Ommetje De Bruuk

Gras en grasland in De Bruuk (Foto: Ad Lansink

Wie in Nijmegen of naaste omgeving een interessant ‘ommetje’ wil maken – een niet te lange wandeling door een bijzondere omgeving – kan in het Rijk van Nijmegen letterlijk en figuurlijk alle kanten op. Ook de eenmaal gekozen richting biedt diverse keuzemogelijkheden. Neem bij voorbeeld: Groesbeek met haar kerkdorpen Horst en Breedeweg, vlak bij de Duitse grens en het befaamde Reichswald. De kleine dorpskernen zijn even sober als rustig, met een beperkt aantal voorzieningen. Maar Groesbeek en haar kerkdorpen  bieden wel toegang tot het natuurgebied De Bruuk, volgens insiders van de Radbouduniversiteit de parel onder de Nederlandse natuurgebieden vanwege het grote aantal plantensoorten, die elders al lang verdwenen zijn.

Ommetje in Natuurreservaat De Brug (rood)

Het natuurreservaat De Bruuk is befaamd om zijn unieke blauwgraslanden. Na de ontginning van een groot heidegebied in het lage deel van Groesbeek bleef een deel van het grasland met de natte hooilanden en de verspreide bosjes in stand, en dus behoed voor een agrarische functie. In 1940 kreeg De Bruuk officieel de status van graslandreservaat. Opvallend is de fraaie afwisseling van hooimoerassen, waaronder de beschermde blauwgraslanden en veldrusschraallanden. Hier en daar markeren (bijna) dode bomen het bijzondere landschap, dat door Staatsbosbeheer wordt onderhouden.  Gewapend met een ouderwetse Flora kunnen outsiders waarschijnlijk planten vinden, waarvan zij het bestaan niet of nauwelijks kenden:: Spaanse Ruiter, Blauwe  en Blonde Zegge, Vlozegge  en Klein glidkruid.

Orchideen tussen het gras (Foto: Ad Lansink)

Waarschijnlijk komen de meeste bezoekers – in absolute termen zijn het er overigens niet veel – af op de talloze orchideeën, die tegen het einde van de lente en het begin van de zomer boven het gras van de moerasgebieden uitsteken.  De met veelal paarse of lila bloemen gevulde stengels zijn niet te missen, zo groot is hun aantal in het middendeel van De Bruuk. De gele bloemen langs de renpaden –  de rechthoekige padenstructuur uit de tijd van de ontginning aan het einde van de 19de eeuw – steken duidelijk af van de soms schuchtere orchideeën. Ren heeft overigens niets met hardlopen te maken, wel met waterlopen (of beekjes), die vroeger in Groesbeeks ren werden genoemd. 

Grassen in het bos (Foto: Ad Lansink)

Wie een Ommetje De Bruuk wil maken – een eenvoudige maar toch mooie rechttoe-rechtaan-wandeling door het natuurreservaat, rijdt eerst naar Groesbeek, en bereikt vervolgens via de Kloosterstraat (centrum) de Lage Horst. Deze weg loopt rechtdoor naar de Hogewaldseweg aan de Duitse grens. Halverwege de bebouwing van Groesbeek en de Hogewaldseweg bevindt zich de Ashorst, die naar de westelijke ingang van De Bruuk leidt. Komt de bezoeker uit Bredeweg, dan neemt hij in de dorpskom in oostelijke richting een straat met de naam De Bruuk. Die straat gaat na enkele kilometers over in de Hogewaldseweg, vanwaar ook de Ashorst weer te bereiken is.  

Grassen in De Bruuk (Foto: Ad Lansink)

Opnieuw De Bruuk in: het unieke moerasgebied in het bekken van Groesbeek, dat wordt gevoed door kwelwater. De Leigraaf doorkruist onopvallend het overwegend groene (zogenaamde meden- of maden) landschap, dat wordt gekenmerkt door een kleinschalige afwisseling van hooimoerassen,  struwelen, houtwallen en natte bossen. Vanaf de goed begaanbare ‘renpaden zijn alle elementen van De Brug goed te zien en te bewonderen, ook zonder kennis van de talloze planten en (vooral) grassoorten. De weg in het natuurgebied wijst zich vanzelf: een simpel vierkant.

Chinese Ladder

Ruim een jaar geleden schreef Hugo von Meijenfeldt, in de jaren 80 beleidsmedewerker op het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer, mij dat de Ladder van Lansink nog springlevend was. Hij lichtte dat toe met de volgende anekdote: “Whatever happened to the famous Ladder Van Lansink?”, vroeg gouverneur Jerry Brown van Californië mij in mijn vorige functie als Consul-Generaal in San Francisco. Ik was stomverbaasd dat hij die 35 jaar oude ladder uit het kleine Nederland kende. Jerry Brown legde uit dat hij in de jaren tachtig, na zijn eerste twee termijnen, door Europa was gaan reizen en in Nederland onder de indruk was geraakt van het eerste Nationaal Milieu Beleidsplan ter wereld en de daarin verklonken afvalhiërarchie’. Zelf had ik via bijdragen aan Environmental Blog Isonomia, contacten met de staf van Eunomia en medewerking aan de website van Bewastewise gemerkt, dat de oorsprong van de ‘waste hierarchy’ in England en de Verenigde Staten inderdaad bekend was. 

Uit de talrijke hits – tegenwoordig ruim 42.000 – die de ‘Ladder van Lansink’ inmiddels scoort bij een zoektocht via Google blijkt, dat de voorkeursvolgorde van het afvalbeheer ook in andere landen veel aandacht krijgt van bewuste (na)volgers en toevallige passanten. Na Nederland bezetten de Verenigde Staten de tweede plaats op de ‘hitlijst’, nog voor België, UK en Duitsland. Volgens de statistiek van WordPress besloeg de totale lijst in 2016 maar liefst 58 landen. Voor 2017 staat de teller op 43 landen. Vragen o.m. uit Oekraïne, Filippijnen, Brazilië en India onderstrepen de wereldwijde bekendheid. Uit een recente link, toegestuurd door Gerard Nijssen, blijkt dat in China een vertaling van de ladder bestaat. Of de vertaling klopt, kunnen kenners van de Chinese taal en tekens misschien beoordelen. Zou ik ooit nog moeten denken aan een vertaling van Challenging Changes – Connecting Waste Hierarchy and Circular Economy, het boek dat najaar 2017 verschijnt?

Voorbij de littekens

Hoofdingang RadboudUMC: de plaats waar de spannende maanden begonnen

Terugblik op een spannend begin van 2017 met een onverwachte samenloop van gebeurtenissen

Rond de jaarwisseling verwachtte ik een spannend 2017. De vraag of na ‘brexit’ en ‘Trump’ de verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Duitsland ook onverwachte uitslagen zouden opleveren hield me bezig, Ook vroeg ik me af of NEC zich – al dan niet met moeite –  in de Eredivisie zou handhaven.  Zelf ging ik een spannend jaar tegemoet met de publicatie van Challenging Changes – Connecting Waste Hierarchy and Circular Economy. Halverwege 2015 was ik op aansporing van Jan Storm, oud-directeur van Nedvang, nu voorzitter van Wecycle en president-commissaris van de Dar, begonnen aan het boek over de relatie tussen de Ladder van Lansink en de circulaire economie. Bij een gezamenlijk werkbezoek aan AVR in Rotterdam wist de enthousiaste gangmaker mij te overtuigen van het nut van een inhoudelijke, Engelstalige follow up van ‘De Kracht van de Kringloop’. Hij boorde financieringsbronnen aan, en regelde ook een ‘editorial board’, die mij met raad en daad terzijde zou staan. Tegen het einde van 2016 was het manuscript grotendeels klaar, inclusief interviews met insiders als Eurocommissaris Karmenu Vella, Eunomia CEO Dominic Hogg en ISWA-chairman Antonis Mavropoulos. Het eerste kwartaal van 2017 had ik gereserveerd voor schema’s, afbeeldingen, tabellen en eindredactie, plus de controle van de vertaling. Vormgeefster Sophie van Kempen was intussen begonnen aan de lay out en de vormgeving van schema’s en figuren.

De man van de Ladder met schaatskampioenen op de voorpagina van de Gelderlander – 13 februari 2017

Het werk aan Challenging Changes vorderde zo goed, dat ik soms wat losliet over mijn poging om afvalhiërarchie en circulaire economie –  al enige tijd trending topic – met elkaar te verbinden. De Gelderlander zag plotseling aanknopingspunten voor een artikel over de intussen bijna veertig jaar oude Ladder van Lansink. Ik stemde toe. Enige publiciteit leek van belang, ook omdat de gemeente Nijmegen en de DAR meewerken aan het project, financieel en inhoudelijk via een interview met wethouder Harriet Tiemens en Dar-topman Pieter Balth Linders. Toevallig vond het gesprek met de Gelderlander plaats, kort voor mijn bezoek aan Dr Camaro, interventie-cardioloog van UMC Radboud. De huisarts had mij naar hem verwezen vanwege aanhoudende hoge bloeddruk en forse borstpijn na pittige inspanningen. Op de dag waarop ik te horen kreeg, dat hartkatheterisatie noodzakelijk was, stuurde Sjors Molenaar mij de foutloze tekst van zijn interview voor De Gelderlander. En een dag voor duidelijk werd, dat ik met spoed een open-hart-operatie moest ondergaan, verscheen het uitgebreide verhaal over de Ladder van Lansink in de krant, met een aankondiging op de voorpagina. Geen wonder dus, dat een verpleegkundige van de afdeling hartkatheterisatie kort voor het onderzoek zei: kijk nou eens wie we op de afdeling hebben.

Leven als nooit tevoren: dat was nog maar de vraag, vlak voor de hartkatheterisatie op 14 februari 2017. In het interview de eerste aankondiging van ‘Challenging Changes’, het boek dat in het najaar van 2017 verschijnt

De uitkomst van de hartkatheterisatie was duidelijk. Een dotterbehandeling was te riskant. Om verder onheil te voorkomen was een snelle bypassoperatie noodzakelijk. Na een angstige avond en nacht op de afdeling hartbewaking was het zover: een operatie, waar ik vaak over had gehoord, zou ik zelf ‘aan den lijve’ meemaken. De verzekering van de cardiochirurg, dat in het overgrote deel van de gevallen de ingreep slaagt, gaf mij voldoende vertrouwen in een goede afloop. Achteraf is de operatie mij geweldig meegevallen. De nachtelijke uren op de intensive care vlogen voorbij, ook al hield pijn mij uit de slaap. De regelmatige controles, de toediening van medicijnen en de maaltijden vormden een dankbare afwisseling in het rustige post-operatie-ritme. Na de overbrenging naar de verpleegafdeling veranderde eigenlijk weinig, behalve dan de kennismaking met patiënten, die al eerder geopereerd waren. Opnieuw begon een verpleegster over het interview in De Gelderlander. De gedwongen rugligging viel niet mee, de pijn wel dankzij de toediening van pijnstillers. Toen eenmaal drains, infuus en urinekatheter verwijderd waren, werd het verblijf in het ziekenhuis nog dragelijker, ook dankzij de voortreffelijke inzet van de verpleegkundigen, die dag en nacht klaar staan voor hun patiënten.

Welkomstboeketten van de buren, Ds Visscherfonds, Energiepoort, Prinsenconvent, Volvo Nijmegen, Familie,  Editorial Board Challenging Changes en Nijmeegs Ondernemerscafe als teken aan betrokkenheid en meeleven.

Drie dagen na de operatie kon ik al zelfstandig douchen, met moeite maar toch. De maaltijden gingen steeds beter smaken.  De bezoekers – die tussen 15 en 20 uur welkom waren – troffen op de afdeling cardiochirurgie patiënten, die zonder uitzondering uitkeken naar de dag waarop zij naar huis of naar hun eigen ziekenhuis – Rijnstate in Arnhem of CWZ in Nijmegen – mochten terugkeren. Dat gold ook voor mij: precies zes volle dagen na de operatie werd ik ontslagen, gewapend met een medicijnenpaspoort en een recente hartfilm. De fysiotherapeut had al vastgesteld, dat traplopen weer mogelijk was. De artsen, aan wie ik was toevertrouwd – interventiecardioloog dokter Camaro en cardiochirurg doctor Geuzebroek – hadden mij intussen bezocht en teruggekeken op de geslaagde katheterisatie en omleidingsoperatie. Voortgeduwd door echtgenote Ans bracht een verrijdbare stoel mij naar de hoofdingang van het RadboudUMC. Boekontwerpster Sophie van Kempen, die op de middag van het ontslag op ziekenbezoek kwam reed mij naar huis, waar net het eerste boeket werd afgeleverd. Een week na de katheterisatie, waarmee de onverwachte ziekenhuisopname begon, was ik weer thuis. Dat ik een week later een vijftal uren op de Spoedeisende Hulp zou belanden, was even onverwacht als de toename van de pijn na de thuiskomst.

RadboudUMC op Dekkerswald: de plek van de hartrevalidatie

Pijnstillers bleven noodzakelijk, naast de medicijnen die voortaan tot het vaste inname-ritueel behoren. Met de woorden ‘eenmaal hartpatiënt, altijd hartpatiënt’ valt natuurlijk te leven, zeker waar de forse ingreep ook een ‘wake up call’ was. De zichtbare littekens op de borst en het rechterbeen herinneren voortaan aan de geslaagde ingreep. Ik bewaar ook goede herinneringen aan het verblijf in het RadboudUMC, aan de voortreffelijke zorg van staf en verpleging van de afdelingen cardiologie en cardiochirurgie en aan familieleden, vrienden en kennissen, die mij letterlijk en figuurlijk een hart onder de riem hebben gestoken. Het oude hart is vernieuwd, met hergebruik van eigen lichaamsmateriaal. Met dat begrip is ook de cirkel naar ‘Challenging Changes’ weer rond. De dag voor het ontslag kwam ik op de gang Fred Bouman tegen, ook achter een rollator. ‘Pas nog in de krant’, zei hij verbaasd, ‘en nu hier’. Tijdens de hartrevalidatie-middagen op Dekkerswald – tot eind mei ben ik daar bezig – ontmoeten we elkaar opnieuw. Een paar dagen geleden kwam de Ladder van Lansink toevallig weer ter sprake. Ook die cirkel was dus rond. Ik kon Fred en de andere, even sympathieke lotgenoten van de hartrevalidatie melden, dat de publicatie van ‘Challenging Changes’ doorgaat, in het najaar van 2017: een jaar met onverwachte gebeurtenissen. En de andere potentiele littekens: de Tweede Kamerverkiezingen vielen mee, Frankrijk koos voor Europa, en NEC blijft voorlopig in de Eredivisie. 

 

Dwalen door herinneringen

Thomas Verbogt, in gesprek met Marie Antoinette van Kuyk-Minis en Koos van Tol in de Oude Bartholomeuskerk in Beek op 9 april 2017

Met Thomas Verbogt en Marie Antoinette van Kuyk-Minis terug naar de jaren zeventig

Dwalen door herinneringen: die drie woorden zijn onlangs gekoppeld en gemunt door Thomas Verbogt in een van zijn dagelijkse columns in De Gelderlander. Ik dwaal soms door mijn herinneringen, aldus de schrijver die – hoewel woonachtig in Amsterdam – Nijmegen noch Arnhem kan en wil vergeten. Omgekeerd dwalen herinneringen ook door Thomas Verbogt, zo bleek op een zonnige zondagmiddag in het Oude Bartholomeuskerkje van Beek, waar hij voor de Vrienden van Harry van Kuyk op uitnodiging van Marie Antoinette van Kuyk-Minis herinneringen ophaalde aan de befaamde kunstenaar. Halverwege de jaren zeventig had hij Harry leren kennen, toen hij met zijn mederedacteuren van het literaire tijdschrift De Schans – Frans Kusters, Arnold Fasel en Nop Maas – besloot om met het blad van de GBK een dubbelnummer uit te geven. Verbinding van beeldende kunst en literatuur: daar mocht toch veel goeds van verwacht worden. Koos van Tol, graficus  en destijds uitgever van het GBK-blad was het daar natuurlijk mee eens.

Het grafische werk van Harry van Kuyk, in het bijzonder zijn vermaarde reliëfdrukken. leende zich niet voor de grote oplage van De Schans, in tegenstelling tot het werk van Geert Jan van Oostende, Maarten Beks, Klaus van de Logt, Sven Hoekstra en andere kunstenaars, die in die tijd al furore maakten. Maar de vriendschap tussen de kunstenaar en de schrijver was er niet minder om, integendeel. Het tweetal zag en ontdekte veel in elkaar, ondanks – of juist door – de tegengestelde karakters. Harry van Kuyk was, zo vertelde Thomas Verbogt aan de Vrienden – veel en vaak aan het woord, maar boeide hem. Dat kwam ontegenzeggelijk door de gedeelde voorliefde voor vernieuwing, en door de gezamenlijke passie voor het schrijven. Want Harry van Kuyk was niet alleen graficus, maar ook schrijver en verteller. Dat enige overdrijving hem niet vreemd was, kon Thomas Verbogt niet schelen, zo bleek ook uit de anekdotische beschouwing over gedeelde belevenissen in de jaren zeventig, onder meer bij Cafe De Gouden Leeuw.

Dwalen door herinneringen: dat deden de Vrienden van Harry van Kuyk ook. Marie Antoinette had voor de komst van Thomas Verbogt al een aanzet gegeven met het verhaal over geit Lellebel, die een jaar later werd afgelost door een speenvarken. Navertellen van de hilarische gebeurtenissen in de Oude Kerk van Ooij, waar Harry toen woonde, is een onmogelijke opgave. Vandaar deze uiterst korte aanduiding van de bacchanalen, die als alternatief voor de pakjesavond van 5 december rond de geit en het speenvarken werden aangericht. Het bijzondere verhaal van Thomas Verbogt over Harry’s eerste vrouw Rita, en over de wijze waarop Marie Antoinette haar plaats in nam, maakten de tongen opnieuw los. Thomas Verbogt is overigens van plan zijn herinneringen aan de Hessenberg, waar hij van Rita met Arnold Fasel moest gaan kijken of Harry van Kuyk nog leefde, ooit te gebruiken als deel van een roman over zijn Nijmeegse jaren. Hopelijk vindt de even productieve als boeiende schrijver in de komende jaren de tijd om deze unieke dwaaltocht door eigen en andermans herinneringen aan het papier toe te vertrouwen.

Wit, geel, groen en een vleugje paars

Paarse Besjes

Wanneer sneeuw bijna even vlug verdwijnt als valt, is het zaaks om snel enkele beelden vast te leggen. Herinneringen aan de spaarzame winterse dagen zijn immers nooit weg, evenmin als de merkwaardige wisselwerking tussen de witte vlokken en de nog spaarzamer voorboden van de lente. De toverhazelaar is er meestal vroeg bij, net zoals de kleine ranonkels die al tijdens de eerste dagen van februari hun kopjes boven de grond steken. Zij verdwijnen gelukkig niet zo snel als de spreekwoordelijke sneeuw, die niet eens de zon nodig heeft om in hoog tempo weg te smelten. Is de winter nu al voorbij, zo vraagt menig schaatsliefhebber zich af?

Toverhazelaar

Het antwoord is even onzeker als de vaak gehoorde stelling, dat de weergoden nu vrijwel elk jaar waarschuwen voor een snelle klimaatverandering. De grafieken van de opwarming van de aarde liegen er niet om. En het klimaatbeleid moet, anders dan de klimaatsceptici beweren, uiterst serieus genomen worden. Maar de schaal en de tijd van de veranderingen blijven onzeker. Wat wel vast staat – elk jaar opnieuw – is de schoonheid van de witte wereld, dichtbij het eigen erf of ver van huis en haard, waar sneeuw de eeuwigheid haalt.

Palmlelie (Yucca Gloriosa)

Sneeuw maakt vrijwel alles fotogeniek, zolang de dooi het laat afweten. Een kleine rondgang in de tuin roept onverwachte beelden op, vooral daar waar nog wat kleur te vinden is. De toverhazelaar met zijn grillige bloemen spant de kroon. Maar ook de paarse besjes mogen er zijn, fel afstekend tegen de witte achtergrond. De oorspronkelijk uit Midden-Azie afkomstige ranonkels leveren een veelvoud van gele bloemen: een kleurrijke zij het tijdelijke bodembedekker zonder opsmuk, die elk jaar opnieuw leert, dat de lente echt in aantocht is. Groen is natuurlijk de standaardkleur in alle jaargetijden, dus ook in de winter. De wisselwerking met sneeuw levert niettemin – zoals bij de Yucca –  verrassende beelden op, de moeite van het vastleggen waard.

Ranonkels

Sneeuwfoto’s lenen zich goed voor het vastleggen van klassieke zwart-witbeelden, zoals dat gebruikelijk was voor de komst van de kleurenfotografie. Toch is aanwezigheid van een bij voorkeur opvallende kleur – hoe minimaal ook – te verdedigen. De sneeuwfoto’s bij dit bericht over de tijdelijke sneeuw van 11 en 12 februari 2017 tonen – al dan niet zonneklaar – dat een beetje kleur in elk leven telt, zelfs van tijdelijke sneeuwvlokken die anders dan hun lotgenoten op de Mont Blanc geen eeuwig leven kennen.

Paus Franciscus: zichzelf onder ordegenoten en wetenschappers

Paus Franciscus begroet ordegenoot Pater Theo van Drunen SJ pastoor van de Molenstraat kerk, bij zijn bezoek aan de Generale Congregatie van de Jezuieten in het najaar van 2016 te Rome

Een kleine vier jaar geleden – op 14 maart 2013 – schreef ik een kort bericht onder de titel ‘Habemus Papam: Paus Franciscus. De keuze van de kardinalen voor de Jezuïet uit Brazilië was een verrassing, niet alleen voor de wereldwijde katholieke geloofsgemeenschap maar ook voor niet-katholieke mensen, al dan niet gelovig, en van velerlei komaf. Paus Franciscus maakte al in het eerste jaar van zijn pontificaat duidelijk, dat hij in enkele, niet onbelangrijke opzichten, een andere herder zou zijn dan zijn voorgangers. Zijn altijd vriendelijke gezicht straalt naast onbevangenheid oprechte aandacht uit, zijn leefwijze soberheid en barmhartigheid. Nu de vierde jaardag van zijn pontificaat nadert, kan Paus Franciscus bogen op een grote schare fans, in Italië, Europa, feitelijk over de hele wereld. Zijn bezoeken, vaak ver van huis bewijzen dat evenzeer als de grote belangstelling voor en instemming met zijn Kerst- en Paasboodschappen. Zijn encyclieken Evangelii Gaudium en Laudato Si werden alom met waardering ontvangen.

Achterzijde Liturgieboekje 7-8 januari 2017

Niet het befaamde Canisiuscollege – leerschool voor bekende politici – maar de min of meer toevallige betrokkenheid bij de Petrus Canisiuskerk in Nijmegen bracht mij in aanraking met de Orde van de Jezuïeten. De verre opvolgers van Petrus Canisius – de uit Nijmegen afkomstige ‘Europese’ Jezuïet – verzorgen al sinds mensenheugenis de stadsparochie aan de Molenstraat, in het hart van de Nijmeegse binnenstad. Zij blijven dat doen, ook nu de  aanvankelijke parochie van de Jezuïeten is opgegaan in de St Stephanusparochie. De fusie van acht stedelijke parochies kreeg haar beslag onder het bewind van deken en pastoor Jan Stuyt, nu secretaris van de Nederlands-Vlaamse provincie van de Jezuïeten. Dat paus Franciscus ook Jezuïet is schept een bijzondere band, zo bleek onder meer bij en na de moord op Pater Frans van de Lugt S.J., toen Jan Stuyt tijdens een ontmoeting met de Jesuit Refugee Service Paus Franciscus het boek over de geliefde ordegenoot mocht overhandigen.

De paus en de oerknal: Column van Robber Dijkgraaf, NRC 14 januari 2017

Overigens kunnen niet alle katholieken de inzet en inspiratie van Paus Franciscus waarderen. Op een bijeenkomst van Civitas Christiana, een genootschap van orthodoxe katholieken voorspelde kerkhistoricus Roberto de Mattei, dat de Katholieke Kerk binnen een paar maanden uit elkaar zou knallen: „Het zal snel gaan en het zal bruut zijn”, aldus de man, die blijkens de NRC van 20 november 2016 een toehoorster verleidde tot even dubieuze uitspraken: „Franciscus zou zich wat minder om het milieu en wat meer om het zielenheil van de gelovigen moeten bekommeren”, zegt een (on) zekere Leontien Bakermans, eraan toevoegen: “Ik heb liever dat de paus twee maîtresses heeft dan dat hij de geloofsleer aantast zoals Franciscus doet”. Nee: van de Civitas Christiana valt niet veel heil te verwachten, en van de Mattei evenmin getuige zijn schismatieke inzet, een wetenschapper onwaardig. Dat het Katholiek Nieuwblad inmiddels van de ene week op de andere afscheid heeft genomen van de ook al paus-kritische hoofdredacteur Henk Rijkers, en de koers naar Rome verlegt, kan geen toeval zijn.

Pater Jan Stuyt SJ overhandigt paus Franciscus het boek over pater Frans van de Lugt

Naar Rome: die woorden brengen mij bij ‘De paus en de oerknal’, een opmerkelijk positieve en inhoudelijk sterke column in de NRC van 14 januari 2016, opgetekend door Robbert Dijkgraaf, directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton. De vroegere voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen hoorde paus Franciscus tijdens de tweejaarlijkse vergadering van de Pauselijke Academie van Wetenschappen zeggen: “Er is nog nooit zo’n duidelijke noodzaak geweest voor de wetenschap om de wereld te dienen”. Het 50e sterfjaar van de oud-president van de academie – de Belgische priester en kosmoloog Georg Lemaitre (1894 -1966 ) en ontdekker van het uitdijend heelal, was aanleiding voor Dijkgraaf en andere geleden naar Rome te gaan. Dijkgraaf noemt ‘de tocht van de kerk naar de wetenschap lang en kronkelig’, maar vindt tegelijk ‘de open houding van de huidige paus wat dat betreft een verademing’. ‘Of het een permanente verschuiving inhoudt, is maar de vraag’ aldus Dijkgraaf, die er wel op wijst dat de vorige bijeenkomst van de academie over klimaatverandering geleid heeft tot de pauselijke encycliek Laudato Si. Dijkgraaf’s waarneming, dat paus Franciscus in het persoonlijk contact even indrukwekkend is als in zijn geschreven woord, bevestigd het verstand en gevoel van al degenen – ook zijn ordenoten in Nijmegen – die zich geïnspireerd weten door de beminnelijke, zorgzame en inhoudelijk sterke paus.

 

 

Grijze grafiek bij Mook aan de Maas

Mook: drooggevallen haven. met op de voorgrond oude breekstenen. In de verte Cuyk

Rivierstromen, die buiten haar oevers treden: dat komt regelmatig voor in een land, dat verschillende Europese stromen doorgang verschaft naar de onmetelijke Noordzee. Maar stilstaand water in een rivier: dat is even ongebruikelijk als ongewoon, even vreemd als zeldzaam. Een deel van de Maas maakt in de eerste week van 2017 het ongewone zichtbaar, het vreemde waar. Ga naar een van de oevers langs de Maas tussen Sambeek en Grave om te zien, wat een onverwachte gebeurtenis teweeg kan brengen.

Maasoever bij Mook. In de verte de spoorbrug

Een met benzeen geladen schip mist de ingang van de sluis bij Grave en vaart met hoge kracht tegen de stuw, schuift een paar meter naar beneden om even verder te beseffen wat gebeurd is: een immens gat in de stuwwand, waardoor het water vrij baan heeft tot de volgende stuw bij Lith. De sluiswachter bij Heumen sluit te laat de sluisdeur, waardoor ook het Maas-Waalkanaal een deel van haar nu plotseling kostbare lading verliest. De schade valt nog niet te overzien, het herstel wel na twee weken denken en overleggen: een half jaar werk voor  waterbouwkundigen.

Havenhoofd bij Mook: weinig kleur in grijs landschap

Hoewel ondeskundig dacht ik, twee dagen na de aanvaring door het schip en tijdens over de sluisbrug. meteen aan een tijdelijke damwand. Achteraf blijkt, dat een dergelijke constructie overwogen is naast een dozijn alternatieven. Uiteindelijk koos Rijkswaterstaat voor een tijdelijke dam van breekstenen, die de Maas in twee weken op het gewenste peil moet brengen. Vervolgens wordt een half jaar uitgetrokken om de sluis te herstellen, na het droogmaken van de bouwput: opnieuw de kans om enkele historische foto’s te maken.

Maas en meeuwen. Bomen spiegelen in stil water

De Maas tussen Lith en Sambeek ziet er nu anders uit, niet de loop van de rivier, wel de bedding en de rivierkanten, die onder normale omstandigheden tot de grasranden rijken. Nu overheersen zand en modder, overigens een geliefde pleisterplaats voor de meeuwen, die nieuwe voedselbronnen kunnen aanboren. De wandelaars, die bij de kleine haven van Mook de gevolgen van de gedeeltelijk leeggelopen Maas komen bekijken, zien met enige verbazing het drooggevallen haventje.

Zicht op Katwijk (Foto’s: Ad Lansink)

De modder ruikt naar van alles en nog wat. En de stenen zijn een stille getuige van wat tientallen jaren verborgen is gebleven. Alleen de vogels verstoren af en toe de stilte, die op een donkere zondagmiddag nog nadrukkelijker aanwezig lijkt. Grauw en grijs toont zich de omgeving, in de richting van Cuyk maar ook naar de spoorbrug. De kerk van Katwijk blijft zichtbaar, achter de bomen die zich in het stilstaande water spiegelen als nooit te voren. Grijze grafiek in een landschap dat binnen enkele weken weer kleur krijgt, met stromend water

Saamhorigheid telt, ook in 2017

Saamhorigheid telt : Beeldengroep Binnenstad (2005-2015) van Cor Litjens, in St Stevenskerk Nijmegen, 200 (h) x 500 (b) x 300 (d) cm, Foto: Picture Productions Nijmegen

Volgens Bas Heijne – de terechte winnaar van de P.C. Hooftprijs 2017 – is de grondtoon van het wereldwijde conflict eerder ideologisch dan sociaaleconomisch van aard. In een voortreffelijk essay (NRC, 31 december 2016) plaatst Bas Heijne universalisme tegenover nationalisme, gelijkheidsdenken tegenover groepsdenken, het streven naar gezamenlijkheid tegenover het zoeken naar een identitaire eigenheid. Verklaarde Europeanen zullen bij de beoordeling van deze polariteiten waarschijnlijk kiezen voor universalisme en gezamenlijkheid. De keuze tussen gelijkheidsdenken en groepsdenken is moeilijker, hoewel vervanging van gelijkheid door gelijkwaardigheid wonderen doet. Hoe het ook zij, voor mij zijn  nationalisme en populisme – bedenkelijke vormen van groepsdenken – niet weggelegd. Ik houd het liever op trefwoorden als verbondenheid en betrokkenheid, optimisme en enthousiasme in de wetenschap, dat saamhorigheid telt.

Kop boven commentaar NRC (31-12-2016) – Op achterzijde foto Bisschop Gerard de Korte: ‘Ik kan het geloof van een ander helemaal niet toetsen’ – een voortreffelijk interview

Op 31 december 2015 schreef ik op deze plaats, dat terugkijken om vooruit te kunnen een uitdaging inhoudt. Dat geldt vooral nu de omstandigheden binnen en buiten de eigen leefwereld eerder zorgelijk zijn dan dragelijk, eerder pessimistisch stemmen dan optimistisch ogen. Die uitdaging klemt temeer, nu angst de samenleving in haar greep lijkt te houden, zo voegde ik toe in de hoop dat 2016 saamhorigheid dichterbij zou brengen. Maar niets bleek minder waar. De NRC kopt boven het hoofdredactionele commentaar: Afscheid van een jaar waarin alle zekerheden leken te verdwijnen.  Dat is een rake kop. Dat in de woorden ‘alle’ en ‘leken’ een tegenstelling ligt ingesloten, doet niets af aan de zorgelijke inhoud van het commentaar, waarin ‘de nieuwe salonfahigkeit van Poetin verbijsterend’ wordt genoemd. Terecht natuurlijk, hoewel nogal wat media vergeten, dat zij via ‘free publicity’ de salonfahigketi van allerhande politieke figuren danig vergroten. Maar dat terzijde.

Over een ander gezicht gesproken; Ad Lansink bewondert kennelijk Maarten van Rossum, bij de Cannenburg in Vaassen (2015) (Foto: Bert Jan Nijhuis)

Een jaar geleden had ik net de laatste hand gelegd aan een voorwoord en een reeks minicolumns voor Arnhem 1950 – 1960 – Beelden van een stad tussen ooit en nu: een fotoboek, samengesteld door Gerrit Middelbeek, dat een belangrijke periode van de Arnhemse geschiedenis zichtbaar maakt. Het Arnhems Historisch Tijdschrift wijdde onlangs een mooie, uiterst positieve recensie aan het fraai uitgegeven boek. Ik schreef daarin: ‘Tijden veranderen en met de tijden de mensen op de weg van vroeger naar later, van jeugd naar volwassenheid, van ooit naar nu, De samenleving kreeg (en krijgt) een ander gezicht’. De vraag is natuurlijk hoe dat ander gezicht er in 2017 uit gaat zien, niet alleen in Arnhem of Nijmegen, in Nederland of Europa. Nee, ook verder weg. De hele wereld is langzamerhand het domein van iedereen geworden: een even uitdagende als beangstigende constatering. Want dichtbij huis is het leven vaak al pittig genoeg.

Logo van het ‘Challenging Changes’ project. Ontwerp: Sophie van Kempen en Ad Lansink

Wie schrijft, die blijft. Had ik eind 2015 de teksten gereed voor het boek over Arnhem, nu is dat het geval met de hoofdstukken van en interviews voor Challenging Changes – Connecting Waste Hierarchy and Circular Economy, het boek dat in de loop van 2017 moet gaan verschijnen. Jan Storm, de immer actieve pleitbezorger voor duurzaam afvalbeheer, zette mij in 2015 op het spoor. Hij vond dat ik in aansluiting op De Kracht van de Kringloop – het boek dat ik in 2010 samen met Hannet de Vries- in ’t Veld publiceerde – een Engelstalig boek moest schrijven over de wisselwerking tussen de Ladder van Lansink en de circulaire economie, het trefwoord van vandaag en morgen. Na de bekende bedenkingen ben ik halverwege 2015 voorzichtig begonnen; 2016 werd het echte schrijf- en interview-jaar. Het schrijf- en redactiewerk is nu zover gevorderd, dat vormgeefster Sophie van Kempen vanaf februari 2017 aan de slag kan, nadat de ‘Editorial Board’ groen licht heeft gegeven, ook voor tussentijdse informatie over het pittige project: Challenging Changes: uitdagende veranderingen, het is tegelijk mijn wens voor een voorspoedig 2017 in de tamelijk stellige wetenschap, dat saamhorigheid telt, waar dan ook.

 

NEC-trainer Peter Hyballa: Op en top betrokkenheid

Peter Hyballa praat op Kerstmarkt in Kleef met Gerard Borgman (Foto: Bert Beelen)

De krant kun je niet missen, geen dag. Gevleugelde woorden, waaraan ik de laatste tijd ging twijfelen, nu de lezers overspoeld worden met staaltjes van burgerjournalistiek zonder feitenkennis en diepgang. De kranten, die dagelijks mijn brievenbus binnenglijden, worden ook een last omdat lezen tijd kost. Maar gelukkig zijn er dagen, waarop de dagbladen – de Gelderlander maar ook NRC en Trouw – mij raken en bezighouden of mijn nieuwsgierigheid voeden. Op Kerstavond, bij voorbeeld: las ik in de Gelderlander het mooie interview van Gerard Borgman met NEC-trainer Peter Hyballa. De koppenmaker voegt in groene letters ‘kleurrijk en authentiek’ toe aan de op zich al fraaie naam van de enthousiaste voetbalcoach, die in en buiten Nijmegen talloze harten heeft gestolen. De doorgaans kritische fans dragen hem op handen, als ze tenminste de kans krijgen. Want na de wedstrijd spoedt Peter zich naar zijn spelers, waarmee hij in allerijl een cirkel vormt. Wat daar wordt gezegd, blijft verborgen. De voettocht langs de Goffert-tribunes laat de meestal in het zwart gehulde trainer aan de selectie over.

Peter Hyballa bij de presentatie als nieuw trainer van NEC in de zomer van 2016 (Bron: NEC-Archief)

Peter Hyballa, een betrokken en bevlogen coach, die binnen een half jaar een hechte eenheid heeft gesmeed van wat ook wel het Nijmeegse vreemdelingenlegioen wordt genoemd. De spelers – met sterkhouders als Joris Delle, Gregor Breinburg, Julian von Haacke en Dario Dumic – kunnen erover meepraten, net zo als de ‘jonge jongens’ Ferdi Kardioglu en Jay-Roy Grot. Zij doen dat ook voor de camera’s van Fox Sport, Omroep Gelderland, N1 of NEC TV, de media, die fans en outsiders – zelf ben ik een kruising tussen die twee groepen – in staat stellen om naar de welbespraakte trainer te luisteren. Op alle vragen heeft hij een passend antwoord, soms na wat nadenken, soms ook meteen in een woordenstroom, die zijn bevlogenheid illustreert. Duitse woorden voegen zich met het grootste gemak in de taal, die zijn Rotterdamse moeder hem heeft bijgebracht. Van zijn Duitse vader, theoloog en predikant, heeft hij de diepgang meegekregen. Want Peter Hyballa mag dan in de breedte van het leven voetbal uitstralen, diepte kent hij ook getuige zijn geloof in een leven na de dood, overigens ‘niet zo mooi en goed als hier’. Even verder: ‘Er is wat. Of dat God is? Absoluut’.

Peter Hyballa met de selectie van NEC na het vieren van een overwinning (Bron: FC Update)

Terug naar de Goffert en voetbal, zijn lust en zijn leven. Wanneer ik vanaf de tribune Peter Hylballa zie coachen, druk gebarend, aanwijzingen gevend, spelers toesprekend, meelevend met kansen, doelpunten maar ook met missers en teleurstellingen, dan voel ik wat betrokkenheid en enthousiasme teweeg kunnen brengen. Maar de bevlogen coach weet ook wat relativeren is. Even gas terugnemen om het betrekkelijke van zijn eigen typering – rechtvaardigheidsfanatiekeling noemt hij zichzelf – in te zien. Wie hem heeft gevolgd, zal het met mij eens zijn: Peter Hyballa is een man, die op en top betrokkenheid uitstraalt. Hij is een inspirerend coach, die geen blad voor de mond neemt. Duitsland vindt hij ‘een beetje’ te hiërarchisch, Nederland ‘eigenlijk’ te anarchistisch, om het antwoord op de vraag van Gerard Borgman naar het verschil tussen de buurlanden te besluiten met: ‘In Duitsland duurt een discussie twee minuten. Hier twee weken.’ Trouw noemde Peter Hyballa de ‘Simeone van Nijmegen’, een begrijpelijke metafoor. Ik houd liever vast aan de kop van mijn lijfblad: kleurrijk en (vooral) authentiek, met een tomeloze betrokkenheid. Hopelijk blijft hij NEC voorlopig trouw.

Wintertuin

Winterjasmijn

Op de grens van herfst en winter valt er op het eerste gezicht in de tuin weinig te beleven. De afgevallen bladeren zijn opgeruimd, en de bladkorven – een staaltje gemeentelijke dienstverlening – leeggemaakt en opgeruimd. De bladblazers en veegwagens hebben op een paar straten na hun plicht gedaan.

Engel van Andreas Hetfeld

Maar wie zijn al dan niet geoefende ogen de kost geeft ontdekt toch nog wat kleuren, niet fel of uitbundig, wel passend in de sombere,   in 2016 wel erg donkere dagen voor Kerstmis. Neem de resterende bessen van de Schoonvrucht (Callicarpa), in de volksmond ‘Paarse Besjes genoemd. De kleine vruchtjes vallen op tegen de achtergrond van enkele groene heesters, die hun blad niet verliezen. De beuk doet dat wel maar wacht daarmee tot de nieuwe knoppen zichtbaar worden.

Callicarpa

De gele taxus (Baccata ‘Fastigiata Aurea’) – met zijn merkwaardige gele top een bijzondere versie van een alledaagse heester – zorgt met de winterjasmijn (Jasminum nudiflorum) en de nog resterende bladen van de Ribes, dat geel de winnende kleur is in het eenvoudige maar aansprekende herfst-winter-palet.

Gele taxus

Het beeld van Andreas Hetfeld bij de bijna bladerloze Ribes – op de sokkel van de Millingse gemeentewerf – en de sculpturen van Cor Litjens en Coen Vernooy bij de van elkaar verschillende Cotoneasters trekken zich gelukkig niets aan van de wisseling van de jaargetijden. De beelden verliezen blad nog kleur en voegen zich gedwee naar het licht van alledag. Dat de tuin in herfst en winter meer beeldentuin is dan in lente en zomer laat zich intussen raden: troost en bemoediging tegelijk, want de dagen gaan gelukkig weer lengen.

Poort van Cor Litjens, achter Cotoneaster

Percy Bysshe Shelley (1792 – 1822)  een befaamde Engelse romanticus, schrijver en dichter vroeg zich in ‘Ode to the West Wind’ in 1819 hardop af: If Winter comes,  can Spring niet far behind? Was hij niet zeker van zijn zaak omdat hij weinig wisseling van jaargetijden had meegemaakt? Of was het slechts een retorische vraag, waarop de jonge dichter het antwoord wel wist?

Object van Coen Vernooij

Hoe het ook zij: de wintertuin laat  naast de bloemen van de Winterjasmijn ook al heel wat nieuwe knoppen zien: ontegenzeggelijk de  voorboden van de tijd, die komen gaat met het licht, dat somberheid verjaagt en nieuw leven ruimte geeft, in goede en (vooral) slechte tijden.  Natuur en kunstenaars wijzen steeds weer de weg in en naar de (soms) weerbarstige  werkelijkheid van alledag. Tegen deze achtergrond wens ik mijn lezers met dit bericht uit de wintertuin niet alleen een mooie overgang van herfst naar winter maar ook een kleurrijk, voorspoedig en vooral gezond 2017.

De Ladder van Lansink en andere topics

Translate »