De ene toevalligheid is de andere niet. Onverwachte bezoeken aan het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis en het Valkhof Museum roepen herinneringen op aan Stilleven met landschap en voorbijgangers: het befaamde drieluik van Sven Hoekstra uit 1998, een aan de Zeigelhofaffaire

Een goede buur is beter dan een verre vriend, zeker wanneer een plotselinge hulpvraag om enige bijstand vraagt. Een hevige rugpijn op een voor zelfhulp onbereikbare plaats op mijn rug leidde tot het advies van naaste buur Ine Op Heij snel de huisarts te raadplegen. De diagnose luidde: een abces bij atheroomcyste, gevolg van een ontstoken talgklier. De huisarts verwees mij na een eerste poging tot behandeling door naar de polikliniek heelkunde van het CWZ. Daar maakten de artsen een grotere snede in het abces om onder verdoving met een koudemiddel de cyste aan te pakken. Een antibioticakuur moest de ontsteking te lijf gaan. Thuiszorg zou tweemaal per dag de wond spoelen om alle ongerechtigheden te verwijderen. Toen de verpleegkundige mij de weg wees naar de CWZ-apotheek wees, zag ik plotseling het grote drieluik van Sven Hoekstra: Stilleven met landschap en voorbijgangers. Ik had het drieluik sinds de onthulling op 5 juni 1998 niet meer gezien, in tegenstelling tot de zeefdruk, die alle ‘voorbijgangers’ na de feestelijke onthulling hadden gekregen. Ik vertelde mijn gids, dat ik een van de ‘voorbijgangers’ was. Ze kon mij niet vinden, waarschijnlijk omdat ik inmiddels een grijsaard ben. Op de uitleg naast het drieluik las ze mijn naam, onder nummer 18.

Twee weken later, na het controlebezoek aan de polikliniek, stelde Ine Op Heij voor om nog een keer naar het drieluik te gaan kijken. Zogezegd, zo gedaan, ook om een herinnering aan mijn behandeling in het CWZ vast te leggen. Opnieuw vielen de afmetingen van het drieluik op, naast de scherpte van de figuren en de details van het stilleven: afbeeldingen van overleden Nijmegenaren, die een rol hebben gespeeld in de Nijmeegse en soms ook Nederlandse geschiedenis. Denk aan Petrus Canisius, Titus Brandsma en Ien Dales, maar ook aan de jezuïet Jan Rubbens, van 1932 tot 1959 kapelaan van de Molenstraatkerk, die als ‘man van het volk’ geliefd was in de Benedenstad. Ik greep de kans om de luchtballon, die Sven Hoekstra in het landschap had geschilderd te zoeken. Op de ballon staan de namen van de sponsoren van het project, en de mand met de overigens niet herkenbare initiatiefnemers. Zij worden wel vermeld op de toelichting naast het drieluik. Terecht natuurlijk, want zonder hun inzet was het drieluik nooit tot stand gekomen. Op de zeefdruk, die nu bijna dertig jaar in de hal van mijn huis hangt, is de luchtballon niet te bekennen. Dat komt omdat de kunstenaar dat deel kort voor de onthulling van het drieluik heeft toegevoegd. De zeefdrukken waren toen al gereed.

Het fraaie drieluik van Sven Hoekstra was, zo heb ik mij destijds laten vertellen, eigenlijk bedoeld als een modern ‘schutterstuk’, dat een mooie plek verdiende in het Valkhofmuseum. Om een of andere reden is die plaatsing niet doorgegaan. Het CWZ bleek een aanvaardbaar alternatief, ook omdat het CWZ het project steunde en directeur Maerten Verstegen een van de initiatiefnemers van het drieluik was. Waar blijft de tijd: ik herinner me de feestelijke onthulling, in aanwezigheid van tal van de geportretteerde ‘voorbijgangers’, die voor het vertrek naar het CWZ bijeen waren gekomen in de Schepenhal van het Stadhuis. Het College van Burgemeester en Wethouders zag in haar gasten toekomstige ambassadeurs voor Nijmegen. De onthulling van het drieluik werd afgesloten met een feestelijke maaltijd op de Waalkade, waar iedere ‘voorbijganger’ een genummerde en door Sven Hoekstra ondertekende, drievoudige zeefdruk meekreeg als dank voor het – soms op afstand – poseren en als blijvende herinnering.

Over toevalligheden gesproken: bij een recent bezoek aan het volledig vernieuwde Valkhofmuseum mocht ik de (vaste) expositie Mens op de grens bewonderen. In en rond Nijmegen hebben – aldus de samenstellers – mensen al meer dan 40.000 jaren hun sporen nagelaten. De toeschouwer wordt op een bijzondere wijze herinnerd aan de opzienbarende geschiedenis van de oudste stad van Nederland, van oeroude tijden tot de dag van vandaag. De samenstellers van de expositie hebben gekozen voor Mens een tijdsafhankelijke rondgang door de eeuwen, voor en na de markering van de eerste stadsrechten. Befaamde stukken uit de vaste collectie – ik noem de beroemde Ruiterhelm met gezichtsmasker, het ingetogen Kanis-triptiek en het fraaie Vogelvluchtgezicht van Nijmegen van Hendrk Feltman – worden afgewisseld door allerhande voorwerpen uit de collecties archeologie, oude kunst en cultuurgeschiedenis, en moderne en hedendaagse kunst. De historische kontekst krijgt uiteraard ook aandacht, terwijl op meer plaatsen gebruik wordt gemaakt van digitale hulpmiddelen.

Zou de Zeigelhofaffaire, waarbij ik rechtstreeks betrokken was, ook aan de orde komen in de historische tijdlijn, zo vroeg ik mij min of meer retorisch af. Het positieve antwoord is begrijpelijk, gelet op de politieke en maatschappelijke betekenis van de gebeurtenissen rond de omstreden parkeergarage. Dat op een groot scherm de Piersonrellen – gevolg van de Zeigelhofaffaire – de volle aandacht krijgen, en niet de kontekst van het hele besluitvormingsproces betreur ik wel. Het getoonde geweld kwam immers van twee kanten. De getoonde beelden geven een eenzijdig beeld van een klein deel van de Nijmeegse geschiedenis, dat bovendien veel leergeld heeft opgeleverd. Wat mij betreft zou de geschienis van de stad aan de Waal in de 20e eeuw meer gediend zijn met het drieluk van Sven Hoekstra, dat nu in een hang van het CWZ hangt: weliswaar een semi-openbare plek, maar zonder cultuur-historische relatie tot de omgeving. Het Stilleven met landschap en voorbijgangers past in Mens op de grens en levert met personen, herinneringen en gebouwen een grotere bijdrage aan de geschiedenis van Nijmegen dan de Zeigelhofaffaire.