tijdgenoten van Martinus Kleijnen

Ladder van Lansink, Beeldspraak, Knotsenburg en andere topics

Translate »