Herfstige biomassa

Kegels op de takken van de Zilverspar (Foto’s: Ad Lansink)

Een bijdrage aan de CO2-kringloop via duizenden bruine kegels van een lastige maar indrukwekkende Zilverspar

Zilverspar Willem Schiffstraat Nijmegen

Toen we ruim veertig jaar geleden verhuisden van Brakkestein naar de Willem Schiffstraat in Nijmegen, was de spar op de hoek van de tuin al een opvallende, flink uit de kluiten gewassen boom. De door de eerste bewoner aangeplante boom torende hoog uit boven de andere bomen in de omgeving, ook al wonnen de bomen van het Albertinum de strijd om de lengte. De blauwgrijze naalden deden ons denken aan een variant van de Blauwspar. Maar de fraaie boom kon evengoed een Zilverspar zijn, gelet op de pyramide-achtige vorm, de ruwe bast, de naalden en de vorm en afmetingen van de kegels. De in 1981 nog jeugdige zonen van overbuurman Frans Tromp hadden het ook over de Zilverspar, toen zij hun experimenten met een radiografisch bestuurde speelgoedauto onderbraken, om elkaar te vragen met wat die Zilverspar wel zou kosten. Wel tien duizend gulden hoorde ik een van de jongens zeggen, waarmee een deel van de koopprijs van ons huis werd verklaard. De Zilverspar staat nog steeds fier overeind, ondanks de bewuste verwijdering van enkele lage takken en het ongewilde verlies van takken door een sneeuwlast of door hevige windstoten.

Na de installatie van zonnepanelen op het (gelukkig) platte dak van ons huis – een kleine tien jaar geleden – kwam de gedachte op om de Zilverspar geen langer leven te gunnen. De tijdelijke dip in de stroomopbrengst in de maanden, waarin de zon wat lager staat, was de aanleiding voor die drastische ingreep. De omvang van de stam was inmiddels zo toegenomen, dat voor de verwijdering een vergunning van de gemeente Nijmegen nodig was. De kosten van verwijdering bleken wel aanzienlijk hoger dan de gederfde stroominkomsten, nog los van de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling. Het besluit om de Zilverspar te laten staan was dus snel genomen, ook omdat we – en wellicht ook de buren – gewend waren geraakt aan de uitstraling van de boom. Bovendien draagt de Zilverspar bij aan CO2-reductie en biomassa-productie, in de vorm van naalden en vooral kegels. De duizenden kegels, die in de herfst in twee tot drie weken naar beneden komen, zijn wel een pittige bron van werkverschaffing. Het bijeenvegen van de talloze kegels op het trottoir gaat redelijk snel. Maar de verwijdering van het gras en uit de gazons kost veel tijd en inspanning. De energiewinst gaat via de DAR en de ARN naar de gemeenschap. Herstige biomassa: dat is ook wat waard, nu de energieprijs in rap tempo toeneemt.

Wie was Theo Eikmans?

Elf observaties en herinneringen bij de onthulling van het naambord van Theo Eikmans alias Graodus fan Nimwegen bij de kerktrappen naar de Sint Steven, op 16 september 2021

De Nijmeegse Gemeenteraad stemde in 2019 unaniem in met het voorstel van enkele stedelijke partijen om Graodus fan Nimwegen te eren met een straatnaam. Op zijn 100e geboortedag luisterde op het Stevenskerkhof een in vol ornaat gestoken delegatie van het Prinsenconvent de feestelijke onthulling op: Van links naar rechts Willem I, Johan I, Theo III, Frans III, Ruud I en Ad I

Wie was Theo Eikmans? En wie was Graodus fan Nimwegen? Is buutreedner Graodus kenbaar in muzikant Theo? En omgekeerd? Wat voelde Theo, wanneer hij zich na een mooi optreden afschminkte en zijn attributen opborg? Hoe ervoer Graodus zijn immense populariteit in de bloeitijd van het Knotsenburgse carnaval? Vragen, die nu – op zijn honderdste geboortedag en ruim twintig jaar na zijn overlijden – niet een-twee-drie zijn te beantwoorden. Ik doe op uitnodiging van Theo’s familie en van de initiatiefnemers een bescheiden poging in elf korte observaties over de man, wiens alter ego vandaag bij de onthulling van het naambord van de Graodus fan Nimwegentrappen voor eeuwig wordt vastgelegd op de plek, waar ‘Al mot ik krupe’ naar de Sint Steven leidt.

Ex-prins Ad I vertelt wie Theo Eikmans was

1 Echte Nijmeegse jongen

Zoon van een bekende paardenslager uit het Willemskwartier. Theo was vaak te vinden bij zijn oma op de Hessenberg aan de voet van de Sint Steven. Daar leerde hij de Nijmeegse Benedenstad kennen, en ook de Waal, waar hij kaaisjouwers en andere lieden ontmoette. Jaren later greep hij terug op ervaringen uit zijn jeugd, wanneer hij autobiografische elementen verwerkte in zijn soms poëtische, hoe dan ook onvergetelijke schlagers: Als je straks naar huus toe komt, dan zie je die toren staon. Dan denk je aan die ouwe tied, hoe het vroeger is gegaon. Waar je als kind geboren bent en werd grootgebracht. Dat kun je nooit vergeten, daaraan denk je dag en nacht.

2 Kattekwaad met een knipoog

Theo Eikmans viel op de school aan de Groenestraat niet op, wel in het Willemskwartier en de Wolfskuil, waar kattenkwaad uithalen een onschuldig tijdverdrijf was. Die gewoonte brak hem later wel op, getuige zijn ontslag uit militaire dienst. Hij haalde daar dingen uit, die kennelijk het daglicht niet konden verdragen. Kattenkwaad met een knipoog: die woorden plak ik op de soms ondeugende maar altijd geestige buuts, waarmee hij als Graodus fan Nimwegen prinsenproclamaties en pronkzittingen opluisterde. Hij nam mij – als amateur- en later beroeps- politicus – vaak op de korrel. Ik kon dan wel lachen maar niet zo uitbundig als het overige publiek. Na de zitting verzekerde Theo mij, dat zijn grappen goedbedoelde aansporingen waren. En – zei hij ooit – genoemd worden is ook wat waard.

Willie van Gemert en familieleden van Theo Eikmans in afwachting van de onthulling van het naambord van Graodus fan Nijmegen

3 Bijna-alles-doener

Theo Eikmans was leer- en loopjongen bij de ‘Firma van Dungen in haarden en kachels’ en arbeider bij de Nyma, een geheime onderduiker maar ook een bijna echte soldaat, ambtenaar bij de openbare nutsbedrijven en meervoudig bouwvakker: timmerman en ijzervlechter. Tussen de bedrijven door voetbalde hij ook nog, tot genoegen van zijn vader, die zijn talenten op de grasmat hoger inschatte dan zijn muzikale en verbale mogelijkheden. Die artistieke talenten boden een dankbare uitweg, toen Theo door een val in een put in de bouw geen droog brood meer kon verdienen. Zijn drumstel bood uitkomst. Met accordeonist Jan Lourense en toetsenist Andree Hubrecht luisterde hij bruiloften en partijen op. Met allerhande moppen verraste hij zijn collega’s en zijn publiek. Zo ontpopte Theo zich tot een praatgrage artiest, een echte buutreedner, een local standup comedian.

4 Prins Theo I

Theo Eikmans was in 1959 stadsprins van Nijmegen. Knotsenburg bestond nog niet, het Grootvorstendom van Nico Grijpink wel. De oprichter van De Blauwe Schuit ontdekte Theo bij optredens in de Maartenskliniek en maakte van hem Theo I. Anders dan Nico I was Theo slechts een jaar stadsprins, lang genoeg om een onuitwisbare indruk te maken. Zijn opvolgers weten intussen als geen ander, wat Theo I voor Nijmegen en Knotsenburg betekent. Tegenover het Stadhuis getuigt de Hommage aan de Sint Steven, de bronzen verbeelding van Al mot ik Krupe, van de warme gevoelens, die zij voor hem koesteren. Met glazenier en beeldhouwer Toon I Heijmans zeggen de krupende ex-prinsen hem na: En ik hai van nacht gedroomd, da’k was een prins. Er was d’r aon de Waol geen zotter mins. En ik dronk er een wijntje, maar niet uut een glas. Ik hield er beide handen een hele emmer vast.

Een beperkt aantal gasten mocht aanwezig zijn bij de officiële aanbieding van het naambord door wethouder Noel Vergunst. Op de voorgrond familie en vrienden van Theo Eikmans, terwijl de initiatiefnemers en de delegatie van het Prinsenconvent een bescheiden plaats hadden uitgezocht

5 Gezinshoofd en familieman

Theo groeide op in het grote gezin, dat Gerrit Jan Eikmans en Aleida van der Kroft ruim een eeuw geleden stichtten. Theo trouwde in 1943 met Elisabeth Claus, een Groesbeeks meisje, hoewel zijn vader daar weinig in zag. Theo werd zelf ook pater familiaszorgzaam hoeder van zijn grote gezin, samen met zijn Lies, waarvoor hij tot in haar laatste levensdagen grote liefde koesterde. Het verhaal gaat dat Lies Theo na een dronken thuiskomst wel eens naar het kippenhok verwees. Maar zij steunde hem door dik en dun, zelfs als eindredacteur. Lies genoot van de waardering die Theo ten deel viel. Zij wist, dat hij haar bedoelde, wanneer Theo een meisje van achttien jaar laat zingen: Moeder, het is weer mis, omdat ’t een Nimweegse jonge is’t was so fijn om met hum aon de Waol te sijn. Die eenvoudige jongen deelde zijn verbondenheid met de stad in blijvende schlagers en onvergetelijke optredens. Theo kon mensen vermaken en ontroeren, boeien en binden, omdat hij ondanks zijn successen een gewone jongen bleef.

6 Grootste Knotsenburger

Theo is de grootste en meest geliefde Knotsenburger, getuige zijn fraaie carnavaleske carrière, zelfs in bestuurlijke en (kwasi)-wetenschappelijke zin. Hij was – de uitdrukking is van Johan I – prins voor even (1959) maar ex-prins gedurende zijn hele leven. Theo was ook Heer van Knotsenburg, het eregenootschap, waartoe maar weinig Knotsenburgers zijn geroepen. Hij voerde de Letste Stuver aan, maar ook de Vrolijke Knotsers. Hij won meermalen het Kiek ze Kieke Schlager Festival en het Tonnekespraoten bij ‘t Swerte Schaop toen voorrondes nodig waren voor een eerste schifting. In 1993 promoveerde Graodus aan de Knotsenburgse Academie voor Carnavalisten tot doctor in de toegepaste pretkunde. De stevige verdediging van zijn proefschrift in de Spiegeltent op de Grote Markt was een hoogtepunt is zijn toch al glansrijke carrière. 

De originele pet van Graodus fan Nimwegen, een kostbaar familiebezit

7 Veelzijdig artiest

Theo I was een even creatieve als bescheiden scheppend en uitvoerend artiest, die op onnavolgbare wijze tekst en muziek wist samen te voegen tot heerlijke schlagers. In de fraaie wisselwerking van noten en woorden ligt de kracht van zijn opvallende carnavalskrakers. Wie zou denken, dat Theo Eikmans buiten zijn schoenen is gaan lopen, komt bedrogen uit. Hij bleef de soms wat melancholieke, dan weer vrolijke artiest, die enorm genoot van het enthousiasme van zijn publiek. Lang leve de lol: dat was de uitnodiging voor eigen en andermans plezier, ook in tijden waarin het leven minder leuk is. Wie aon de Waal geboren is, die zegt: Lang leve de lol, want hejje alleen maar saggerijn, dan slao je so op hol: Het Nijmeegse spreekwoord dat staot bekend, en je leerde het in je bed: Beter is duuzend gulden schuld, dan dajje ermoe het.

8 Vrolijk melancholicus

Theo en Graodus waren alter ego’s, die hun eigen aard op het podium inruilden voor een bijzondere vorm van tweesporigheid. Toehoorders verrassen en vermaken, en tegelijk een les voorhouden was de uitdaging voor de ‘performer’, die inhoud en vorm uitstekend wist te combineren, en tegelijk innerlijke emoties en ervaringen kon verbergen. Was de combinatie van een soms droefgeestige blik – zoals bij circusclowns – en een uitgesproken vrolijke kijk schijn of werkelijkheid? Ik vermoed eerder een onbewuste afspiegeling van Theo’s soms sombere gevoelens, die weer verdwenen wanneer voor Graodus een klaterend applaus opklonk. Bij mijn ontmoetingen na zijn optredens, ontdekte ik, dat Graudus kijkers en luisteraars nooit op een verkeerd been wilde zetten, maar wel deelgenoot wilde maken van vreugde en verdriet, en van het soms wankele evenwicht tussen goed en kwaad. Dat het goede vrijwel altijd won, spreekt vanzelf.

Collector’s Item: Glas met beeltenis
van Graodus fan Nijmegen,
in beperkte oplage uitgegeven
bij de viering van 55 jaar C.V. Waoterjokers

9 Ongebroken na verdriet

Na het overlijden van zijn geliefde echtgenote Lies op 23 februari 1996 won Theo’s verdriet van zijn vroegere vreugde. Het verlies van zijn dochter, enkele maanden later, vergrootte dat verdriet. Theo kon maandenlang niet optreden, tot hij zich – toch nog plotseling – weer oprichtte. Graodus kwam terug, op een wijze die de echte Knotsenburgers niet gauw zullen vergeten. Het was op de Prinsenproclamatie 1996, kort voor de finale waarin het Prinsenconvent met een muzikale act ‘Back to the Sixties’ ging, toevallig Theo’s gloriejaren. De oud-carnavalsprinsen zagen achter de schermen zijn punctuele voorbereiding en zijn grote gespannenheid, kort voor een fantastisch optreden. Theo was terug van weggeweest: ouder, wijzer maar ongebroken. Hij vertolkte met zijn karakteristieke stem vol passie Lang leve de lol, een lied, dat volgens schlagerkenners de evergreen Al mot ik kruupe tekstueel, muzikaal en qua voordracht evenaart: een tijdloos nummer op de meestal korte lat van de carnavallistische roem.

10 Veraf en toch dichtbij

Het woord tijdloos brengt mij bij het enige optreden van Graodus met zijn vrienden van het Prinsenconvent. Op uitnodiging van Frans Hendriks trok Theo met ons naar Rotterdam om de voorzitterswisseling van de stichting ‘Verantwoord Alcoholgebruik’ op te luisteren. De Schiedamse oud-burgemeester Arie Lems droeg de borrelhamer over aan Jan Kamminga, de kersverse Gelderse Commissaris van de Koningin. De SVA-directeur had het convent beluisterd in Nieuwpoort na een uittocht naar den Haag. Hij bood ons 3000 gulden voor reis en verblijfkosten. Dat sloegen wij niet af. Theo I kreeg een nog niet toegewezen, ongedateerde en dus tijdloze kiel, achteraf passend bij zijn status: de ex-prins die veraf en toch dichtbij was: een onaantastbare grootheid, waar niemand aan kon tippen, en toch dichtbij: zomaar een van ons. Hij vergaste de verbaasde gasten op een stevige buut en zong met ons voor de in- en uitgaande bestuurders uiteraard Lang leve de lol. Buiten op de trappen van de Kamer van Koophandel zongen we met Theo: En ik dronk er een wijntje, maar niet uut een glas. Ik hield er beide handen een hele emmer vast. Verantwoord alcoholgebruik?

Leden van het Prinsenconvent Knotsenburg, kort voor de onthulling van de beeltenis van Graodus fan Nimwegen (Foto: Ad Lansink)

11 Afscheid in Paviljoen Irene

Na 1998 werd het stil rond Theo Eikmans. Toen ik met Ton I van der Laan z.g. Theo bezocht in Verpleeghuis Irene, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht, kon ik nauwelijks geloven dat hij ooit volle zalen had toegezongen. Zijn mooie stem met het onnavolgbare timbre klonk zachter en zachter. In zijn getekende en doorgroefd gezicht herkenden Ton een ik de troubadour van vroeger, de tonpraoter met de glinsterende en guitige ogen, die jaar na jaar met grappen en grollen, maar ook met wijze raad zijn toehoorders de spiegel van het leven had voorgehouden. Herinneringen ophalen werd steeds moeilijker, ook al sprong soms in zijn trouwe ogen een vonk van herkenning over. Theo en Graodus kwamen samen in de lieve man, die tegelijk veraf en dichtbij was. Theo Eikmans overleed op 23 maart 2000 in Verpleeghuis Irene te Groesbeek.

De trappen naar de Sint Steven zijn van nu af een blijvende herinnering aan Theo Eikmans en zijn alter ego Graodus fan Nimwegen, om wie hij was, om wat hij schiep en wat hij bracht: doorleefde odes aan Nijmegen met inhoud en kracht. Theo en Graodus zijn van nu af tegelijk veraf en dichtbij voor iedereen, die zijn trappen naar de Sint Steven, kruupt of gewoon klimt. Dat de leden van het Prinsenconvent Knosenburgers enkele uren later in hun karakteristieke kiel als eerste bezoekers hun opwachting maakten bij de ‘Graodustrappen’ spreekt vanzelf. Zij bevestigden in het grootste geheim het portret van hun verre voorganger boven het naambord. Zijn beeltenis mag immers ook gezien worden.

Aangeboden door hen die dat weten, zo is in kleine letters te lezen onder ‘Het gezicht van Onze Graodus, het even heimelijk als wellicht tijdelijk portret van Theo Eikmans (Foto: Ad Lansink)

Beeltenis

De trappen naar de Sint Steven zijn van nu af een blijvende herinnering aan Theo Eikmans en zijn alter ego Graodus fan Nimwegen, om wie hij was, om wat hij schiep en wat hij bracht: doorleefde odes aan Nijmegen met inhoud en kracht. Theo en Graodus zijn van nu af tegelijk veraf en dichtbij voor iedereen, die zijn trappen naar de Sint Steven, kruupt of gewoon klimt. Enkele uren na de onthulling van het naambord bij de Graodus fan Nimwegentrappen togen de leden van het Prinsenconvent in hun bekende kiel en goedgemutst met koeien van de rood-witte pet van Graodus naar het Stevenskerkhof om heimelijk bij het naambord een karakteristieke beeltenis van de illustre voorganger te bevestigen. Zijn schlagers blijven tellen, maar zijn gelaat ook.

De leden van het Prinsenconvent Knotsenburg varen na de heimelijke bevestiging van de beeltenis van Graodus fan Nimwegen in Le Cafe de 100e geboortedag van Theo I,, terwijl de gradus vanaf het videoscherm enkele van zijn schlagers zingt (Foto: Gerard Brouwer)

Rondje Kranenburger Broek

Wandeling door een bijzonder ‘Naturschutzgebiet’, even buiten het Duitse Kranenburg, met als verrassing een meer dan levensgrote foto van de 100 jaar geleden geboren Joseph Beuys 

Voettocht door Kranenburger Bruch, vastgelegd via Gurumaps op iPhone. Afstand 5,28 km. Vanaf de parkeerplaats (links onderin) loopt de Wolfsboss in noordoostelijke richting.

De Kranenburger Bruch (Broek) ligt aan de B9 van Nijmegen naar Kleef tussen Kranenburg en het dorp Nütterden. Het 95 hectare grote natuurreservaat is bekend om zijn plantenrijkdom, de herkenbare biodiversiteit, het wisselend landschapsbeeld en de nog slechts extensief gebruikte weidegebieden. De ontsluitingswegen kennen een beperkte toegankelijkheid voor auto’s. De Wolfsboss – het hoofdpad langs de Moorwãsserung – vormt samen met de Kurze Hofen, de Bruchse Strasse, en de Horndicherstrasse een boeiend ‘Naturlehrpfad’. De Wolfsboss is zelfs onderdeel van de pelgrimsweg van Nijmegen naar Santiago de Compostela. Het Kranenburger Broek dankt zijn naam aan de kraanvogels, die vooral in het voorjaar en soms in het najaar in het natuurgebied verblijven. Een broek is een laaggelegen gebied, dat nat blijft door kwelwater.

Erlenbruchswald: op de voorgrond de bruine Moorwãsserung (Foto: Ad Lansink)

Wie het Kranenburger Bruch te voet wil doorkruisen, moet de auto parkeren op de betrekkelijk kleine parkeerplaats aan de B9, ter hoogte van de buurtschap Tütthees, ongeveer een kilometer buiten de bebouwde kom van Kranenburg. Na het passeren van de eerste brug over de bruine Moorwãsserung moet de wandelaar (of fietser) kiezen tussen de Kurze Hofen, een lange kaarsrechte verharde weg dwars door de weidevelden en de met gras begroeide Wolfsboss, een breed voetpad, waarop de geluiden van het verkeer op de B9 aanvankelijk hoorbaar blijven. Langs het pad vallen naast de bruine Moorwässerung enkele oude bomen op. Het forse voetstuk van enkele omgewaaide bomen leren, wat topzwaarte betekent. Achter het Erlenbruchswald – een gevarieerd bosgebied – bevindt zich een grote plas: het Armenveen waar het voor leden van de visclub goed toeven is. 

Zicht op de Moorwãsserung vanaf de (tweede) brug (Foto:Ad Lansink)

Langs de waterloop en ook verder in de kleinere open stukken valt de bloemenrijkdom op, kwalitatief maar vooral ook kwantitatief. Halverwege augustus bloeien vooral de witte en roze Reuzebalsemienen en het overdadige Koninginnekruid. Op diverse plaatsen duiken de witte klokken van Haagwindes op, naast de bekende paarse Kattenstaarten en de witte Bereklauwen. Orchideeën laten zich minder vaak zien, maar maken wel deel uit van de inventaris, net zoals bijen, sprinkhanen en vlinders. De nieuwsgierigheid van de bezoekers wordt verder geprikkeld door de speciale informatieborden van het ‘Natuurlehrpfad’, en door een aparte ‘installatie’ waarin de bloei, groei en verwerking van riet uit het Kranenburgse Broek wordt toegelicht.

Een paar honderd meter verder ontwaart de wandelaar rechts twee oude boerenschuren, onderdeel van een wat groter complex, met de ingang aan de Horndicherstrasse. Bij die asfaltweg aangekomen, gaat hij of zij linksaf in de richting van Mehr. Aan de overzijde valt nog een groot wooncomplex op, verscholen achter hoge bomen. Even verder doet een rioolzuiveringsinstallatie het noodzakelijke werk. Het zicht op het Kranenburger Broek aan de linkerkant wedijvert met het ruime landschap rechts, waar de slanke kerktoren van Nütterden de aandacht trekt. Eenzelfde, nog indrukwekkender beeld ontrolt zich na het kruispunt waar de pelgrims rechtsaf en de Kranenburger Broek-ontdekkers linksaf slaan. Na ruim een kilometer is in de verte de torenspits van Mehr zichtbaar. 

Zicht op de kerk van Nütterden en de zendmast bij Kleef (Foto: Ad Lansink)

Kort voor de kruising van de Bruchsestraat en de Kurze Hofen – het laatste deel van het Rondje Kranenburg – staat vlak bij een statie van het Naturlehrpfad een niet eerder waargenomen paneel. Naderbij gekomen blijkt dat paneel een eerbetoon te zijn aan de honderd jaar geleden geboren Joseph Beuys. De befaamde Duitse kunstenaar woonde enige tijd in Kranenburg bij de gebroeders van der Grinten. Hij heeft waarschijnlijk van daaruit de Duffelt – ook wel de Duitse Ooij genoemd – goed leren kennen. Geen voorbijganger kan de levensgrote afbeelding van de kunstenaar ontgaan. Joseph Beuys staat tussen een erehaag van de (vroegere) populieren op de landweg van Nütterden naar Kranenburg, In der Pappelallee heet de kolossale fotomontage. Een klein bord met een QR-code verwijst de verraste wandelaar naar een nog verrassender website.

Die website leert, dat In der Pappelallee het zevende ‘station’ is in een reeks van negen fotomontages. Zij vormen samen het project ZEIT im Beuys’Land – Kunst und Klimawandel: een fietstocht langs foto-installaties in de Duffelt, die op 22 augustus 2021 is geopend en op 3 oktober 2921 wordt afgesloten. De tocht begint in Rindern (bij Kleef) en voert de fietsers (of automobilisten) via Düffelward, Keeken, Mehr, Kranenburg en Donsbrüggen terug naar Kleef, waar in het Museum Kurhaus van 7 mei tot 30 januari 2022 een keuze uit de Beuys-collectie in de grote Wandelhalle wordt geëxposeerd. Te zien zijn o.m. de monumentale sculptuur Bath Tub (1961/1987), het vierdelige werk Untitled (My Cologne Cathedral) (1980), kleurenlitho’s uit de jaren zeventig en het wandstuk Seven Palms (1974). Zo leverde het Rondje Kranenburger Bruch een aansporing op voor een toekomstige uittocht: een fiets- (of auto)tocht door Beuys’Land en een bezoek aan Museum Kurhaus Kleve.

Karakteristieke doorkijk op de Bruchseweg vanaf de Pappelallee van Joseph Beuys (Foto: Ad Lansink)

Bruukse bloemenrijkdom

Een tussentijdse zoektocht naar de reden van graafactiviteiten bij De Bruuk leverde naast inzicht in de zandverplaatsingen ook een verrassende zicht op de bloemenrijkdom na een warm en vochtig voorjaar

Akkerdistels in De Bruuk

Het moerasgebied De Bruuk – onderwerp van eerdere blogs – is een fraai voorbeeld van een maden- of medenlandschap: de kleinschalige afwisseling van natte graslanden, struwelen, houtwallen en broekbossen. Volgens de Gelderlander behoort De Bruuk tot de top drie van de botanisch rijkste natuurterreinen van Noordwest Europa, omdat op één vierkante kilometer tientallen plantensoorten voorkomen. De Provincie Gelderland beseft dat ook, getuige de forse miljoenenoperatie om het tegen de Duitse grens gelegen Groesbeekse reservaat toekomstbestendig te maken. Met de in 2018 door de Provincie Gelderland geëntameerde activiteiten is in 2020 een begin gemaakt. Vanuit de Horst op weg naar De Bruuk zijn de werkzaamheden, die eind 2021 afgerond zijn, goed zichtbaar.

Realisering van de Ashorstersloot. Zicht vanaf de Plakseweg (Foto: Ad Lansink)

Het waterbeheer in de naaste omgeving van De Bruuk speelt een belangrijke rol bij het op peil houden van de waterstand en het relatief kleine natuurreservaat. In 2020 zijn de watergangen in De Bruuk van nieuwe leemlagen voorzien. In 2021 is de Ashorstersloot aan de beurt. Aan de hand van het provinciaal inpassingsplan Ashorstersloot wordt tussen Horst en De Bruuk een nieuwe watergang aangelegd: een van de ecologische herstelmaatregelen om de nadelige effecten van stikstof op dit Natura 2000-gebied te verminderen. Door de aanleg van de watergang, verder weg gelegen van het natuurgebied De Bruuk, kan de waterhuishouding in het natuurgebied zich herstellen.

Inpassingsplan Ashostersloot (Bron: Provincie Gelderland)

Vanaf de Plakseweg, even buiten het dorp De Horst, is goed te zien hoe graafmachines het landschap bij De Bruuk een ander uiterlijk geven. Er worden nieuwe watergangen gegraven, oude sloten worden gedempt of uitgegraven en vervolgens van een nieuwe, niet doorlaatbare leemlaag te voorzien. Na de afronding van de werkzaamheden wordt ook rond de nieuwe Ashorstersloot de natuur aan haar lot overgelaten. De verwachting is, dat ook daar de plantenrijkdom zal toenemen. Of het nieuwe landschap ook voor wandelaars toegankelijk is staat nog niet vast. Wat wel vaststaat is dat de beheersmaatregelen van 2020 al – mede door de weersomstandigheden – resultaat hebben opgeleverd.

Naast de recente beheersmaatregelen heeft ook het groeizame weer – veel neerslag, hogere temperaturen – heeft het natuurreservaat De Bruuk onmiskenbaar veranderd. Sommige riet-gebieden lijken op een ondoordringbaar oerwoud. Ook de bloemenrijkdom, vooral langs de ‘hoofdroute’ van zuid naar noord – lijkt groter dan ooit tevoren. De (begin juli nog spaarzame) bosorchideeën zijn wel wat groter dan de exemplaren, die in het voorjaar overal tevoorschijn kwamen. Maar nu, kort na het begin van de echte zomermaanden vallen die typische orchideeën nauwelijks op tussen de andere kleurrijke moerasgewassen. Bovendien is het aantal grassoorten is niet op de vingers van een hand te tellen. Zij vormen een soort erehaag langs de groene en grijsbruine graslanden. 

Paars, wit en geel zijn de overheersende kleuren in het uiteraard groene landschap. We van determineren houdt, kan zich uitleven, vooral langs de ‘hoofdroute’ dwars door het indrukwekkende natuurreservaat. Dat determineren is trouwens geen gemakkelijke opgave, getuige de minimale verschillen tussen Moeraskruiskruid en (al dan niet Gewoon) Jacobskruiskruid. De Haagwinde levert met een score van 100% op Obsidentify geen probleen op, en de paarse Akkerdistel evenmin. Die doodgewone distels winnen het dik van de Citroengele honingklaver en de Echte valeriaan, bloemen die overigens ook in De Bruuk in meer variëteiten voorkomen. Zoveel is zeker: de bloemenrijkdom verrast menig bezoeker, die het fraaie natuurreservaat voor de eerste keer heeft weten te vonden. Of – zoals wij – bij het zoveelste bezoek steeds weer verrast zijn door het afwisselend landschap en de fraaie bloemenpracht.

De Bruuk begint op enkele plaatsen op een oerwoud te lijken (alle foto’s: Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde

Enkele bespiegelingen na een wonderlijke week, waarin tijdens geplande en onverwachte ontmoetingen aan de lijn van verleden, heden en toekomst de sleutel van vertrouwen hangt

Niets blijft hetzelfde: de ruïne van wat ooit het Huis van de Heer van Batenburg was (Foto: Ad Lansink)

‘Niets blijft hetzelfde’: die ware woorden uitte mede-moderator Kees Roovers tijdens de laatste deelsessie van het vierdaagse webinar van de Vereniging van Milieuprofessionals over 50 jaar afvalbeleid in Nederland. Die deelsessie was het laatste van een reeks digitale meetings, met als thema: hergebruik van afvalstoffen als bouwstof. Auteur Frank van Berkum had mij een dag tevoren na mijn bijdrage in de deelsessie over de Ladder van Lansink in de circulaire wereld uitgenodigd om van gedachten te wisselen over zijn presentatie, waarin de ladder een belangrijke rol speelde. Ongedacht gevolg was, dat ik zijn sessie thuis ging volgen, en eigenlijk vanzelf in de levendige discussie werd betrokken. Kees Roovers, die het boeiende thema van een meer theoretische kant bekeek, gebruikte de zinsnede ‘Niets blijft hetzelfde’ om te benadrukken, dat verandering en vernieuwing van technologie vertrouwen vergen, zowel van de samenleving als van wetenschappers, beleidmakers en bestuurders. Ik voeg daar politici aan toe, omdat niet alle volksvertegenwoordigers bestuurders zijn en omgekeerd.

Elke medaille heeft twee kanten

Niets blijft hetzelfde: Waterlelies verdwijnen na enkele dagen (Foto Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde; die woorden werden al voor het begin van die wonderlijke week werkelijkheid door de onverwachte politieke storm, die binnen het CDA maar ook daarbuiten losbarstte als gevolg van de plotselinge opzegging van het CDA-lidmaatschap door Pieter Omtzigt. Twee dagen na het uitlekken van zijn uiterst kritische notitie maakte het Twentse CDA-Kamerlid bekend, dat hij niet langer deel uit zou maken van de CDA Tweede Kamerfractie, wanneer zijn ziekteverlof voorbij zou zijn, formeel vier maanden na de ingangsdatum van zijn vervanging door Henri Bontenbal. Ik schrok van het bericht, en ook van de publieke hoon, die over het CDA werd uitgestort door vrijwel alle media. Van de door Pieter Omtzigt gevraagde rust kwam niets terecht, ook door zijn eigen toedoen, maar toch. Op social media werd gevraagd om een eigen lijst, een nieuwe afsplitsing: bevestiging van een al langer zichtbare trend van fragmentatie en personificatie in het Nederlandse parlement. Zelf kon ik de neiging om mijn opvattingen kenbaar te kaken nauwelijks onderdrukken. Veelal volstond ik met de te wijzen op de (doffe) medaille, die twee kanten heeft, en geen randschrift: God met ons.

Achtergrondgesprek met BNNVARA

Niets blijft hetzelfde: ook Sint Janskruid heeft net het eeuwig leven

Het toeval wilde, dat ik op de tweede dag van wat een wonderlijke week zou worden een afspraak had met Joost Bekendam en Anna Pleijsier van BNN/VARA, die mij enkele weken eerder hadden gevraagd om een lang achtergrondgesprek over mijn politieke ervaringen. De jonge journalisten hadden bij de voorbereiding van een nieuw ‘format’ over politieke nieuwkomers en oude rotten behoefte aan informatie van iemand, die vooral in eigen kring als ‘mastodont’ wordt beschouwd. Of mastodont een scheldwoord of een geuzennaam is, doet er overigens niet toe. De vraag was namelijk wat de karakteristieke verschillen zijn tussen het Kamerlidmaatschap van vroeger en nu. Een terugblik op mijn 21 jaren aan het Binnenhof kon bouwstenen opleveren voor een latere serie gesprekken. Na het dramatische Omtzigt-weekend vielen de journalisten letterlijk en figuurlijk met de deur in huis. Off the record liet ik mijn gedachten de vrije loop, on the record hield ik het bij de doffe medaille die twee kanten heeft, met op de zijkant het randschrift: elkaar vasthouden in goede en slechte tijden. Of het boeiende, drie uur durende – soms ook anekdotische – gesprek over verleden, heden en toekomst aanknopingspunten voor BNNVARA heeft opgeleverd, moet later blijken.

Maidenspeech van Henri Bontenbal

Bloemen verwelken, rozen vergaan, maar vertrouwen blijft bestaan (Foto: Ad Lansink)

Niets blijft hetzelfde. Dat geldt intussen ook voor het fenomeen van de maidenspeeches: het eerste plenaire optreden van een nieuw Kamerlid. Vroeger toen er minder plenaire debatten en grotere fracties waren, duurde het soms lang voordat een nieuweling het spreekgestoelte mocht beklimmen. Dat is niet meer het geval. Doorstroming en versnippering hebben de wachttijd fors verkort. Met de personificatie in de politiek is ook het karakter van de maidenspeech veranderd. Nogal wat Kamerleden voelen de behoefte aan persoonlijke profilering. Dat doet geforceerd aan, wanneer ideologische grondslagen ontbreken. Henri Bontenbal, tijdelijk vervanger van Pieter Omtzigt, mocht op de woensdag van mijn wonderlijke week zijn maidenspeech houden over het voorstel tot Wijziging van de Wet voor­raad­vorming aard­olie­pro­ducten. De oud-medewerker van de CDA Tweede Kamerfractie, later strategisch manager bij Stedin vervlocht op voortreffelijke wijze rentmeesterschap, gerechtigheid en gedeelde verantwoordelijkheid met zakelijke kanttekeningen bij het prozaïsche wetsontwerp. Zijn drievoudige verwijzing naar inspiratiebron Paus Franciscus en de encycliek Laudato Si was even tekenend als zijn hommage aan stadgenoot Ruud Lubbers. Henri’s maidenspeech deed mij denken aan mijn eerste bijdrage in april 1978. Fractievoorzitter Wim Aantjes wees de fractiegenoten toen op mijn vertaling van de CDA-kernwaarden in actiepunten voor een konkreet wetenschapsbeleid. 

Nadenken langs de Maas bij Batenburg

Aanlegsteiger Voetveer Batenburg – Demen (Foto: Ad Lansink)

Een dag na het boeiende gesprek met de jonge BNNVARA-journalisten leek een wandeling door het stille Batenburg een mooie gelegenheid om in alle rust na te denken over wat de nabije toekomst zou brengen, voor een deel met maar ook zonder mijn inbreng. Een dag later zou ik immers weer eens naar Utrecht rijden om in de VVM-studio te reflecteren op de toekomst van circulair afvalbeleid. Ook de maidenspeech van Henri Bontenbal bleef mij bezig houden. De rust aan de oever van de Maas met het zicht op de kerktoren van Demen werd even doorbroken door de aankomst van het veer met een viertal fietsers. Na een bevestigend antwoord op de vraag aan de kaartjesman of hij vrijwilliger was, zei hij: wacht even, u bent toch Ad Lansink, oud-lid van Provinciale Staten. Nog voordat ik kon reageren zei de schipper, die ook dichterbij was gekomen: ja, dat is Ad Lansink, vroeger een bekend lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Ik herinner me hem uit Nijmegen. De kaartjesman greep zijn kans, en wilde meteen weten, wat ik van de affaire Omtzigt vond. Ik aarzelde omdat ik niet wist of de stilte langs de Maas ‘off the record’ inhield. Ik laat de ontwapende woorden van de vrijwilligers voor wat zij waard zijn: de bevestiging van mijn eerdere stelling over de medaille met de twee kanten. Vlak bij de in 2019 aan de eredienst onttrokken nieuwe Sint Viktorkerk van Batenburg was het randschrift: Niets blijft hetzelfde.

Nationale Milieudag 2021 bij VVM in Utrecht

Niets blijft hetzelfde: Ans Lansink met rollator rust even uit (Foto: Ad Lansink)

Leren van 50 jaar milieubeleid was het overkoepelend thema, dat de Vereniging van Milieuprofessionals had gekozen voor de evaluatie van een halve eeuw openbaar milieubeheer. Tijdens de Nationale Milieudag 2021 – feitelijk een bijna echte vierdaagse – werd in een reeks digitale presentaties en discussies verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden. Zelf mocht ik op 17 juni 2021 in de fraaie VVM-studio in Utrecht een bijdrage leveren aan de deelsessie ‘Ladder van Lansink in de circulaire wereld’ met een bondige powerpoint-presentatie, een uitgebreid interview van Esther Geertsema en een (chat-) discussie onder leiding van presentator Jan van Dijk over verleden, heden en toekomst, gekoppeld aan stellingen over preventie (was er vroeger meer?), bron- of nascheiding (wat is vandaag beter?) en circulariteit (is ooit 100% haalbaar?) De poll over bron- en nascheiding pakte met de uitslag 13-87 verkeerd uit. Toch was de VVM-deelsessie over het afvalbeleid in de afgelopen vijf decennia, de betekenis van de Ladder van Lansink en de belemmeringen op weg naar optimale circulariteit – wellicht 80 tot 90 % – opnieuw een stimulans om met een toekomstbestendige ladder de grondstoffenschaarse en klimaatverandering aan te pakken. Wie geïnteresseerd is in de verslagen van de Nationale Milieudag 2021 verwijs ik naar de website van de Vereniging voor Milieuprofessionals.

Nogmaals; de ruine van Batenburg: oase van rust en vertrouwen (Foto: Ad Lansink)

Ontroering bij de grafsteen van Herman Lansink (1900 – 1944)

Graf 437: H.J.G. Lansink – 28.1.1900 – 14.9.1944

Bij het eenvoudige graf van oom Herman Lansink, de verzetsman die onder het naziregiem door de SD standrechtelijke werd gefusilleerd, en begraven is op het Nationaal Ereveld in Loenen

Oom Herman moet ik als kleuter wel ontmoet hebben. Enschede en Arnhem lagen niet zo ver van elkaar, en de band in de kleine familie Lansink was ondanks de moeilijke omstandigheden goed. Of Opa Lansink met oom Herman nog zijn textielbedrijf runde weet ik niet, wel dat mijn vader na de sluiting van zijn winkel op de Zaslaan ambtenaar bij de Arnhemse plantsoenendienst was geworden. Wij beleefden de oorlog en de bezetting zoals zoveel Arnhemmers, afwachtend en gelaten, tot de plotselinge, na de Slag om Arnhem afgedwongen evacuatie ons naar Apeldoorn en later naar Amersfoort bracht. Vlak voor die heftige oorlogsweken in 1944 is oom Herman door twee SD-ers standrechtelijk gefusilleerd. Verdacht van sabotage – een treinkraak om bijzondere naaimachines die naar Duitsland zouden worden weggevoerd in veiligheid te brengen – werd hij op 14 september 1944 samen met zijn maat Theo Tichler langs de langs de Bruggenmorsweg in Enschede doodgeschoten. Drie dagen later mochten Gerard en ik vanaf het dak op ons huis aan de Jacques Perkstraat kijken naar de talloze parachutisten, die in de naaste omgeving uit de lucht vielen. Wist mijn vader toen al, dat zijn broer drie dagen eerder in Enschede was doodgeschoten?

Het kruis in het midden van het Nationaal Erveld Loenen

Na de bevrijding op 5 mei 1945 zou het nog enkele maanden duren voordat ons gezin kon terugkeren naar Arnhem. De hongerwinter in Amersfoort hadden we goed doorstaan, zonder onderwijs maar wel met veel kerkbezoek. Mijn ouders keken niet vaak terug, wel vooruit, omdat een nieuwe toekomst in alle vrijheid wenkte. Was dat de reden, dat mijn vader vrijwel nooit over het verlies van zijn broer Herman sprak? Of wist hij te weinig van de toedracht, de omstandigheden waaronder oom Herman zijn sabotagedaad met de dood had moeten bekopen? Oom Herman is door de SD doodgeschoten, dat was het enige wat hij ons een enkele keer vertelde. Ook bij bezoeken aan tante Anna – de weduwe van oom Herman – hoorde ik niets over wat er op 14 september in Enschede was gebeurd. Toen neef Gerrie – de oudste zoon van oom Herman – eens bij ons in de tuin een tent opsloeg om even Arnhem te bekijken werden evenmin herinneringen aan zijn vader gedeeld. Pas veel later, toen ik door het opkomend nationalisme en populisme een herhaling van de geschiedenis vreesde, herinnerde ik me, dat mijn vader ooit tegen mij zei: die dingen mogen nooit meer gebeuren.

Graven langs de paden van het Nationaal Erveld Loenen

Mijn jongste zus Marijke stuurde mij een tijdje geleden een bericht met een foto van het graf van oom Herman. Zij was kennelijk te weten gekomen, dat hij enkele jaren na de oorlog begraven is op het Nationaal Ereveld Loenen: de Nederlandse Erebegraafplaats met bijna 4000 graven van oorlogsslachtoffers: militairen, verzetsstrijders, politieke gevangenen en slachtoffers van de ‘Arbeitseinsatz’. Nu de herinneringen aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog weer tevoorschijn komen wilde ik zelf ook eer bewijzen aan oom Herman, die ik me slechts uit overlevering voor de geest kan halen. Wat een lange zoektocht leek te worden, viel in alle opzichten mee. De Oorlogsgravenstichting heeft vlak na de openingspoort een digitaal zoekscherm opgericht. Na het intypen van de naam, wordt op een kleurenprinter een plattegrond van het Ereveld afgedrukt, waarop de route naar en de plaats van de grafsteen is aangegeven. Het graf van oom Herman bevindt zich aan de buitenring van het grote, fraai aangelegde ereveld. De eenvormige en eenvoudige grafstenen liggen langs de talloze paden.

Koude rillingen bij het graf van Oom Herman

De grafsteen met de naam van oom Herman riep emoties op. En ontroering. De plotselinge koude rillingen deden mij beseffen, dat het meer is dan de loutere naamsverbondenheid. Het is ook de gewaarwording, dat de broer van mijn vader op jonge leeftijd is omgebracht om wat – gegeven de achtergrond van de vergelding – niet als een vergrijp kan worden gezien, wel als persoonlijk verzet tegen roofdaden van de bezetters en hun Nederlandse vrienden. Ik denk terug aan de woorden van mijn vader: zorg ervoor, dat dit nooit meer kan gebeuren. Wanneer we verder lopen over het indrukwekkende bosachtige ereveld met doorkijken naar het centrale kruis, ontmoeten we een echtpaar, dat het ereveld niet kende, en ook geen van de 4000 oorlogsslachtoffers. Zij uitten spontaan hun ontzag voor al die mannen en vrouwen, die – zo zeiden ze – hebben gezorgd dat wij hier nu in vrijheid kunnen leven. Ware woorden van twee mensen, die de oorlog niet hebben meegemaakt, maar voluit beseffen, wat er op het spel staat wanneer duistere krachten weer de macht grijpen.

Kapel van Nationaal Ereveld Loenen met op de voorgrond ‘De vallende man’ van Cor van Kralingen

1521 : Petrus Canisius : 2021

Sobere maar indrukwekkende viering van de 500e geboortedag van Peter Kanis op 8 mei 2021 in de Petrus Canisiuskerk aan de Molenstraat in Nijmegen

Petrus Canisius SJ

De geloofsgemeenschap van de Petrus Canisiuskerk zou in 2021 via een reeks activiteiten stil staan bij leven en werk van Petrus Canisius, Nijmegenaar en Europeaan. Op 8 mei 2021 droeg  de viering van zijn geboortedag als gevolg van de coronamaatregelen een sober karakter. Volstaan werd met een plechtige Eucharistiering in aanwezigheid van zestig parochianen. Of de collectanten, tijdens de pandemie omgevormd tot vriendelijke deurwachten, de bezoekers nauwkeurig geteld hebben, wordt hier en daar betwijfeld. De mooie reacties na afloop van de viering leren, dat de vier-heren-mis een grote indruk heeft gemaakt. De even plechtige als ingetogen Eucharistieviering werd gecelebreerd door Pater Eduard Kimman SJ, bijgestaan door regionaal overste Marc Desmet SJ en twee voormalige pastoors: pater Jan van de Pol SJ en pater Jan Stuyt SJ. De Schola Karolus Magnus verzorgde onder de bezielende leiding van Stan Hollaard de vaste en wisselende gezangen. Dat telkens slechts vier van de twaalf leden hun stemmen mochten laten horen, deerde niet. De akoestiek van de Molenstraatkerk leek op die van de Abdij van Solesmes.  

Zestig kerkgangers op gepaste afstand van elkaar luisteren naar de lezing van het evangelie door regionaal overste Marc Desmet SJ; op het priesterkoor de Schola Karolus Magnus; links Pater Jan van de Pol SJ

Op 8 mei 1521 zag Peter Kanis in een huis op de Lage Markt (nu nr 69-71) in Nijmegen het levenslicht. Zijn vader was lakenhandelaar en burgemeester, en behoorde tot het gegoede deel van de burgerij. De jonge Peter moet vaak de Sint Stevenskerk, vlak bij zijn ouderlijk huis hebben bezocht. Waarschijnlijk is daar de kiem gelegd voor zijn latere roeping. Hij werd de eerste Nederlandse jezuïet, en was een van de eerste leerlingen van Ignatius van Loyola, de oprichter van de befaamde Sociëteit van Jezus. Zijn in talrijke geschriften vastgelegde levensloop verbaast iedereen, die de Europese wegen kent en weet heeft van de destijdse ontwikkelingen in de Katholieke Kerk, in het bijzonder de Contrareformatie. Petrus Canisius – zijn latere kloosternaam – schreef diverse catechismussen om de geloofskennis van de ‘beminde gelovigen’ te vergroten. De Summa Doctrinae Christianae van 1555 zou zijn in veel talen vertaalde ‘bestseller worden. Na zijn heiligverklaring werd zijn naam verbonden aan de stadsparochiekerk aan de Molenstraat, die tot dan toe de naam van de oprichter van zijn orde had gedragen.

Plechtige Eucharistieviering in de Molenstraatkerk t.g.v de 500e geboortedag vanPetrus Canisius
Concelebranten Marc Desmet SJ, Eduard Kimman SJ en Jan Stuyt SJ

Pater Eduard Kimman SJ, sinds 2020 tevens pastoor van de Sint Stephanusparochie, waarvan de Petrus Canisiuskerk na de fusie van zeven Nijmeegse parochies deel uitmaakt, belichtte in zijn langs de jaartallen 1521, 1621, 1721, 1821, 1921 en 2021 gelede preek de betekenis van Petrus Canisius tegen de achtergrond van de sterk wisselende tijdgeest. Anders gezegd: de op- en neergang, de bloeitijd maar ook de secularisatie, en de gestage terugloop van de katholieke geloofsgemeenschap sinds de jaren 1970: een beeld, dat doet denken aan de toestand, die de jonge Petrus Canisius in 1552 in Oostenrijk aantrof toen hij op verzoek van zijn overste naar Wenen trok. Oostenrijk telde toen nog maar weinig belijdende katholieken. De kloosters liepen geleidelijk leeg. Het tekort aan priesters werd niet gecompenseerd oor priesterwijdingen. Kerkgangers die het rijke Roomse leven hebben meegemaakt moeten de dramatiek gevoeld hebben van het laatste deel van Eduard Kimman’s preek. Zijn oproep tot herstel en behoud van de liefde sprak evenzeer aan als de korte homilie van Marc Desmet SJ met zijn felicitaties maar ook met de vraag om te bidden voor priesterroepingen. 

De delegatie van parochianen schuilt even onder het Peeman-huisje bij het Hunnerpark Pater Jan Stuyt bereidt zich voorvol de bloemenhulde bij het beeld van Petrus Canisius

Na de door zijn eenvoud mooie Eucharistieviering legden twee kleine delegaties uit de geloofsgemeenschap bloemen bij het geboortehuis van Peter Janis en het standbeeld van de Petrus Canisius, de eerste en vooralsnog de enige Nijmeegse heilige in het Hunnerpark. Processies waren door de coronamaatregelen niet mogelijk, maar gedeelde voettochten wel. Tussen het inmiddels weer ‘shoppende’ publiek en langs de goed gevulde terrassen op het Kelfkensbos vielen de kerkgangers met hun bloemstuk niet op, maar bij het Peemanhuisje in het Hunnerpark wel. De uitbater bood spontaan aan om het tafereel van de bloemenhulde bij het beeld van Petrus Canisius vast te leggen: een aardige herinnering aan een eenvoudige gebeurtenis ter nagedachtenis aan de man, die die 500 jaar geleden geboren werd, toen nog onwetend, waartoe hij in zijn latere leven geroepen zou worden. 

Bloemenhulde bij het beeld van Petrus Canisius
in het Hunnerpark te Nijmegen

De na de mis in de Molenstraatkerk achtergebleven kerkgangers hadden intussen het gebruikelijke koffieritueel in ere hersteld, zij het voor een dag en in de kerk, en niet met krakelingen maar met broodjes. Stof om te praten was er natuurlijk genoeg, onderling, maar ook met de celebranten van de alom gewaardeerde Eucharistieviering. Regionaal overste Marc Desmet SJ genoot zichtbaar van de gesprekken, zozeer, dat hij geen tijd vond om zich van zijn kasuifel te ontdoen. De bezoekers van de herdenkingsmis kregen van Pater Eduard Kimman SJ een bijzonder geschenk: het pas verschenen boek ‘Peter Canisius – Mysticus & Manager’ van de Zwitserse jezuïet Pierre Emonet. De vertalers – Teun Bakels SJ en Ben Stoffels SJ – van dit in meer opzichten lezenswaardige boek hebben de Franse titel ’Pierre Canisius. L’infatigable reformateur de l’Eglise Allemagne (1521-1597) gewijzigd, omdat de betekenis van Petrus Canisius verder reikt dan Duitsland. Dat Petrus in de titel weer gewoon Peter en Pierre heet is waarschijnlijk het gevolg van een Zwitserse gewoonte: het gebruik van de eigen taal in plaats van het latijn. In Nijmegen klinkt Peter Kanis vertrouwd, maar blijft zijn naam – op talrijke plaatsen – Petrus Canisius, de kerkleraar die navolging verdient.

Bloemenhulde bij het geboortehuis van Peter Kanis – Lage Markt 71-73: Een wat alledaagser tafereel dan de bloemenhulde op het Hunnerpark (Foto: Piet Bisschop- Overige foto’s: Ad Lansink)

Elektrisch rijden met K-801-RB

Eerste indrukken van de Volvo XC40 P8 AWD Recharge, een lange naam voor een compacte auto: de eerste elektrische Volvo

Volvo XC40 P8 AWD Recharge op de parkeerplaats bij de Zelderse Dries (Foto: Ad Lansink)

Het heeft wat weg van een formule: die naam van de eerste volledig elektrische Volvo: XC40 P8 AWD Recharge. De Plugin Hybride van de Volvo V60 Twin Engine had mij al geleerd, dat de overgang van diesel of benzine op elektriciteit een aparte ervaring was. Probleem van die gemengde constructie was wel, dat de vijftig elektrische kilometers, wanneer ze al haalbaar waren, vrij snel ‘op’ waren. Daar kwam in de loop van de tijd de veroudering van de batterijen nog bij. Gevolg was wel, dat ik na een paar jaar blij mocht zijn, wanneer ik veertig zuivere elektrische kilometers haalde. Vandaar mijn nieuwsgierigheid naar de Polestar 2 – in China ontwikkeld en gebouwd door Volvo-eigenaar Geely – en wat later naar de Volvo XC40 P8 Recharge, die Volvo op het platform van de Polestar 2 in Gent zou gaan bouwen. Na de positieve ervaringen met de V40, de XC70 en de V60, wilde ik hoe dan ook het Zweedse merk trouw blijven. De voortreffelijke service van de Nijmeegse Volvodealer Henk Scholten speelde daarbij een belangrijke rol.

Achter het stuur: rechts Google Maps op het scherm van Android Automotive (Foto: Bert Jan Nijhuis)

In de zomer van 2020 trokken de specificaties van de XC40 P8 mijn aandacht. Een voorlopige orientatie op de Volvo-website maakte mij tamelijk enthousiast. Maar die eerste indrukken leidden niet tot een impulsieve beslissing om de ruim vijf jaar oude V60 in te ruilen. Die witte Plugin Hybride was immers de meest plezierige wagen in mijn intussen 40-jarige autogeschiedenis. Ook aankondiging van Volvo Care – een soort private lease – en de onzekerheid over de mogelijke aflevering hielden een snelle aankoop tegen. Even afwachten was het parool, temeer waar de inruilwaarde van de V60 wat tegenviel. De wintermaanden gingen voorbij zonder grootscheepse verplaatsingen als gevolg van de alsmaar voortdurende coronamaatregelen. Dat vergaderingen en conferenties werden afgelast of vervangen door ‘webinars’ lag voor de hand. Maar ook de traditionele familiebezoeken werden schaars.  Wat wel bleef: dat was de voorkeur voor de P8 boven de P2: de afkortingen waarmee op digitale fora liefhebbers de Polestar 2 en de Volvo XC40 P8 Recharge aanduiden. 

Achterzijde van de P8 – Fotoshoot in het Kroondomein bij Vaassen voor interview in Volvodrive (juni 2021) door auteur en fotograaf Bert Jan Nijhuis

Een onderhoudsbeurt van de V60 met aansluitende APK-keuring bood een plotselinge gelegenheid voor een proefrit met een XC40 P8. Enkele woorden van dealermanager Marcel Scholten waren voldoende om me op weg te helpen. Die woorden betroffen de simpele handeling, vlak voor het wegrijden, en het remmen bij het loslaten van het ‘gaspedaal’: het one-pedal-driving, waaraan ik binnen enkele kilometers gewend was. Het rijden en besturen van de XC80 P8 voelde meteen goed aan, net als de afwezigheid van het motorgeluid. Binnen de kortste keren was ik overtuigd van de kwaliteit van deze eerste, volledig elektrische Volvo.  Het relatief hoge gewicht van de compacte XC40 Pg – gevolg van het omvangrijke accupakket en de twee elektromotoren – had geen negatieve invloed op de bestuurbaarheid. Integendeel. De stuurbekrachtiging werkte voortreffelijk. Bij thuiskomst nam ik me voor om bij het ophalen van de V60 te vragen naar de levertijd, en naar de inruilmogelijkheden van mijn zes-jaar-oude V60 TE.

Laden thuis of om de hoek: Shell Recharge (New Motion) (Foto: Ad Lansink)

Zelden tekende ik zo snel een koopovereenkomst. Volgens Robert Langes van Henk Scholten Nijmegen kon ik binnen enkele dagen in een vrijwel gloednieuwe Volvo XC40 P8 rijden, wanneer de voorradige Thunder Grey versie aan mijn kleurwens voldeed. Dat bleek het geval, omdat de blauw-grijze kleur deed denken aan lievelingskleur leiblauw. De combinatie met het zwarte dak, en de zwarte spiegels zorgt voor een bijzondere uitstraling, versterkt door de zilverkleurige deur- en bumperlijsten. Ook de fraaie wielen spreken mij aan, zozeer zelfs, dat de aankoop binnen korte tijd een feit was. Dat gold ook voor de aflevering, vijf dagen na de aankoop. Ook opvallend: de snelle afwikkeling van allerhande formaliteiten: het uitschrijven van het oude kenteken, en de inschrijving van het nieuwe ‘autonummer’: K-801-RB, toevallig een gemakkelijk te onthouden combinatie; en de wisseling van de verzekering, van de zakelijke Volvo Insurance-polis naar de ANWB Veilig Rijden-verzekering met een bijzondere bonus-malus-regeling na meting van het rijgedrag via een dongle.

360 graden beeld op het middenscherm van de XC70 P8 (Foto: Ad Lansink)

Inmiddels mag ik me ruim een maand eigenaar van de Thunder Grey Volvo XC40 P8 noemen. De ruim 1400 km afgelegd kilometers gingen op aan kleine streekgebonden ritten en een vijftal grotere atochten, tussen 100 en 200 km. Het verbruik van de betrekkelijk zware XC40 P8 is – zo leren reviews en gebruikerswebsites – een belangrijk punt van discussie, omdat de door Volvo opgegeven gunstige cijfers gebaseerd zijn op genormeerde omstandigheden. Het normverbruik van 17,8 kWh/100 km wordt in de praktijk meestal niet gehaald. Berichten op Tweakersnet en Volvoforum leren, dat een verbruik tussen 22 en 24 kWh/100 km al mooi zou zijn. Welnu; mijn score bedraagt tot nu toe 22.1/100 km, een alleszins aardig cijfer, omdat ik bij het overbruggen van de grote afstanden ook op autowegen heb gereden. Bij de soms toegestane snelheid van 120 of 130 km/uur stijgt het verbruik tot ca 24 kWh/100 km. Bij hogere snelheden loopt het verbruik overigens op tot 30 kWH/100 km, of hoger, bij temperaturen onder 10 graden. 

Bestuurdersscherm met verbruikscijfers over lange (456 km) en korte (29,9 km) afstand: 21,9 en 21,1 kWh/100 km; verder tijdsduur, gemiddelde snelheid, totaal gereden km’s;

De eerste 1400 km met de P8 bevestigen de positieve ervaringen van een reeks reviews uit Zweden, Noorwegen, England, Duitsland en de Verenigde Staten. Het rijden is een waar genoegen, in stadsverkeer maar ook op de snelweg of op regionale wegen, waar de maximumsnelheid van 80 km zorgt voor een laag stroomverbruik. De wegligging is perfect, en de hulpsystemen voor besturing en veiligheid – adaptieve cruisecontrol, rijbaanassistentie, parkeerhulp, pilot-assistent – werken uitstekend. De bediening is uiterst intuïtief, ook doordat het nieuwe Google Automotive System integraal onderdeel van de besturingssystematiek is. De Google Assistent helpt niet alleen bij de navigatie maar ook bij de aansturing van allerhande autofuncties: klimaatregeling, zitting- en stuurverwarming, de nog beschikbare rijafstand en dergelijke. Google Maps is op twee plaatsen zichtbaar, op het infotainment-scherm en op het scherm achter het stuur. Dat bestuurderscherm toont alle essentiële informatie, en maakt ook het regeneratieve remmen bij one=pedal-driving zichtbaar.

Volvo XC40 P8 Recharge: Thunder Grey of toch Slate Blue? (Foto: Ad Lansink)

Het is echt een genoegen om in de Volvo XC40 P8 te rijden. Doorslaggevend voor de zeer positieve beoordeling zijn het overall rijgedrag, de one pedal-driving, de uitgebreide veiligheidsvoorzieningen, het integrale Google Aitomotive System, de passagiers- en bagageruimte en het betrekkelijk lage stroomverbruik, gelet ook op de fraaie prestaties van de twee elektromotoren en het betrekkelijk zware accupakket. Ik meld slechts een stevig punt van kritiek: de omstandigheid dat een half jaar na de introductie van de P8 het Volvo-on-Call systeem nog steeds niet beschikbaar is. In de V60 maakte ik vaak gebruik van deze digitale verbinding tussen iPhone en auto voor de afstandsbediening van ramen en portieren, en vooral voor het bijhouden van rijlogboek en verbruikscijfers. Hoewel met het gemis van Volvo on Call valt te leven en te rijden, is het vreemd, dat een systeem dat in de overige Volvo’s zijn waarde heeft bewezen, nog niet operationeel is in de P8. Volgens Volvo is medio 2021 Volvo on Call gedeeltelijk beschikbaar. Eind 2021 of (zelfs) begin 2022 volgen de overige functies. Tegen die tijd krijgt de Volvo XC40 P8 een 10 met een griffel, nu een 9 zonder morren.

Schermafbeelding iPhon

Berichten op het forum van Tweakers over de Polestar 2 en de Volvo XC40 P8 maakten mij nieuwsgierig naar de implementatie van de Polestar- en de Volvo on Call-app (VOC), die pas zouden werken na nieuwe software-updates bij de dealer of via OTA (Over The Air). Aangezien koppeling van mijn (oude) VOC=app onmogelijk bleek, heb ik na een recente update bij Henk Scholten Nijmegen ook de laatste versie (4.13.3) van de VOC-app op de iPhone geïnstalleerd. Tot mijn verrassing kon ik de iPhone nu wel via het VIN-nummer aan de auto koppelen. Ook de VOC-app werkte, zij het slechts voor enkele functies: openen en sluiten van portieren, klimaatregeling en niet te vergeten laden en laadtoestand van de accu’s: een niet onbelangrijk punt bij elektrische auto’s. Het wachten is op de overige functies, waar mogelijk via OTA. Dat schreef ik ruim een week geleden. Maar de vreugde was van korte duur. Twee dagen later bleef de laadtoestand na een rit van 10 km op de app ongewijzigd, terwijl het scherm 59 % om korte tijd later zelfs geen 0% meer aan te geven. Ook de andere functies werkten niet meer. Na opnieuw installeren van de VOC-app bleek ook de koppeling van de app aan de auto opnieuw onmogelijk. In- en uitschakelen van blue booth hielp evenmin. De aanvankelijke mededeling van de Volvo-vestigingsmanger, dat VOC voorlopig niet zou werken bleek achteraf dus toch correct.

Het blijft dus wachten op een nieuwe software-update in de auto, temeer waar berichten op het Tweakers P2/P8-forum laten zien dat bij sommige P8-eigenaren Volvo on Call wel functioneert. Het ongeduld wordt dus op de proef gesteld. Ondanks deze tekortkoming geniet ik volop van de eerste volelektrische Volvo. Het gemiddelde verbruik daalt zelfs verder, waarschijnlijk als gevolg van de hogere buitentemperatuur. Bij tochten in de omgeving scoor ik regelmatig 18 tot 19 kWh/100 km, en bij langere ritten met gedeelten op de snelweg blijft het verbruik onder de 22 kWh/100 km. Mijn waardering voor de Volvo XC40 P8 Recharge, opgetekend in de onlangs verschenen uitgave van Volvodrive, blijft overeind, ondanks het ontbreken van de VOC-functies. Die waardering geldt vooral de mogelijkheid van one-pedaal-driving, de gunstige verbruikscijfers, de uitstekende wegligging en de fraaie uitvoering van de P8.

Klimaatvriendelijk over de Veluwe: Interview met de ‘kasteelheer’ en zijn P8 voor de Cannenburg in Vaassen
iVolvodrive (Mei-juni 2021) (Tekst en foto’s van Bert Jan Nijhuis)

Zwarte eekhoorn

Gespot: een zeldzame variant van een alledaags dier

Wat ligt daar voor de deur: een zwarte doek, of een stuk boerenplastic? Dichterbij gekomen ontwaar ik de trekken en bewegingen van een echt dier: een groot uitgevallen staart, een zwart lijf en een kleine bek, waarmee het onbekende beest tussen de voegen van de tegels zoekt naar eetbaar materiaal. De vorm van het dier doet denken aan een eekhoorn, maar de pikzwarte kleur van de glanzende vacht komt niet overeen met de fraaie bruin-rode kleur van gewone eekhoorns. De steenmarter, jaren geleden ook actief bij ons huis, en de wit gebefte wezel vallen af. Een snelle zoektocht via Google maakt duidelijk, dat er nogal wat verschillende eekhoorns zijn, ook zwarte exemplaren. Het moet dus toch een eekhoorn zijn, waarschijnlijk de in onze contreien zeldzame Amerikaanse variant, die ook wel voseekhoorn wordt genoemd. Volgens zoogdiervereniging.nl komt in Nederland maar een soort voor: de rode (of gewone eekhoorn), in Nijmegen onder meer bewoner van het park van het Albertinum tegenover ons huis. Zwarte eekhoorns kunnen het resultaat zijn van een kruising tussen de grijze en de voseekhoorn. Het blijven volgens kenners mysterieuze exoten, die soms in dierenwinkels al huisdier worden verkocht. De zwarte eekhoorn uit de Willem Schiffstraat is misschien ontsnapt uit een dierenverblijf in een tuin. Wie meer weet over de komaf van de zwarte eekhoorn of over de genetische mutatie, die tot deze zeldzame versie heeft geleid, vindt hopelijk aanknopingspunten in de afbeeldingen bij dit bericht. En wie zijn zwarte eekhoorn mist, weet waar zijn eekhoorn misschien te vinden is.

Onlangs – om precies te zijn 20 september 2021 – dook de zwarte eekhoorn weer op, nu in de bestrate ruimte achter het huis, waar we af en toe wat broodkorsten deponeren om vogels wat etenswaar te verschaffen. Kennelijk heeft de zwarte eekhoorn die binnenplaats ook ontdekt. Het dier schrok zo van mijn komst, dat het zich spoorslags uit de voeten maakte, via enkele hoge struiken over de tuinmuur naar de bogensingel, die ons huis scheidt van het terrein van de HAN (Hogeschool Arnhem Nijmegen). Zou de zwarte eekhoorn intussen een vaste bewoner van onze wijk zijn geworden, of van de tuin bij het Albertinum. Opletten wordt het parool.

Van Austin Seven naar Volvo XC40 P8 Recharge

Zestig jaar persoonlijke auto-geschiedenis: terugblik op een bescheiden vorm van ‘gekte’ op al dan niet historische vervoermiddelen

1961: Austin Seven: Ans Lansink in de deuropening van de eerste eigen auto met blauw-wit nummerbord FX-48-80)

Het verlangen naar een echte auto kwam op toen mijn vader in mijn afstudeerjaar voor een dag een Austin Seven huurde: het kleine karretje met touwtjes om de deuren te openen. Helaas ontbrak bij het begin van de eerste baan een gevulde spaarpot. Ik kocht daarom een Vespa Scooter om grotere afstanden te overbruggen, zoals de zaterdagse tocht zonder helm naar de Rode Pannen in Tilburg, waar ik aankomende Mill Hill-missionarissen de betekenis van natuur- en scheikunde bijbracht. De rit met Ben Harmsen achterop mijn Vespa naar Obdam in Noord-Holland om collega Piet Luyckx te feliciteren met zijn huwelijk is een andere bladzijde in het fictieve vervoersdagboek. Diezelfde collega attendeerde mij later op een vrijwel nieuwe Austin Seven, die bij een autobedrijf in Lisse, eigendom van een familielid, te koop stond. Het rode karretje met autonummer FX-48-80 werd in 1961 mijn eerste auto voor een prijs van ruim 4000 harde guldens.

Merk- en dealertrouw verbond mij een kleine twintig jaar – van 1961 tot 1978 – aan BMC, het autoconglomeraat, dat in de tweede helft van de vorige eeuw diverse Engelse automerken had opgeslokt. Ik ruilde de Austin Seven in voor een Austin Glider 1100, die later plaats maakte voor een Austin 1300 GT. Via mijn zwager Bernard van Dam en zijn zwager Henny de Goede ontdekte ik vervolgens de MG B: een destijds (en nu antiquarisch nog) bekende sportwagen. De letters staan voor Morris Garages. Toevallig verkocht de Morris-importeur in Amersfoort wegens bedrijfsbeëindiging in 1969 zijn hele voorraad. Met een aantrekkelijke korting werd een MG B GT mijn eigendom, een prachtige ‘racing green’ auto, die ik met veel plezier gereden heb. Waarom ik mijn eerste MG B GT na enkele jaren inruilde voor een zandkleurig model met nagenoeg dezelfde specificaties, weet ik niet meer. Ik Wat ik herinner me wl, dat de ritten naar den Haag – ik was inmiddels lid van de Tweede Kamer – om een andere, soepeler en ruimere auto vroegen.

1969: Ad Lansink: trotse eigenaar van de groene MG B GT met nummer 75-86-MH:

Vader en zoon de Vos, eigenaren van mijn garage aan het Nijmeegse Marienburg (in het stadscentrum met een benzinepomp voor de deur) verkochten mij graag een Austin Princess, een sedan uit de BMC-stal, met een zescylinder-motor, die rustiger zou lopen dan de wat hitsiger krachtbron van de MG B GT. De Princess had ook meer ruimte, een eigenschap die van pas kwa. Dat kwam goed van pas, omdat bij het afwisselend verblijf in Nijmegen en den Haag het transport zich niet beperkte tot kamerstukken. Toen in 1979 een van de parkeerwachters bij de Tweede Kamer mij wees op oliesporen van de Princess, was het gauw gedaan met mijn liefde voor de auto met de koninklijke naam. Door mijn overstap naar een Citroen CX, moest ik tot mijn spijt afscheid nemen van Garage de Vos. Pleister op de wonde was de latere aanschaf van een Mini en later Metro voor mijn echtgenote. Zij was tijdens mijn Kamerlidmaatschap op een eigen vervoermiddel aangewezen. Via de Citroen maakte ik ook kennis met het rijden op diesel: een onverwachte, niet alleen financiële meevaller.

Maar ook de Citroen CX moest plaats maken, en wel voor een Nissan Blue Bird. De reden van de wisseling van een Europese naar een Japanse auto lag in de lagere exploitatielasten, niet het model, dat ondanks de mooie naam een wat hoekig uiterlijk had. Het had weinig gescheeld of een Nissan Z Sportwagen was op mijn pad – of beter weg – gekomen. Twee proefdagen naar den Haag en terug naar Nijmegen verliepen voorspoedig, maar de hoge prijs van de Nissan Z hield mij tegen. Tijdens een werkbezoek van de Vaste Commissie voor Economische zaken aan de AutoRai herkende een Alfa Romeo-verkoper mij. Die 164 Diesel: dat is een prima wagen voor een Tweede Kamerlid, zei hij. Het bleek Piet Wouters te zijn; de Alfa Romeo-dealer in Tilburg, die mij enkele dagen kennis liet maken met de Alfa Romeo 164, waarin ik – overtuigd van de kwaliteiten van auto en dealer – tot het eind van mijn Kamerlidmaatschap in 1998 met veel genoegen vele duizenden kilometers heb afgelegd. Een jaar eerder bezocht ik met Ton Brouwers, medebestuurslid van MHV ZOW de Nijmeegse Volvo-vestiging van Henk Scholten om het bedrijf over te halen sponsor van onze hockeyclub te worden. Dat lukte, overigens met de toezegging dat ik bij een eventuele wisseling van auto ook aan Volvo zou denken. Dat gebeurde.

Alfa Romeo 164 (Foto: Wikipedia Commons)

Halverwege 1998 vond ik, dat de Alfa Romeo 164 langzamerhand te groot werd voor een politicus in ruste. Ik wist toen nog niet, dat een nieuwe levensperiode met allerhande activiteiten zou gaan aanbreken. Maar ik wist wel, dat de Volvo V40 – een behoorlijk maatje kleiner dan de 164 – wel een passend vervoermiddel zou zijn, met een benzinemotor en een automatische schakeling. Die V40 leerde mij opnieuw – wat ik in Tilburg en eerder Nijmegen had ervaren – dat een goede relatie met een dealer zeer waardevol is. Toen om gezondheidsredenen van echtgenote Ans een auto met een hogere instap nodig was aarzelde ik geen ogenblik om de overigens goed functionerende V40 in te ruilen tegen een weinig gebruikte XC70: een crosscountry wagon met vierwielaandrijving, voortgestuwd door de befaamde Volvo dieselmotor. Die donkerblauwe XC70 heb ik een zestal jaren later omgeruild voor een vrijwel identieke brons-bruine versie, die mij tijdens heel wat trips naar Arnhem, Vlissingen, Rotterdam en den Haag – plaatsen waar ik als RvC-lid van Knowaste, Covra en E.on Benelux en bestuurslid van de Vereniging van Oud Kamerleden vaak moest zijn –  goede diensten heeft bewezen.

Volvo V40 (Foto: Wikipedia Commons)

De statutaire beeindiging van allerhande betaalde en niet betaalde functies leidde in 2015 opnieuw tot de keuze van een kleinere auto: weliswaar weer een Volvo maar een stap terug waar het de afmetingen betrof. Het werd de V60 Twin Engine, een zogenaamde plugin hybride, en daarmee een stap vooruit op de weg naar elektrificatie. Die witte Volvo V60 inspireerde mij tot diverse berichten over de voordelen van het gedeeltelijk elektrisch rijden, soms ook als reactie op de kritiek, dat de verlaagde bijtelling en de belastingvoordelen alleen ten goede kwamen aan zakelijke rijders. De milieuvoordelen zouden tegenvallen, omdat die zakelijke rijders eenmaal in het bezit van wat soms ‘stroomkarren’ werden genoemd, rustig benzine of diesel gingen tanken zonder zich om de CO2-uitstoot te bekommeren. De aangegeven 50-km stroomkilometers waren intussen voor korte ritten genoeg, ook om het plezier van elektrische voortstuwing te ervaren. Lange ritten echter beperkten het genoegen van het stille rijden, ook omdat de 50 km stroomvoorraad door veroudering van de batterijen slonk naar 40 km. Vandaar mijn wens om zodra dat zou kunnen over te stappen op een volledig elektrische auto.

Dat moest wel een Volvo zijn, gelet op de meer dan twintigjarige positieve ervaring met merk en dealer. De Polestar 2 diende zich als eerste mogelijkheid aan. Maar de aanschaf via Internet en ook de bouw in China deed me toch teveel aan pionier Tesla denken. Gelukkig volgde vrij snel de aankondiging, dat de technologie van de Polestar – onderstel, accupakket en twee elektromotoren – een op een zouden worden toegepast in de eerste, volledig elektrische Volvo: de XC40 P8 Recharge, een mondvol cijfers en woorden voor een auto, die de toets van de kritiek inmiddels voluit kan doorstaan. De aanvankelijke neiging om de formele beëindiging van Lansink EcoAdvies te vieren met een vooruitbestelling van de P8 liet ik varen. Even afwachten leek toch een beter parool, ook omdat in 2020 de corona19-pandemie het reizen en trekken voorlopig zou beperken. Bij het wisselen van de winterwielen van de V60 TE deed zich plotseling de mogelijkheid van een proefrit voor, en even later de aanschaf van een voorradige, vrijwel gloednieuwe XC P8, wanneer we de kleur – Thunder Grey Metallic – voor lief zouden nemen.  Dat deden we.

Vanaf dat ogenblik ging alles snel. Het gereedmaken van de auto, het uitschrijven van de V60 TE, de wisseling van de verzekering, het bijengaren van spaarpenningen en het ophalen van de eerste volledig elektrische Volvo. Via videotestberichten had ik intussen al gemerkt, dat het rijgedrag en de stabiliteit van de P8 zeer werd gewaardeerd, net zoals de optie van ‘one pedal driving’ en het uitstekende, door Volvo geintegreerde Google Automotive System. De afwerking is zoals ik van Volvo gewend was, sinds ik in 1998 de V70 aanschafte. De eerste series van de XC40 P8 zijn vrijwel allemaal uitgerust met het R-design-pakket, inclusief het bijzondere panoramadak, en de voor-, zij- en achtercamera’s, die de rijder een 360 graden beeld voortoveren: een gemengd reeel en virtueel bovenaanzicht, dat parkeren tot een eenvoudige bezigheid maakt en niet te vergeten: leren bekleding op stoelen die me aan de MG doen herinneren. Mijn P8 met het gemakkelijk te onthouden kenteken K-801-RB staat op 20 inch-wielen, en lijkt daarmee groter dan hij in werkelijkheid is: 20 cm korter dan de V70 TE. Ik heb grote verwachtingen van deze mooie auto: aanknopingspunt voor het noteren van mijn ervaringen – ook over het opladen en het kWh verbruik/100 km – wanneer de kilometerteller van de P8 een getal tussen 5000 en 10000 aangeeft. Tot dan dus.

Een positief-kritische blik van de eigenaar, ergens in het Kroondomein bij Vassen (Foto: Bert Jan Nijhuis)

Ladder van Lansink, Beeldspraak, Knotsenburg en andere topics

Translate »