Dries van Melsen (1912-1994) – filosoof, hoogleraar, bestuurder

Andreas Gerardus Maria [Dries] van Melsen werd geboren op 10 november 1912 in Zeist, als oudste zoon van Andreas Gerdinus van Melsen (1878-1943) en Anna Maria de Visscher (1885-1945). Dries had een broer, Johannes Aloysius (1916-1988), die tot 1969 de wasserij van zijn vader voortzette, en een zuster, Adriana Gerarda Maria (1920-1959). Op 13 juli 1940 trouwde hij in Hilversum met Corry Bernsen, die hij tijdens zijn studie in Utrecht had leren kennen. Het echtpaar bleef kinderloos. Dries van Melsen overleed op 8 oktober 1994 in Nijmegen. Zijn vrouw, die op 15 januari 1915 te Kerkrade geboren was, overleed op 25 november 2006 te Renkum.

Andreas (roepnaam Dries) van Melsen doorliep van 1918 tot 1924 de lagere school van de Broeders van Sint Louis in Amersfoort. Daarna volgde hij intern de gymnasium-B-opleiding aan het Bisschoppelijk College te Roermond. In 1930 ging hij in Utrecht scheikunde en filosofie studeren. Hij meldde zich vrijwel meteen bij Collegium Studiosorum Veritas, de katholieke studentenvereniging waar hij een actieve rol zou gaan spelen. Zo was hij onder meer betrokken bij de oprichting van de Sociëteit Eigen Huis, waar hij ook na zijn afstuderen bleef komen. Het dispuut ‘De Pyramide’ maakte zelfs tot ver in de jaren vijftig dankbaar gebruik van zijn liefde voor de natuurfilosofie en voor hetstudentenleven. Toen al merkten zijn jeugdige toehoorders dat Dries als een even bevlogen als bescheiden wijsgeer door de wisselwerking van theorie en praktijk midden in de samenleving stond. Dat zou zo blijven gedurende zijn hele leven. Na zijn afstuderen in 1937 werd Dries assistent op het Laboratorium voor Anorganische Chemie van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dat assistentschap in de ‘veekeet’ – het laboratorium was gevestigd op het terrein van de Veterinaire Hogeschool – combineerde hij vanaf 1939 met scheikundelessen die hij gaf op het Lyceum van Onze Lieve Vrouw ter Eem te Amersfoort. Intussen verdiepte de jonge leraar zich verder in de natuurfilosofie. Dries voelde zich aangesproken door de Griekse filosofen vanwege hun grote betekenis voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen. Voor zijn naaste omgeving was het geen verrassing, dat hij ondanks zijn bezigheden in Utrecht en Amersfoort al in 1941 promoveerde op ‘Het wijsgerig verleden der Atoomtheorie’. Met zijn proefschrift begon voor Dries een lange en indrukwekkende loopbaan, wetenschappelijk en bestuurlijk. Hij werkte zijn dissertatie uit in ‘Van atomos naar atoom’, waarin hij met erkenning van de spectaculaire ontwikkeling van de natuurwetenschappen de noodzaak van een gedegen natuurfilosofie bepleitte. Met de meer dan 400 publicaties die zouden volgen, onderstreepte hij zijn betekenis als natuurfilosoof. Zijn faam reikte tot ver buiten Nederland, getuige de vele vertalingen die van zijn boeken zijn verschenen. Hij was gastdocent aan de universiteiten van Manilla en de Nederlandse Antillen en aan de Duquesne University te Pittsburg (USA). De Rijksuniversiteit Groningen benoemde hem tot buitengewoon hoogleraar, en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen tot lid. De afstanden naar Amsterdam en Groningen overbrugde Dries met gemak en plezier, mede door zijn passie voor goede auto’s.

boekdelen_jan_kuijs_aangepast
Ad Lansink tekende voor de biografie van Dries van Melsen (1912-1994), hoogleraar filosofie, en medeoprichter en decaan van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen

In de kringen van de Katholieke Universiteit was de naam van Dries van Melsen al vroeg bekend geworden. Nog tijdens de oorlogsjaren werd hij benaderd om een deel van de leeropdracht van Titus Brandsma, die in 1942 in het concentratiekamp Dachau was gestorven, te vervullen. De befaamde karmeliet, filosoof en hoogleraar had in Nijmegen naast mystiek ook natuurfilosofie gedoceerd. Dries’ komst naar Nijmegen in 1945 zou het begin worden van een lange en uitzonderlijke verbintenis, temeer daar hij geboekstaafd moet worden als mede-initiatiefnemer en medeoprichter van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen. Zou Van Melsen zich de inwijding van het gloednieuwe Universeel Laboratorium op 8 juli 1960 kunnen herinneren – met  directeur Chris Aarts en wijwater de lift in om alle verdiepingen door de gemijterde bisschop Mgr. Alfrink te laten besprenkelen – en zou hij weten dat het laboratorium ruim veertig jaar later met de grond gelijk is gemaakt om een groter en fraaier complex te kunnen bouwen, dan zou hij ongetwijfeld een fundamentele beschouwing over het woord universeel hebben gehouden. Over universeel gesproken: zijn leeropdrachten brachten hem naar bijna alle Nijmeegse faculteiten. Hij begon in 1945 als lector met als leeropdracht natuurfilosofie, logica en logistiek. Een jaar later werd hij tot hoogleraar wijsbegeerte benoemd, een leerstoel die hij tot 1977 zou bekleden. Die leerstoel ‘stond’ tot 1964 in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, en de faculteit Godgeleerdheid, van 1951 tot 1969 in de medische faculteit, van 1957 tot 1977 bij wiskunde en natuurwetenschappen en van 1964 tot 1977 bij de centrale interfaculteit. Tussen de bedrijven door verzorgde hij leeropdrachten voor de interfaculteit aardrijkskunde en prehistorie. De juridische faculteit ontbreekt als enige in deze indrukwekkende reeks. Wie kennis neemt van de vele geschriften die Dries van Melsen in zijn Nijmeegse jaren heeft gepubliceerd, kan zich nauwelijks voorstellen dat één persoon tot zoveel in staat is. Voeg daarbij zijn inspanningen in de driehoek en tegelijk het spanningsveld van geloof, wijsbegeerte en wetenschap, en vaststaat dat Dries van Melsen zijn talenten volledig heeft ingezet voor universiteit en samenleving.

De Katholieke Universiteit heeft veel te danken aan de hoogleraar, die wetenschappelijke kennis paarde aan maatschappelijke inzet en relativeringsvermogen aan bestuurskracht. Het was te verwachten dat in Nijmegen ook bestuurstaken op zijn pad zouden komen. Tien jaar na zijn eerste leeropdracht werd hij al rector magnificus. Dat ambt bekleedde hij in 1955 en 1956. In diezelfde jaren werd hij betrokken bij de oprichting en het bestuur van Faculteit der Wiskunde enNatuurwetenschappen, die hij tot 1968 als decaan leidde. Besturen was Dries niet vreemd. Dat had hij bewezen bij de Missieclub van het Bisschoppelijk College en vooral bij Veritas, waar hij van 1932 tot 1934 abactis was en menig dispuut deelgenoot maakte van zijn kennis en inzicht. Zijn ervaring, tact en verdraagzaamheid kwamen hem vooral van pas in de woelige jaren waarin de studenten in opstand kwamen tegen het universitaire gezag. Dries van Melsen maakte geen deel uit van het gezelschap dat eind 1968 in de Wolfsberg te Groesbeek met het ‘groene boekje’ de grondslag legde voor een nieuwe, op het radenstelsel gebaseerde bestuursstructuur. Maar als beoogd president-curator had hij wel zijn collega’s in 1969 aangespoord dat ‘groene boekje’ serieus te nemen. Na het van kleur verschieten van omslag en inhoud – groen werd bruin en daarna grijs – kreeg de Katholieke Universiteit in 1970 een nieuw bestuursreglement. Onderwijsminister Veringa had voorlopig het nakijken, Dries van Melsen niet. Op 7 september 1970 werd hij voorzitter van het college van bestuur en van de universiteitsraad. Hoewel de geledingen – het toenmalige verzamelwoord van hoogleraren, staf, studenten en overig personeel – hun strijdbijl hadden begraven, werd van de nieuwe voorzitter veel gevergd: tact, geduld, verdraagzaamheid, inspiratie en formaat. Zijn benoeming bleek een schot in de roos.

Ook het terrein van zijn wijsgerig werk kende meer invalshoeken: de geschiedenis van de wetenschap, maar ook de filosofie van de natuur, de techniek en de ethiek. Geen wonder dat veel verenigingen, commissies, instanties, redacties en organisatoren van congressen een beroep deden op Dries van Melsen. Zij vroegen vrijwel nooit tevergeefs om zijn medewerking. De vele spreekbeurten en de lange lijst van publicaties illustreren de veelzijdigheid van de filosoof en hoogleraar, die zijn lezers en toehoorders steeds weer wist te boeien met zijn beschouwingen over de interactie tussen wetenschap en ethiek. ‘Een kritische bezinning op de vooronderstellingen van de natuurwetenschap’: dat was de uitdaging waarvoor Van Melsen zich steeds weer gesteld wist. ‘Natuurwetenschap en techniek maken weliswaar geen ideale mens, maar ze vragen er dringender dan ooit om’, zei hij om te benadrukken dat de menselijke vrijheid de via de wetenschap ontdekte wetmatigheden nodig heeft om van en met de natuur een menswaardige en rechtvaardige samenleving te bouwen. De drieslag geloof, wijsbegeerte en wetenschap maakte hem ook actief in kerkelijke en aanverwante kringen: in het Thijmgenootschap bij voorbeeld, dat hij van 1959 tot 1965 voorzat, maar ook in commissies, waarin hij vaak een eigen geluid liet horen zonder eigenwijs te zijn. Gesprekspartners en toehoorders van toen – waaronder de talloze studenten die zijn colleges bezochten – prijzen zijn rustige inbreng, kalmte en verdraagzaamheid zonder dat hij de essentie van zijn boodschap uit het oog verloor. Zo verzette hij zich al in de jaren zestig tegen de in zijn ogen verkeerde opvatting van de katholieke kerk over geboortebeperking. Die lijn ging volgens Dries uit van een achterhaald natuurbegrip. Maar in tegenstelling tot andere critici uit die tijd bleef hij de Katholieke Kerk trouw. De kerkgangers van de Cenakelkerk in de Heilig-Landstichting herinneren zich de rustige tred waarmee hij zijn vertrouwde plaats in het middenschip opzocht. Na de Eucharistieviering vond hij soms tijd en ruimte om van gedachten te wisselen met oud-collega’s of bestuurlijke lotgenoten.

Het sluitstuk van zijn loopbaan was het voorzitterschap van het Katholiek Studie Centrum, dat binnen de Katholieke Universiteit de dialoog moest bevorderen tussen wetenschap en levensbeschouwing en dat eveneens de studie bevorderde van onderwerpen die betrekking hadden op de katholieke bevolkingsgroep en haar cultuur. De oprichting van het centrum in 1977 en ook het werk, in het bijzonder de grote reeks publicaties, brachten Dries van Melsen veel voldoening. De teleurstelling over de magere ontvangst door universiteit en faculteiten deed weinig af aan het elan waarmee hij ook deze taak op het snijvlak van wetenschap, geloof en samenleving in 1985 volbracht. Een jaar daarvoor werd Dries van Melsen Commandeur in de orde van de Heilige Gregorius, een hoge kerkelijke onderscheiding, die hij met gepaste vreugde in ontvangst nam. Datzelfde geldt het Ridderschap in de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Koninklijke onderscheiding die hem ten deel viel. Van de waardering voor zijn werk – eerder bevestigd in eredoctoraten in Pittsburg (1953), de Vrije Universiteit Amsterdam (1980) en Manilla (1984) – kon hij evenzeer genieten als van een goed glas wijn en een mooie sigaar. ‘Waar het mij om gaat is dat je het gevoel voor het fundamentele bestaan moet openhouden. Ik denk dat de zinvragen wel weer sterker zullen worden. Ik hou van materiële dingen, ik hou van geestelijke dingen, ik hou van de liefde. Tegelijk realiseer ik me, dat dat een voorbijgaande zaak is,’ zei Dries van Melsen eind 1985 in de Twentsche Courant. Zijn welbesteed leven was voorbij op 8 oktober 1994.

Werken

· Het Wijsgeerig verleden der atoomtheorie, Dissertatie, Amsterdam, 1941
· Natuurwetenschap en Wijsbegeerte, Bibliotheek van Thomistische Wijsbegeerte, Utrecht, 1946
· Het nut der wijsbegeerte, Dekker & van de Vegt, Nijmegen, 1946
· Van Atomos naar Atoom, de geschiedenis van het begrip atoom, Het Spectrum, Utrecht, 1949
· De wijsbegeerte der exacte wetenschap, Wolters, Groningen, 1954
· Natuurfilosofie, Standaardboekhandel, Antwerpen/Amsterdam, 1955
· Natuurwetenschap en Techniek, een wijsgerige bezinning, Aula nr 37, Het Spectrum, Utrecht, 1960
· Evolutie en Wijsbegeerte, Aula-boeken, nr 160, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1964
· De Kerk in een nieuwe Wereld. Overpeinzingen van een natuurfilosoof, Patmos, Antwerpen, 1966
· Natuurwetenschap en Ethiek: een wijsgerige bezinning, Het Spectrum, Utrecht, 1967
· Wetenschap en Verantwoordelijkheid, Aula nr 413, Het Spectrum, Utrecht, 1969
· Geloof, wetenschap en maatschappelijke omwentelingen, Publicaties van het KSC, Baarn-Nijmegen, 1977
· Natuurwetenschap en Natuur. Een inleiding in de natuurfilosofie. Publicaties van het KSC, Nijmegen-Baarn,1983
· Geloof, rede en ervaring. Een wijsgerige bezinning. Publicaties van het KSC, Nijmegen-Kampen, 1989
· Tot Vooruitgang veroordeeld. Overdenkingen van een filosoof. Gooi & Sticht,Nijmegen-Hilversum, 1993

Bronnen

· Geloven in de wereld: een vriendenboek voor en over prof. dr. A.G.M. van Melsen, KSC/AMBO/Nijmegen/Baarn (1985) met o.m. bijdragen van G. Dierick, H.C.J. Oomen, F. Soontiëns, J.M. Hageman, W.C.M. van Lieshout, L.G.M. Winkeler en A.G.M. van Melsen
· W. Th. N. Thijssen: Genesis van een faculteit. De oprichting en opbouw van de faculteit der wiskunde en natuurwetenschappen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (1985)
· Jan Nuchelmans: Dries van Melsen: in ‘Nijmeegse Gezichten. Vijf en zeventig jaar Katholieke Universiteit’, Nijmegen (1998), 160-169
· F. Soontiëns: Wie was professor van Melsen? Website Exo-Steunpunt Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
· Gerard Dierick: Dries van Melsen, in: ‘Nijmeegse Biografieën I’ (2004), 89-90
· Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen: www.kdc.nl; persoonsarchief A.G.M. van Melsen

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De Ladder van Lansink en andere topics

Translate »