Over een onverwachte en – hoewel Arnhemmer – ongedachte Knotsenburger, die in 1978 Prins van Knotsenburg werd
Twee jaar geleden kreeg ik van onze ‘feursitter’ de befaamde geel-rood-zwarte sjerp, omdat 44 jaar verstreken waren sinds het jaar waarin ik Prins van Knotsenburg mocht zijn. Ik bereikte die mijlpaal twee jaar voordat het Prinsenconvent zelf de ‘vier maal elf’ aantikt. Een simpel rekensom leert, dat 44 + 2 + 44 overeenkomt met mijn huidige leeftijd: inmiddels negentig plus. Bijna een halve eeuw ‘Knotsenburgerschap’ is een hele eer voor een jongen, die in Arnhem is geboren maar even goed in Nijmegen ter wereld had kunnen komen. Mijn vader kwam uit Enschede, en mijn moeder uit Helmond. Ergens halverwege Twente en de Peel zochten mijn ouders een plek om te wonen en handel te drijven. Mijn vader trok namelijk rond om aan kloosters en instellingen textielproducten te verkopen, die zijn vader in Enschede maakte. Maar goed: het werd dus Arnhem. Nijmegen kwam pas in beeld toen ik de kans kreeg aan de Katholieke Universiteit een proefschrift te schrijven. Na de promotie volgde – intussen 60 jaar geleden – een mooie baan op het Radboudziekenhuis. Het werd de hoogste tijd om de Gelderlander te gaan lezen, en de stad aan de Waal te gaan ontdekken, inclusief het mij onbekende Knotsenburg. Op aanraden van amanuensis Roefs – zijn broer was president van de Bruurdiekers – ging ik naar de carnavalsoptocht, omdat een echte olifant meeliep. In 1977 – ik was net twee maanden Kamerlid, nadat het raadslidmaatschap andere ogen had geopend – vroeg Theo Draat mij om Stadsprins te worden. De rest is waar het Knotsenburg betreft geschiedenis, letterlijk en figuurlijk, want historie is mij ook gaan boeien en zelfs bezighouden. Bilderdijk dichtte ooit: In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal. Of deze tegeltjeswijsheid ook geldt voor Knotsenburg valt te bezien. Het ‘Nimweegs kernefal’ van 2023-2025 is immers niet te vergelijken met dat van 1978-1981. En een voorspelling voor 11 laat staan 44 jaar verder is een hachelijke opgave, zeker voor een negentig-plusser. Klaas Gubbels, de kunstenaar die theepotten en koffiekannen een eigen identiteit geeft, zei onlangs: ‘Ik ben ook pas 90, dus ik heb nog alle tijd’. Ik bewonder zijn optimisme, maar besef evenzeer de eindigheid van alle leven. Gemeten aan allerhande statistieken is ‘negentig plus’ even mooi als onwerkelijk, even uitdagend als moeilijk te overzien. Gelukkig bieden het verleden en heden van het Prinsenconvent een beter uitzicht op de tijd die komen gaat, op weg naar de mijlpaal van 55 jaar verbondenheid in voor en tegenspoed.