Noodzaak van beleidsinterventies

Het Thijmgenootschap, vereniging voor wetenschap en samenleving, publiceerde onlangs in haar reeks Annalen een interessante bundel essays over persoonlijke, maatschappelijke en spirituele aspecten van ‘Kwetsbaarheid en veerkracht’. De tegengestelde titelwoorden impliceren een actueel en divers spanningsveld. Tussen de auteurs, die vanuit verschillende invalshoeken de wisselwerking tussen kwetsbaarheid en veerkracht schetsen, tref ik Raymond Gradus. Hij kiest circulaire economie als uitgangspunt voor zijn beschouwing: een lofwaardige poging, omdat bij efficiënte uitwerking van de kringloopgedachte de kwetsbaarheid van de samenleving wordt verkleind door de veerkracht van burgers en instituties. Enkele jaren geleden sprak ik Gradus in Alphen aan de Rijn, toen wij de leden van de Gemeenteraad mochten adviseren over een nieuwe aanpak van het afvalbeleid. Ik baseerde mijn advies op de bekende voorkeursvolgorde met bronscheiding als nadrukkelijke voorkeur. Gradus was een stevige pleitbezorger van nascheiding en verbranding, vooral als kunststoffen in het geding waren. De bijdrage van Gradus aan de bundel van het Thijmgenootschap leert, dat van bekering nauwelijks sprake is. Hij somt drie voorbeelden van kwetsbaarheid op: hergebruik van plastics, recycling van luiers en afvalreductie. Streven naar afvalvermindering noemt hij zelfs een nieuwe religie. Ten onrechte. Want afvalreductie is het primaire, wettelijk vastgelegde doel van de afvalhiërarchie, waarop het afvalbeleid alleen in Nederland maar ook in Europa is gebaseerd. Hij twijfelt ook aan ‘stevige ‘beleidsinterventies’. Maar die ingrepen, veelal van de overheid, zijn vrijwel altijd gebaseerd op de voorkeursvolgorde, ook onderaan de ladder van Lansink. Zelfs bodemassen bevatten nuttige grondstoffen. Merkwaardig genoeg stoelt Gradus twee veerkracht-voorbeelden op hogere treden van de ladder: hergebruik van gedragen kleding en papierinzameling door verenigingen. Zijn derde voorbeeld van veerkracht – het opruimen van zwerfafval door milieubewuste burgers – toont, dat hij meer houdt van burgerparticipatie dan van beleidsinterventies. Toch zijn die interventies onmisbaar, al was het alleen al om de samenhang met andere doelstellingen en bijpassende maatregelen te waarborgen. Ik denk aan de levering van warmte en – grootschaliger – aan het klimaatbeleid en de aanpak van de grondstoffenschaarste. Gradus wijst trouwens zelf in zijn kritiek op plastic- en luierrecycling op de uitstoot van CO2, waarmee hij de relatie tussen afval- en klimaatbeleid erkent. Zijn bezwaren tegen kwantitatieve normering en kwantitatieve doelstellingen komen voort uit de wens van een praktijkgerichte aanpak, maar miskennen de betekenis van grenswaarden in het milieubeleid. Zouden Gradus en ik opnieuw aan een talkshow-tafel zitten, dan zou ik de stelling verdedigen, dat circulair afvalbeleid in het spanningsveld kwetsbaarheid en veerkracht een en-en-benadering vergt: heldere beleidsinterventies naast een praktijkgerichte aanpak. (Column RMB 2025.2)