Heffingen op herkansing

aarwisselingen gaan meestal gepaard met financiële veranderingen, al dan niet op wettelijke basis. Lonen, uitkeringen, pensioenen en belastingen passeren vrijwel nooit ongewijzigd de grens van Oud en Nieuw. De eerste dag van een nieuw jaar leent zich ook voor beleidsmatige veranderingen. Zo weet de afval- en recyclingsector inmiddels, dat het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP 3) vrijwel geruisloos is vervangen door het nog ongenummerde Circulair Materialenplan (CMP). Het op 30 december 2025 in werking getreden CMP moet, zo is de bedoeling, het toonaangevende instrument worden voor de transitie naar circulaire economie. De (nu nog) verantwoordelijke bewindslieden achten het gloednieuwe CMP  een onmisbare schakel tussen beleid en uitvoering. Hopelijk beseft het nieuwe (minderheids-)kabinet, dat de weg van plan naar werkelijkheid vaak hindernissen kent. De vraag klemt of de overgang van LAP naar CMP betekent, dat de doelen van het afvalbeheer gehaald zijn. Of blijven die doelen overeind, temeer waar het CMP zijn grondslagen vindt in de ongewijzigde wet milieubeheer. Vraag is ook, of en in welke mate met de naam van het plan ook het beleid verandert. Welnu: het zwaartepunt ligt nu meer bij afvalpreventie, grondstoffengebruik en ketenbeheer. Ook het ontwerpen, maken en (her)gebruiken van materialen en producten krijgt meer aandacht. Het CMP kent vier hoofddoelen: vermindering van grondstoffengebruik, vervanging van minder acceptabele grondstoffen, levensduurverlenging van producten en optimalisatie van materiaalverwerking. Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) beklemtoont de  combinatie van beprijzende, stimulerende en normerende maatregelen. Maar het CMP gaat alleen over uitvoering van wetgeving, en is dus een louter normerend instrument. De dwarsverbanden met de essentiële instrumenten als beprijzen en stimuleren ontbreken volledig. Sterker nog: de recente vervanging van de voorgenomen plasticheffing door verhoging van de afvalstoffenbelasting en CO₂-heffing op afvalverbranding staat op gespannen voet met de beprijzingsmaatregelen van het NPCE. De Vereniging Afvalbedrijven (VA) biedt uitkomst. In ruil voor de lastenverzwaringen aan het einde van de afvalketen pleit VA voor heffingen op primaire en fossiele grondstoffen, naast heffingen op ‘virgin materials’ voor de productie van plastics: een constructief en begrijpelijk alternatief, dat vrijwel naadloos past in het transitie- en klimaatbeleid, zelfs van een minderheidskabinet. De VA wil ook het (her)gebruik van andere, eerder omstreden categorieën – batterijen en verpakkingen – via heffingen sturen. Het eigenbelang van de afvalsector kan natuurlijk niet ontkend worden. Toch verdienen de voorstellen van de afvalsector alle politieke ruimte. De effectiviteit van het CMP en dus van de transitie naar circulaire economie vergt immers een stevig dwarsverband naar het financiële beleid, en dus ook naar het actuele, geldende Belastingplan. (Column RMB 2026.1 – februari 2026)