Gerbrand Beekman (1903-1955), houtskoolbrander

Gerbrand Beekman werd geboren op 28 augustus 1903 te Uddel als oudste zoon van Elbert Beekman, landbouwer (Staverden 18 november 1873-Uddel 26 december 1916) en Gerritje Koster (Staverden 26 oktober 1877-Uddel 28 augustus 1958). Het gezin van Elbert en Gerritje telde zeven kinderen. Gerbrand trouwde in 1934 met Fennetje van der Sande (Elspeet 1 april 1910-Harderwijk 31 maart 1985). Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Gerbrand Beekman overleed te Uddel op 29 november 1955.

De houtskoolbranderij Beekman is in het midden van de 19de eeuw ontstaan. Gerbrands opa en naamgenoot Gerbrand Beekman (1814-1880) begon volgens de overlevering met het verkolen van hout, dat in de omgeving van Ermelo volop voorhanden was. De landbouwer kon een bijverdienste goed gebruiken. Het was niet de eerste onderneming in haar soort op de Veluwe, wel de laatste en in de jaren ’50 van de 20ste eeuw waarschijnlijk ook de grootste. De geschiedenis van het houtskool branden op de Veluwe maar ook elders gaat terug tot de vroege middeleeuwen, toen het daar gewonnen ijzererts met koolstof werd gereduceerd tot ijzer. Gerbrand Beekman raakte al vroeg betrokken bij het familiebedrijf. Toen zijn vader in 1916 plotseling overleed, moest hij als dertienjarige jongen de verantwoordelijkheid voor het bedrijf op zijn jeugdige schouders nemen. De lagere school was aan hem wel besteed maar van vervolgonderwijs kon geen sprake zijn. Geleidelijk slaagde de jonge Gerbrand er in, daarin bijgestaan door zijn trouwe arbeiders uit Uddel en omgeving, de omvang van het bedrijf te vergroten. Ook de afzetmogelijkheden werden steeds verder verruimd. Gerbrand mocht een grote verscheidenheid aan ambachtslieden tot zijn vaste afnemers rekenen: loodgieters, kleermakers, zilversmeden, jeneverstokerijen en niet op de laatste plaats de kolenboeren, die door heel Nederland hun eigen afzetkanalen hadden.

Houtskoolbranderij bij het Aardgat
Houtskoolbranderij bij het Aardgat

De houtskoolbranderij van Beekman was gevestigd in het zogenaamde Aardgat, niet ver van het Aardhuis, midden in het Kroondomein. De vaste brandplaats, die tot 1996 in werking is gebleven, heette ‘De Mantel’. Het branden van houtskool was rond de vorige eeuwwisseling een vak apart. Intuïtie, ervaring en vakmanschap tekenden de mannen, die op traditionele wijze de ‘meilers’ bouwden en in brand staken. Het werk begon met het stapelen van hout in de vorm van een grote kegel. Die hout- of koolhopen werden vervolgens afgedekt met plaggen en een lading zand. In het midden werd het zogenaamde stopgat opengehouden om de meiler te kunnen aansteken en zo nodig bij te vullen. Aan de zijkant werden trekgaten gemaakt om het verkolingsproces te kunnen regelen. Het leven van Gerbrand en zijn mannen was geen pretje. Ze waren ondanks de korte afstanden vaak wekenlang van huis. Zij sliepen in plaggenhutten op stro, later in wat geriefelijker houten keten. Eten koken deden ze tijdens de campagne zelf, vaak een potje zuurkool met spek. Schoon werk was het ook niet, daar bij die meilers van ‘De Mantel’ met hun rookpluimen. Evert van den Brink sr., een van de vaste krachten van Gerbrand Beekman is bekend geworden door zijn uitspraak:

            ‘Dat stof, dat stof, dat is me toch wat. Als ik ‘s morgens opstoa,

            en achterum kiek, dan ligt ‘r nog een ke’el in bed.’

Houtskool branden was een zaak van lange adem (en weinig lucht, want het hout mocht niet verbranden). Het verkolen van het hout nam een kleine drie weken in beslag, waarna de arbeiders de koolhoop lieten afkoelen. Vervolgens werden het zand en de plaggen van de meiler gehaald, waarna de houtskoolbrokken werden opgeschept en in zakken gedaan om vervoerd te worden naar het verwerkingsbedrijf van Gerbrand Beekman in Uddel. Achttien jaar na het overlijden van zijn vader trouwde Gerbrand met Fennetje van der Sande, de vrouw die het familiebedrijf jaren later tot nog grotere ontwikkeling zou brengen. In het jaar van zijn huwelijk slaagde Gerbrand erin om een terrein te bemachtigen langs het Bleekemeer, minder bekend maar even oud als het op een steenworp afstand gelegen Uddelermeer. De landbouwer, die als eenvoudig houtskoolbrander een echte ondernemer zou worden, verwerkte aan de oevers van de stille pingoruine het houtskool uit de meilers tot poeder. Zijn product vond allerwegen zijn weg in ambachtelijke werkplaatsen, kolenkachels en houtskoolpotten waarmee tuinders hun kassen verwarmden.

In 1939 ontwikkelde Gerbrand met de firma Geurtsen uit Twello een generator om uit zuiver houtskool autogas te maken. Hij voorzag op tijd dat bij een mogelijke oorlog een groot tekort aan benzine zou ontstaan. Hij maakte later ook een generator voor vrachtwagens, die op blokjes beukenhout werd gestookt. Toen het Duitse leger het gasfabriekje aan de Garderenseweg in Uddel ontdekte, moest Gerbrand twee Duitsers op zijn kantoor toelaten, Josef Walter en Oberfeldwebel Bremmekamp, die de productie in de gaten hielden. Dank zij de verplichte gaslevering aan de bezetters konden honderden papieren arbeiders aan een ‘Ausweis’ worden geholpen, waarmee zij zich aan de beruchte ‘Arbeidseinsatz’ in Duitsland konden onttrekken. Zij hadden het geluk dat Josef Walter niets te maken wilde hebben met het Duitse regiem. In Uddel en omgeving werd Gerbrand Beekman steevast ‘Ge Be’ genoemd. Hij was een bekend man geworden, omdat hij van zijn aanvankelijk kleine bedrijf aan het Aardgat een van de grootste houtskoolbranderijen van West-Europa had gemaakt. Evenals zijn vader overleed Gerbrand op betrekkelijk jonge leeftijd. Fenne(tje) ging niet bij de pakken neerzitten maar besloot het bedrijf van haar man voort te zetten, samen met haar broer en vanaf 1957 met haar tweede dochter Ria Beekman.

De houtskoolbranderij heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw een vernieuwingsslag beleefd, in hedendaagse termen een innovatie, die Gerbrand niet meer heeft kunnen meemaken. Die vernieuwing was bedacht door Leen van Marion, die in 1965 met Ria was getrouwd. Hij werd de man van de modernisering door een drastische verandering van het verbrandingsproces. Zijn proeven met een kleine stalen ton achter zijn huis waren zo succesvol dat hij met zijn ‘Tonnetjes van Leen’ in ‘De Mantel’ sneller en schoner grotere hoeveelheden hout kon omzetten in houtskool. In Uddels dialect werd die innovatie ‘avant la lettre’ als volgt beschreven:

 ‘Leen van Marion heet een niee manier van braanden uutedocht. De koolhopen, allemaol  haandwerk, kon niet meer uut, de tonnen of ketels kwamen. Ze vunden dit eerst mer roar  en iezige hete krengen, mer der zat niet meer zo’n peins met wark an as an de hopen, in ploots van drie weken nu drie dagen. ‘t Was eerst een gek gedoe, soms luusterden ze met de oren aan de ton of ze ‘t vuur konden heuren. Der is vrogger ok wel es een vlam bie één langs de kop escheuten, krek een gevilde knien. Hie wou ’t veur z’n wief niet weten en heet  toen z’n kop met greune zeep ewassen, net zolang tot de stekels d’r of waarn. Thuus heet ie toen de pet opehouwen en ezeid dat hie de kou in de kop ekregen had en noen kopzeert had.’

De plaatselijke werkgelegenheid voer wel bij de modernisering van de branderij. De tonnen – eigenlijk ijzeren retorten – werden in Uddel in elkaar gezet en met een kraan over de wildroosters getild om in het Aardgat het werk van de in 1969 voor altijd gedoofde meilers over te nemen. Dat ging een kleine dertig jaar goed. Maar ook aan de nieuwerwetse meilers zou een eind komen. Het aardgas uit Groningen won met gemak de slag om de meeste afnemers, die geen vuile handen meer hoefden te maken. De tonnen van Leen brandden voor het laatst in 1996. Toch was dat niet de oorzaak van het vertrek van het familiebedrijf uit Uddel. De provincie Gelderland stond uitbreiding en daarmee verdere vernieuwing aan het Bleekemeer niet toe. De nazaten en opvolgers van Gerbrand Beekman trokken naar Almelo, waar de Carbo Group de herinnering aan de laatste klassieke houtskoolbrander levend houdt. Dat de liefhebbers van een barbecue nu naast de verwerkers van actieve kool de belangrijkste afnemers zijn, kon Gerbrand in zijn plaggenhut niet voorzien.

Bronnen

Boeve: Bedrijvigheid, in ‘Uttiloch – Uttel – Uddel: De geschiedenis van een strijdbare dorpsgemeenschap, uitgegeven door ’Uttiloch 1200’ bij het 1200 jarig bestaan van Uddel (1992)

Jantine J. De Boer: Uddel in de Tweede Wereldoorlog, eveneens gepubliceerd in ‘Uttiloch – Uttel – Uddel 1200, Uddel (1992)

Het ontstaan van het Uddeler- en Bleekemeer, in ‘Veluwse sagen’, door Gust. Van de Wall Perné, Scheltens & Giltay, Amsterdam (1921

Die Geschichte der Köhlerei, SGV: Sauerlandischer Gebirgsverein e.V., Abteilung Hirschberg, www.kohlenmeier.net

 

[Ad Lansink in Gelders Biografisch Woordenboek 8 (2011), 21-22] 

2 gedachten over “Gerbrand Beekman (1903-1955), houtskoolbrander”

Reacties zijn gesloten.

De Ladder van Lansink en andere topics

Translate »