De Nederlandse taal is (weer) een nieuw woord rijker. Grondstoffenstrijd: synoniem van het internationale gevecht om essentiële grondstoffen. Het samengestelde woord prijkt in de kop boven het persbericht van de Nederlandse Vereniging Circulaire Economie (NVCE) over de brief, waarin NVCE, FME, de Jonge Klimaatbeweging, Koninklijke Metaalunie, Koninklijke VNCI, MKB-Nederland, Natuur & Milieu en VNO-NCW het kabinet vragen elk jaar €1,5 miljard aan bestaande middelen te (her)alloceren ter bevordering van circulaire economie. Waar het geld vandaan moet komen is de initiatiefnemers kennelijk om het even, gelet op de term (her)alloceren. De verrassend brede coalitie grijpt de actuele verschuiving van de geopolitieke machtsverhoudingen aan om de meervoudige betekenis van circulaire economie te benadrukken. De samenhang tussen aanpak van milieuproblemen, oplossing van het klimaatvraagstuk en versterking van strategisch economisch beleid valt inderdaad niet te ontkennen. Of daarmee de wensen van NVCE en zijn bondgenoten volledig moeten worden ingewilligd, valt nog te bezien. Schaarste is immers een veelkoppig, zo niet universeel vraagstuk, nu naast het dreigend tekort aan essentiële grondstoffen vooral de verstoorde markt van fossiele energiedragers de wereld in haar greep houdt. Geopolitieke spanningen belemmeren het normale marktmechanisme van vraag en aanbod, en beperken de logistieke mogelijkheden. Bovendien neemt de oorlogsdreiging toe, en voelen handel en economie de hete adem van meerdere machtsconflicten. De oplopende inflatie en de afname van het consumentenvertrouwen dwingen tot weloverwogen en voorzichtige beleidskeuzes. Tegen deze achtergrond lijkt mij een wat bescheidener beroep kansrijker dan de forse, notabene jaarlijkse bedragen, die VNCE van het kabinet vraagt. Ga maar na: €500 miljoen ter overbrugging van de onrendabele top van circulaire investeringen; €500 miljoen voor de versterking van strategische investeringen in de circulaire industrie; €250 miljoen voor het circulair-proof maken van bestaande regelingen; €50 miljoen ter versterking van regionale ketens en €200 miljoen voor de verbetering van circulair investeringsklimaat via aanbestedingen en publieke inkoop. Strikt genomen is het merendeel van de middelen is nodig voor het dekken van onrendabele investeringskosten. De vraag klemt, waarom circulaire investeringen gepaard gaan met onrendabele toppen. Waarom moet de overheid de circulaire investeringsrisico’s dragen? Opmerkelijk genoeg zou een deel van de door NVCE c.s. gevraagde middelen moeten lopen via het intussen bedachte maar nog niet gestarte Nationaal Agentschap Disruptieve Innovatie (NADI). De ervaring leert, dat technologische en sociale disrupties veelal niet tevoren gepland zijn en evenmin bij voorbaat succesvol. Trouwens: afvalhiërarchie en circulaire economie zijn uit zichzelf al disrupties: afrekening met het verleden toen de weg van product naar afval louter eenrichtingsverkeer was. (RMB April 2026(