Categorie archief: Geschiedenis

Groenewoud, terug naar de jaren 60

1961: Vierde flatgebouw aan de Jan Willem Passtraat met zicht op Valkenburgseweg

De organisatoren van de traditionele Buurtdag in Groenewoud hadden de bewoners gevraagd even terug te kijken naar de jaren zestig, meer dan een halve eeuw geleden, toen de wijk tussen de spoorlijn Nijmegen-Venlo en de Groesbeekseseweg pas korte tijd bestond.  Het toeval wil, dat ons Nijmeegse leven eind 1960 begon in de Jan Willem Passtraat. We betrokken daar de laatste van de vier flats. Vanuit ons appartement op de tweede woonlaag keken we uit op de spoorlijn naar Kleef en Venlo en op nieuwbouw van de Faculteit Wis- en Natuurkunde. Via het grote zijraam zagen we in de verte de Nebo en het Park Brakkestein.

2017: Flatgebouw Jan Willem Passtraat

Die toen redelijk moderne flatgebouwen maken nog altijd deel uit van het gevarieerde woningbestand van wat destijds Plan Groenewoud heette. Het woord plan is verdwenen net zo ls de eenden-fokkerij in de wat vreemde hoek tussen de Jan Willem Passtraat en de Heyendaalseweg. De ruim bemeten boerderij heeft plaats gemaakt voor het grote SSH&-complex Hoogeveld, dat in de loop van de jaren duizenden studenten moet hebben gehuisvest. Het Albertinum staat nog altijd recht overeind, hoewel de Dominicanen al jaren geleden hun fraaie kloostercomplex hebben verkocht en verlaten, in ruil voor een gemengde bestemming van woningen, bedrijven, collegezalen, tot een kinderdagverblijf toe.

1961: Slingerweg tussen Jan Willempasstraat en Driehuizerweg; op de achtergrond de oude brug over het spoor

Die eerste Nijmeegse jaren staan – ondanks de verhuizing naar Brakkestein in 1964 – nog altijd in ons geheugen gegrift. Het kostte Ans Lansink-van Dam dan ook weinig moeite om enkele herinneringen aan Groenewoud in de zestiger jaren op te halen en op te schrijven. De zoektocht naar foto’s leverde evenmin veel problemen op, zij het dat de kwaliteit van de zwart-wit-beelden te wensen overlaat. Kleurenfilm kwam pas later in zwang, evenals betaalbare fototoestellen, waarmee serieuze opnamen konden worden gemaakt. Een Agfa Clack en een Werra: dat waren de eerste apparaten, waarmee we af en toe wat probeerden vast te leggen.

2017: Oude noch nieuwe brug over het spoor zichtbaar, wel winkelwagens voor SSH&-complex: superbe vorm van zwerfvuil

Toen we in begin 1981 na een verblijf van ruim zestien jaar in de Schepenenstraat in Brakkestein terugkeerden naar Groenewoud, was er behalve de komst van enkele puntdaken in de wijk zelf niet veel veranderd. Het stratenpatroon was ongewijzigd. Alleen de zandweg langs de grote tuin van het Albertinum was veranderd in een geasfalteerde weg: de Willem Schiffstraat, waar wij het huis op de uiterste punt van de wijk, vlak naast de vroegere PABO zijn gaan bewonen. Daar wonen we nog steeds, inmiddels aanzienlijk langer dan de Familie Jansen, die het huis in 1968 hadden laten bouwen.

1961: Winters beeld van de spoorlijn naar Kleef en Venlo

Tussen 1981 en 2017 veranderde er wel het een en ander.  Het aantal puntdaken aan de Van Haapsstraat en de zijstraten nam toe. Het SSH&-complex langs de spoorlijn ontnam het zicht op het noordelijke deel van Groenewoud. De spoorverbinding  naar Kleef werd vrijwel onmogelijk door het wegnemen van de rails. Het groen langs de spoorlijn ontnam voetgangers en wandelaars het zicht op het Park Brakkestein. De bewoners moeten het nu doen met het geluid van incidentele festivals in het park.

2017: Wat overeind bleef: de oude werkplaats, nu UBC Mercator

Herinneringen ophalen blijft een dankbare opgave, ook wanneer het de gebouwde omgeving betreft. Nijmegen onderging sinds de 60-er jaren grote veranderingen. De wijken aan de overzijde van het Maas Waal Kanaal kwamen tot ontwikkeling, en de Waalsprong lukte in meer opzichten, met de Spiegelwaal en een reeks bruggen als een in de 70-er jaren nog onverwachte toegift. Groenewoud bleef zichzelf maar zag wel hoe aan de overzijde van de spoorlijn de Radboud Universiteit een steeds grotere en veelal ook fraai ingerichte ruimte ging beslaan, tot en met het vroegere Berchmanianum. De bewoners van dat bolwerk van de Jezuïeten zijn nu de buren van de Brakkesteinse Sacramentijnen. Een goede buur is beter dan een verre vriend. Waarmee de cirkel naar de Buurtdag rond is.

 

 

Chaos in Zeister Bos?

Logo van de KNVB (Bron:.ANP - Koen van Weel
Logo van de KNVB (Bron:.ANP – Koen van Weel

Wat is er allemaal bij de KNVB aan hand? Chaos in Zeister bos? Begrijpelijke vragen van een vriend, die zich mijn vroegere functies bij de KNVB herinnerde. Ik kon die vraag niet echt beantwoorden, hoewel ik met stijgende verbazing de kranten had gevolgd. Het opstappen van Bert Oostveen, de verwikkelingen bij de trainersstaf van Oranje, de verongelijkte uitspraken van bondsvoorzitter Michael van Praag, de vertrouwensbreuk tussen de (meerderheid van) de Eredivisieclubs en de Raad van Commissarissen, het openbare optreden van ECV-directeur Jacco Swart, het plotselinge vertrek van RvC-voorzitter Johan Lokhorst, het zijn inderdaad feiten, die op een bestuurlijke chaos duiden. Maar wat ontbreekt, ook in de verhalen en commentaren van NOS, NRC en andere media is de diepere oorzaak van de wanorde bij de bond, die toch niets voor niets ‘Koninklijk’ heet. Welnu: die diepere oorzaak ligt in de ingewikkelde structuur van de KNVB, waarin het betaalde voetbal een zelfstandige plaats heeft. In mijn actieve -KNVB jaren – van 1982 tot 1990 als voorzitter van de KNVB-Afdeling Nijmegen en van 1990 tot 1996 als voorzitter van de Sectie Amateur Voetbal –  voelde ik al de grote afstand tussen amateur- en betaald voetbal. Gekscherend zei ik ooit tegen Martin van Rooijen, toen voorzitter betaald voetbal ‘Jullie hebben wel de centen, maar wij de leden’. Dat top- en breedtesport regelmatig botsten, was in het Bondsbestuur vaak te merken. Maar Bondsvoorzitter Jo van Marle – een aimabele man met ervaring en gezag – wist de tegenstellingen steeds te overbruggen. Ook zijn opvolger Jeu Sprengers lukte dat, ondanks het feit, dat door de verdere commercialisering van het betaalde voetbal de afstand tot het amateurvoetbal steeds groter werd.

KNVB-Beker (Bron:http://nl.askmen.com)
KNVB-Beker (Bron:http://nl.askmen.com)

Ik herinner me twee illustratieve voorvallen. De eerste, achteraf anekdotische gebeurtenis was de uitreiking van de KNVB-Beker 1993 in het Feyenoord Stadion. Jos Staatsen, toen voorzitter van het betaalde voetbal, stond erop, dat hij minister Hedy d’Ancona zou assisteren, hoewel het Bondbestuur mij had aangewezen als vervanger van de zieke Jo van Marle. De voorzitters van Ajax en Heerenveen – finalisten ivan 1993 – hadden volgens Harrie Been aangedrongen op mijn vervanging. Een snel protest leidde tot een compromis: Jos Staatsen en ik begeleidden de minister naar de middenstip van de Kuip. Weken later nodigde Riemer van de Velden mij uit voor een ‘avondje Herenveen’ – diner en wedstrijd – om te benadrukken dat het gebeuren in de Kuip niet aan zijn geest ontsproten was. Het tweede voorval vond plaats tijdens de WK 1994 in de Verenigde Staten. Jeu Sprengers, toen bondsvoorzitter kwam mij met gepaste trots melden, dat Prins Willem Aleander en Prins Constantijn naar de Citrus Bowl in Orlando waren gekomen om op 4 juli de achtste finale tegen Ierland bij te wonen. Maar delegatieleider Jos Staatsen wilde de prinsen niet aan Jeu en evenmin aan mij voorstellen. Ook in dat geval was een snel protest bij Harrie Been voldoende om het tij te doen keren. Ik zie Jos Staatsen nog verbaasd kijken, toen ik op de terugweg naar het hotel – overigens na een feestelijke ontmoeting met de Nederlandse en Ierse supporters in de cafés rond Orlando’s Church Street – in de bus van de ambassade tussen de prinsen mocht plaats nemen.

Orlando: 4 juli 1994 – (Toen nog Kroon-) Prins Willem-Alexaner feliciteert Stan Valkx met de overwinning op Ierland; links Jos Staatsen, voorzitter betaald voetbal

De NRC schreef enkele dagen geleden, dat twee keer eerder het vertrouwen in de RvC was opgezegd, met als gevolg het opstappen van Martin van Rooijen en later ook Jos Staatsen. Bedoeld werd natuurlijk het Bestuur Betaald Voetbal. In de jaren negentig was er geen RvC en evenmin een ECV: de gezamenlijke bv van de Eredivisieclubs, feitelijk Betaald Voetbal Organisaties. Hoe het met de verenigingen, clubs of BVO’s uit de Eerste en sinds 2016 Tweede Divisie gesteld is, weet ik niet. De website van de KNVB maakt dat evenmin duidelijk als de reden waarom het betaald voetbal (met een zware directie) een RvC heeft  – met een eigen reglement – en het amateurvoetbal een Raad van Toezicht plus een Ledenraad. Intussen staat wel vast, dat het vertrouwen in de RvC is opgezegd door de meerderheid van de Eredivisieclubs in een informele bijeenkomst op Schiphol – dus niet in Zeist – na een pittig beraad met de RvC. Jacco Swart, ECV-directeur en woordvoerder, wist niet goed raad met de vraag van de interviewer naar de positie Van Henk Kivits, ECV-voorzitter maar ook lid van de RvC.  Hoezo dan die afstand tussen ECV en RvC? Koppelde voorzitter Kivits niets terug naar zijn achterban? Had hij niets in te brengen? Of volgden de ontwikkelingen elkaar zo snel op, dat iedereen – ook het Bondsbestuur – wel achter de feiten aan moest lopen? Het Bondsbestuur kwam inderdaad pas laat uit de bestuurlijke schulp. Eerst bondsvoorzitter Michael van Praag, die zich alleen beklaagde over het feit dat hij niet tijdig was ingelicht over de directiewisseling van Oostveen – de Jong. Enkele dagen later stelde KNVB-vicevoorzitter Pier Eringa terecht vast, dat er nu echt iets moet gaan gebeuren. Ongetwijfeld is de binnen- en buitenwereld van de KNVB dat met hem eens. Probleem is wel, dat het bondsbestuur geen zeggenschap hebben over het betaalde voetbal. De structuur moet op de schop. De nadrukkelijke scheiding tussen amateur- en betaald voetbal is achterhaald. En afzonderlijke rechtspersonen voor divisies, puur om de commerciële belangen – lees: de verdeling van de gelden uit media en sponsoring – veilig te stellen ook. Eenvoudig zal het niet zijn. Maar kijkend naar de structuur van andere Europese voetbalbonden moet het toch mogelijk zijn om de KNVB om te vormen tot een transparante organisatie met zeggenschap en verantwoordelijkheid van alle geledingen. Misschien kan een commissie van goede diensten de knopen ontwarren, en een nieuwe structuur ontwerpen, in Zeist, niet op Schiphol.

 

 

H.J.A. Hofland (1927 – 2016) de journalistiek voorbij

H.J.A. Hofland overleed op 21 juni 2016 op 88-jarige leeftijd (Bron: www.nos.nl)
H.J.A. Hofland overleed op 21 juni 2016 op 88-jarige leeftijd (Bron: www.nos.nl)

Het bericht, dat Henk Hofland op 21 juni 2016 in zijn slaap was overleden, verraste mij. Hoewel zijn columns – ook die van alter ego S. Montag – soms in de NRC ontbraken, leek hem zo niet een eeuwig dan toch heel lang leven gegund. Wat zou de eminente journalist, romanschrijver, columnist, essayist en commentator de komende weken geschreven hebben over het kort voor het referendum nog ongedachte Brexit, waarmee een krappe meerderheid van het Engelse volk afscheid neemt van de Europese lotgenoten. Zou Henk Hofland de lijnen van zijn eerdere beschouwingen over de tijd na ‘nine-eleven’ en Pim Fortuin doortrekken? Waarschijnlijk wel. Want hij paarde consistentie aan visie, geloofwaardigheid aan inzicht, maatschappelijke betrokkenheid aan jarenlange ervaring in het spanningsveld van samenleving, media en politiek. Hij was belezen maar bleef ook nieuwsgierig: ‘Als je iets niet weet: opzoeken’ leerde hij van zijn vader. In de NRC – de krant die hij sinds zijn invallerschap bij het Handelsblad – zijn leven lang trouw is gebleven, schreef Hubert Smeets ‘Tolk en criticus van weldenkend Nederland’: een uitvoerige, niet te evenaren necrologie. Vrij Nederland bood redacteur Jeroen Vullings – biograaf van H.J. A. Hofland – de ruimte om op zijn eigen wijze het boeiende leven en werk van de ‘journalist van de eeuw’ – het terechte eerbetoon van zijn vakbroeders in 1999 –  te belichten.

Tegels lichten: omslag van het boek, dat volgens Hubert Smeets een ommekeer betekende voor het leven van Henk Hofland
Tegels lichten: omslag van het boek, dat volgens Hubert Smeets een ommekeer betekende voor het leven van Henk Hofland

Zelf ontmoette ik Henk Hofland voor de eerste keer op 9 mei 1986 bij Welingelichte Kringen, het befaamde VPRO-radioprogramma dat in de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw wekelijks vanuit het Amsterdamse Arti werd uitgezonden. Een viertal journalisten en schrijvers – Hugo Brandt Corstius, Harry van Wijnen, Henk Hofland en Joop van Tijn – namen daar op het eind van de vrijdagmiddag de week door. Zij discussieerden over de samenleving als geheel, maar over de politiek in het bijzonder. De gast van de week – af en toe een politicus uit het ‘verre’ den Haag – werd stevig aan de tand gevoeld, maar kreeg ook de kans om zijn vege lijf te redden. Ik herinner me de pittige vragen over kernenergie. Henk Hofland viel op door zijn heldere standpunten, zijn fabuleuze kennis, zijn onmiskenbare eruditie en zijn herkenbare, warme, soms wat krakende stem. Toen gespreksleider Joop van Tijn en zijn collega’s weigerden te verkassen naar de VPRO-studio in Amsterdam – Arti was voor de mannen van Welingelichte Kringen heilige grond – werd halverwege 1997 met enige luister de laatste uitzending uit de kunstenaarssocieteit gevierd. Met enkele andere gasten mocht ik erbij zijn, een eer op zich. Het werd een bijzondere uitzending, gevolgd door een mooi afscheidsfeest: een vreemde mix van vreugde en verdriet. Enkele weken later interviewde HP De Tijd Henk Hofland, over het verdwijnen van Welingelichte kringen. Hij vertelde de redacteur tot mijn verrassing, waarom hij het VPRO-programma zou missen. ‘Daar trof ik gelukkig politici als Ad Lansink’. Mijn bewondering mengde zich met verwondering.

Henk Hofland toont met gepaste trots de PC Hooftprijd (2011) (Bron: Trouw)
Henk Hofland toont met gepaste trots de PC Hooftprijd (2011) (Bron: Trouw)

Een klein jaar later kwam ik Henk Hofland weer tegen. In Almere zou hij de Vereniging van Oud Tweede Kamerleden op vriendelijke wijze de les lezen. Vanaf het podium zwaaide hij mij toe, voordat hij de oxd-parlementariers had laten genieten van zijn wijze woorden over de nationale en internationale politiek. Na afloop haalden we herinneringen op aan Welingelichte Kringen, en de gedeelde waardering voor onze bijdragen aan dat programma, ondanks de kritische, soms zelfs vijandig lijkende omgeving. Weet, zo zei de man, die tegen wie ik bleef opkijken, dat je niet voor niets aardig wat keren bent uitgenodigd om naar Arti te komen. De redactie wist, dat je altijd wat te vertellen had, ook wanneer plaagstoten de overhand kregen. Die woorden zijn mij bijgebleven. De bijdragen van Henk Hofland in de NRC ben ik blijven lezen, tot de laatste toe. Zijn  oeuvre markeert de grote inbreng van de man, die in 2011 de PC Hooftprijs ontving na al eerder op meer plaatsen geëerd te zijn. H.J.A. Hofland was meer dan journalist of zoals hij zelf placht te zeggen stukjestikker. Hij ging de nieuwgierigheid achterna, de journalistiek voorbij, de politiek te boven. De tijd is rijp voor nieuwe ‘Tegels Lichten’. Zou ooit iemand Henk Hofland kunnen evenaren, deductief of inductief?

Rondje Noorderheide

Wandelen tussen Elspeet en Vierhouten. De rode lijn markeert de rondwandeling vanuit Vierhouten naar Tonnetjesdelle em Bovenmeer. De waterwerken van D.G. van Beuningen zijn te voet of met de fiets te bereiken via de parkeerplaats op de Elspeterbosweg.
Tussen Elspeet en Vierhouten markeert de rode lijn de rondwandeling van 9,5 km vanuit Vierhouten naar Tonnetjesdelle en het Bovenmeer. De waterwerken van D.G. van Beuningen (blauwe lijn) zijn te voet of met de fiets ook te bereiken via de parkeerplaats op de Elspeterbosweg (pictogram auto).

Op zoek naar de waterwerken van Daniel George van Beuningen

Kenners van de Veluwe weten ongetwijfeld waar de Noorderheide ligt, en waarom dit uitgestrekte bos- en heidegebied ten oosten van de weg tussen Elspeet en Vierhouten de moeite van een bezoek meer dan waard is. Gerrit Middelbeek, die ons voor een wandeltocht over een deel van de Noorderheide had uitgenodigd, raakte zelf bij toeval betrokken bij het voormalige landgoed van Daniel George van Beuningen (1877-1955), dat sinds 1982 van Staatsbosbeheer is. Tijdens een fiets- en zoektocht naar de ’36 bunder’ – een heidegebied in het Kroondomein waar zijn oom tijdens de bezetting in 1944 en 1945 tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken was bij wapendroppings – zag en hoorde hij plotseling op betrekkelijk korte afstand mensen, die kennelijk aan het werk waren.

De droge Beek in de vallei van Landgoed Noorderheide; rechts de zandweg naar de piramide (foto: Ad Lansink)
De droge Beek in de vallei van Landgoed Noorderheide; rechts de zandweg naar de piramide (foto: Ad Lansink)

Gerrit’s nieuwsgierigheid bracht hem in contact met vrijwilligers van de Werkgroep Noorderheide, die vlak bij de grens van Kroondomein het Loo bezig waren met het herstel van de waterwerken van D.G. van Beuningen, een beeksysteem van gemetselde waterlopen en kunstmatige vijvers in het vallei-deel van het vroegere landgoed. Zijn aanbod om een handje te helpen werd in dank aanvaard. Enkele weken later al was hij lid van de Werkgroep Noorderheide, die in 2008 vanuit de Heemkundige Vereniging Nuwenspete te Nunspeet is opgericht met het doel om de waterwerken van D.G. van Beuningen weer in een bij de status van een Rijksmonument passende onderhoudsstaat te brengen. Ook drie van de vier vervallen piramides die de vroegere directeur van de Steenkolen Handels Vereniging (SHV) en kunstverzamelaar had gebouwd moesten weer herkenbare tekens in het landschap worden.

Vijverpartij De Wildakker, halverwege de Beek tussen het Bovenmeer en Tonnetjesdelle (Foto: Ad Lansink)
Vijverpartij De Wildakker, halverwege de Beek tussen het Bovenmeer en Tonnetjesdelle (Foto: Ad Lansink)

Het doel van de werkgroep bleek overigens een hele klus. Naast het weer opbouwen van drie stenen piramides moesten de twee pompen, die de vijvers via de beken vullen, weer op gang worden gebracht. Ook moesten de gemetselde waterlopen – door van Beuningen de Beek genoemd – hersteld worden. De Beek bleek op veel plaatsen beschadigd. Bovendien weten wilde zwijnen wel raad met de bodem aan weerzijden van de Beek. Het hele gebied in de vallei vergt daarnaast normaal onderhoud: verwijderen van blad, vrijmaken van dennennaalden en rooien van dode boomstronken. Met de andere leden van de Werkgroep Noorderheide is Gerrit Middelbeek trots op wat intussen bereikt is. Vandaar zijn uitnodiging om een paar uur rond te wandelen op wat voor heel veel mensen nog een vergeten stuk Veluwe is.

Tonnetjesdelle of Grootemeer (Foto: Ad lansink)
Tonnetjesdelle of Grootemeer (Foto: Ad lansink)

Een groot deel van het gebied is rustgebied voor het wild, en dus niet toegankelijk. Auto’s worden ook geweerd, maar met de fiets is de vallei met de waterwerken en de piramides goed bereikbaar. Even buiten Elspeet, op de weg naar Vierhouten op de grens van bos en heide, bevindt zich een kleine parkeerplaats. Vandaar voert een zandpad naar Tonnetjesdelle, ook wel Grootemeer genoemd, waarin de waterlopen van D.G. van Beuningen uitmonden. De twee via een kleine dam verbonden plassen bevinden zich op het laagste punt van de vallei, en zijn – anders dan de vijvers van de waterwerken  – voor een deel van natuurlijke aard. Via een  begaanbare zandweg bereiken wandelaars en fietsers de piramides en de hoger gelegen Wildakker, een opvallende vijverpartij halverwege de route naar het Bovenmeer. Vlak bij die hoogste vijver met fraaie waterlelies pompt de pomp grondwater op om de dan in de Beek overlopende vijvers te voeden.

Gerrit Middelbeek en Ans Lansink bij de Daniel George Piramide in de vallei van Noorderheide (Foto: Ad Lansink)
Gerrit Middelbeek en Ans Lansink bij de Daniel George Piramide in de vallei van Noorderheide (Foto: Ad Lansink)

De Beek stroomt alleen wanneer de pomp werkt. En de pomp draait slechts wanneer leden van de werkgroep met een verplaatsbaar dieselaggregaat stroom opwekken om de elektromotor van de pomp aan te drijven. Bezoekers treffen het dus, wanneer zij water door de Beek zien stromen. De vrijwilligers zijn namelijk niet alle dagen actief. En hoosbuien zijn – uitgezonderd in juni 2016 – evenmin een dagelijks verschijnsel. Maar ook zonder stromend water is het fraaie landschap van de Noorderheide en de groene vallei met de merkwaardige piramides boeiend genoeg om enkele uren te vertoeven. Een rondje Noorderheide lopen om bij Vierhouten uit te komen is waarschijnlijk teveel gevraagd van wandelaars. Maar met de fiets is de tocht goed te doen, ook al zullen fietsers soms door rul zand moeten ploeteren.

Het Bovenmeer: de kunstmatige bron van de Beek (Foto: Ad lansink)
Het Bovenmeer: de kunstmatige bron van de Beek (Foto: Ad lansink)

De Werkgroep Noorderheide zoekt intussen naar mogelijkheden om ook de tweede pomp in de nog bestaande pomphut te installeren. De oude pomp werkt niet meer. Medewerking van de genie lijkt geregeld: putten slaan in eigen land is een goede oefening voor ‘missionnaire’ activiteiten buiten de landsgrenzen. De werkgroep rekent op de medewerking van het Boordetachement 101 van het Genie Bataljon in Wezep, dat eerder de pomp heeft geslagen bij het Bovenmeer. De vrijwilligers doen hun werk voor niets. Maar de pomp kost wel geld, ongeveer €15.000:  sponsoren zijn daarom onmisbaar. De verwachtingen zijn positief, maar de Werkgroep Noorderheide – onder die naam ook te vinden op Facebook – verwelkomt graag aanvullende giften. Voorzitter Jaap van Eijck (0341 – 254962) beantwoordt ongetwijfeld verdere vragen.

Rondje Duivelsberg

Rondje Duivelsberg: volg de groen gekleurde route langs de blauwe vlaggen
Rondje Duivelsberg: volg de groen gekleurde route langs de blauwe vlaggen

Het hoofd van tijd tot tijd leegmaken: daar leent de omgeving van Nijmegen zich uitstekend voor. Neem bij voorbeeld de Duivelsberg en de Heksendans: weliswaar namen, die niet meteen aan rust en kalmte doen denken. Maar de wandeling op de fraaie stuwwal in het grensgebied van Gelderse Poort en de Duffelt biedt zoveel variatie, dat nadenken over moeilijke zaken vanzelf verdwijnt, ondanks de hoogteverschillen die tijdens de boswandeling overbrugd moeten worden. In het weekend maakt de volle parkeerplaats aan de Oude Kleeefsebaan duidelijk, dat veel wandelaars de tocht door het bos, langs de weilanden en over de minibergen – want dat blijven het – weten te vinden. Door de week is het aanzienlijk rustiger op weg en wandelpad.

De Heksendans (Foto: Ad Lansink)
De Heksendans (Foto: Ad Lansink)

Vanaf de parkeerplaats loopt het pad geleidelijk omhoog, voorlopig nog langs de Oude Kleefsebaan. Het verkeer naar de grensovergang bij Wyler blijft soms zicht- en meestal hoorbaar, tot het bospad noordwaarts afbuigt. Na een paar honderd meter doemt aan de rechterhand in de open diepte de ‘Heksendans’ op, een kwasi-bergmeer, bestaande uit enkele waterbekkens, die lange tijd door bomen en gebladerte aan het zicht onttrokken waren. Staatsbosbeheer heeft veel bomen weggehaald, waardoor de waterbekkens voorlopig zichtbaar blijven. Het zijn oude leemkuilen, waaruit in vroegere tijden – sommige kenners denken aan de middeleeuwen en zelf aan de Romeinse tijd – leem werd gewonnen voor het maken van dakpannen.

Boshut (Foto: Ad Lansink)
Boshut (Foto: Ad Lansink)

De naam en de plaats van de Heksendans zijn overigens omstreden. De oude Heksendans schijnt even verderop in het bos gelegen te hebben. En wat de ‘heksen’ betreft: de verering van watergeesten of watergoden voor de komst van het Christendom zou ertoe geleid hebben, dat in latere jaren de bijzondere plaats in het oerbos angstvallig werd gemeden. Verering van heidense goden was uit de boze. Intussen trekt vlak bij de Heksendans, links van het bospad, een met mensenhanden gemaakte houten hut de aandacht. Is het een schuilplaats voor heksen en bosgeesten of een nachtverblijf voor een verdwaalde stadsnomade, die het even vreemde als veelkleurige kampement aan ‘d Almarasweg in Nijmegen om het spoorlawaai is ontvlucht?

Uit het bos naar de open ruimte, met - een stip - de wichelroedeloper (Foto: Ad Lansink)
Uit het bos naar de open ruimte, met – een stip – de wichelroedeloper (Foto: Ad Lansink)

Een kleine twee honderd meter na de Heksendans gaat het bospad over in een smal pad langs een groot open gebied. Enkele korte betonnen palen markeren de grens met Duitsland. De oude grenspaal op de kruising van het voetpad tussen de Duivelsberg en Holdorn (Wyler) heeft plaats gemaakt voor kleine richtingwijzers voor mensen, die enig houvast nodig hebben op hun tochten door de Gelderse Poort. Het uitzicht over de bosranden en de landerijen leert, dat de tijd in dit gebied stil heeft gestaan. Een wichelroedeloper in het uitgestrekte groene land is kennelijk op zoek naar sporen uit een nabij of ver verleden: herinneringen aan de oorlog of aan de Romeinen, die Nijmegen en zijn naaste omgeving al naar waarde wisten te schatten, letterlijk en figuurlijk.

Pad van Duivelsberg naar Holdeurn (Wyler) (Foto: Ad Lansink)
Pad van Duivelsberg naar Holdeurn (Wyler) (Foto: Ad Lansink)

Over verleden gesproken, het idee, dat de Duivelsberg naar saters genoemd wordt, klopt niet, maar een band met het verleden is er wel. De Duivelsberg heet volgens insiders naar de Duffelt, het laaggelegen gebied waaronder de Ooijpolder, dat vanaf de stuwwal  goed te zien is. In de verte valt de kerktoren van Zyflich op. Liefhebbers van geschiedenis en mysteries kunnen aan de voet van de Duivelsberg hun hart ophalen aan belevenissen van Graaf Balderik van Duffelgouw (965 – 1021), een van de grote onruststokers in het gebied van de Nederrijn. Op de Duivelsberg  bouwde hij met zijn vrouw Adela rond 1000 na Christus de motte Mergelpe. Een motte is een kunstmatige kasteelheuvel, met grachten en een omwalling, ter verdediging tegen vijandelijke aanvallen. Van de voorburcht zijn nog steeds resten te zien.

Uitzicht vanaf de Duivelsberg op de Duffel, met in de verte de kerk van Zyflich (Foto: Ad Lansink)
Uitzicht vanaf de Duivelsberg op de Duffel, met in de verte de kerk van Zyflich (Foto: Ad Lansink)

De terugtocht naar de parkeerplaats aan de Oude Kleefsebaan loopt langs het befaamde Pannekoekenhuis en vervolgens over de brede zandweg – of via een smal bospad – naar beneden. Aan de rechterzijde van de weg vallen twee diepe dalen op, karakteristieke elementen in en op de stuwwal tussen Ubbergen en Beek. Wanneer de zandweg plaats maakt voor een geasfalteerde weg is de aan de rechterzijde een s’zomers  drukbezochte minicamping zichtbaar. Kijkend naar links, tronen de bossen van het Nederrijkswald uit boven de Oude Kleefsebaan. De merkwaardige kleuren van de in bloei rakende bomen laten zien, dat de lente echt is begonnen. Dat het hoofd intussen helemaal leeg is geraakt spreekt vanzelf, ook al eisen nieuwe indrukken hun eigen plaats op. Harm Scheepbouwer z.g, – de vroegere VVV-directeur – zou gezegd hebben: Het binnenste buitenland, de moeite waard.

Een Nijmeegse ‘Ernemmer’

In volle breedte op de boekentafel (Foto: Rene Wouters)
In volle breedte op de boekentafel (Foto: Rene Wouters)

Een plaagstoot van vrienden: wat doet een ‘Ernemmer’ in  Nijmegen? Stof voor een kopregel  boven het interview in de Arnhemse editie van De Gelderlander bij het verschijnen van   ‘Arnhem 1950 – 1960 – Beelden van een stad tussen ooit en nu’, met foto’s afkomstig uit het Gelders Archief.  Niemand wist het, schrijft redacteur Piet Venhuizen, maar het oer-Nijmeegse-oud-Kamerlid Ad Lansink is eigenlijk een Arnhemmer. Niemand is wat sterk uitgedrukt. Maar burgemeester Herman Kaiser, die het eerste exemplaar in ontvangst nam, wist het evenmin als veel hele en halve Nijmegenaren. Het was een bijzondere manier van ‘uit de kast komen’, tussen de boekenkasten van Boekhandel Het Colofon in Arnhem, waar samensteller en uitgever Gerrit Middelbeek met mij het mooie boek met karakteristieke zwart-witfoto’s over de wederopbouw van Arnhem mocht presenteren.

Piet Venhuizen interviewt op zondag 17 april 2016 Ad Lansink in Boekhandel Het Colofon te Arnhem (Foto: Rene Wouters)
Piet Venhuizen interviewt zondag 17 april 2016 Ad Lansink in Boekhandel Het Colofon te Arnhem (Foto: Rene Wouters)

Eigenaar Walter Jansen van Het Colofon had gezorgd voor een genoeglijke ambiance in zijn fraaie zaak, waar gastvrijheid met hoofdletters wordt geschreven. De voormalige bioscoop Palace in de Bakkerstraat heeft een waardige, meer dan media-culturele en ‘belevingsrijke’ opvolger gekregen: een podium voor kunst en cultuur, met goede koffie. Voor de overhandiging van het boek aan de Arnhemse burgervader stelde Piet Venhuizen mij een reeks vragen, die na alle schrijverijen bijna even gemakkelijk te beantwoorden waren als de openingsvraag aan het zeer geïnteresseerde publiek. Waar doet ‘Hakke Wieke Zole’ u aan denken? Binnen een seconde riep de langste toehoorder, ‘Sleetje rijen’ waarna ik de etymologie mocht proberen te verklaren. Hakken en zolen overtuigden de toehoorders, maar ‘Wieke’ voor wijken kennelijk (nog) niet.

Korte vragen en lange(re) antwoorden (Foto: Rene Wouters)

De vragen van Piet Venhuizen betroffen diverse personen, die in het voorwoord en de columns van het boek genoemd worden: Bronbeker Flip de Fluiter, melkboer Jan Raatman van de Paasberg, burgemeester Chris Matser en filosoof Fons Hermans. Hij vergat onbewust kunstpaus Pierre Jansen, die in het boek ook aan de orde komt, en Ben Overmaat: leraar Nederlands, die in 1949 op het KGL mijn liefde voor het schrijven aanwakkerde. Zijn zoon en naamgenoot meldde zich meteen na de boekpresentatie met het verzoek om een exemplaar te signeren. Dat signeren – voor echte schrijvers wellicht de gewoonste zaak van de wereld – is een aparte belevenis. Vrijwel alle verzoeken om een hand- en dagtekening gaan gepaard met gelukwensen en verhalen, van familie en vrienden, maar ook van mensen, die ik nooit eerder had ontmoet. Stad en omgeving overbruggen afstanden, ook in de tijd.

Signeren: een vak apart. Walter Jansen - eigenaar van het Colofon - geeft de auteur aanwijzingen (Foto: Rene Wouters)
Signeren: een vak apart. Walter Jansen – eigenaar van het Colofon – geeft de auteur aanwijzingen (Foto: Rene Wouters)

Het interview van de (ook spreek-) vaardige Gelderlanderjournalist bood ruimte voor allerlei herinneringen, van de Bedriegertjes bij Kasteel Rosendaal tot aan het optreden in de Buurtrevue op de Paasberg, van de eerste trolleybus tot aan de tweedehands legerfiets, waarmee ik Arnhem verkende. Gerrit Middelbeek en ik hadden trouwens over publiciteit niet te klagen, integendeel. De Arnhemse editie van De Gelderlander ruimde op donderdag 14 april 2016 twee pagina’s in voor een selectie van foto’s uit het boek, met een heldere toelichting; op zaterdag 16 april 2016 gevolgd door het al genoemde interview met de Nijmeegse ‘Ernemmer’, waarin zelfs de Ladder van Lansink en Knotsenburg werden genoemd. Gerrit Middelbeek mocht voor RTV Arnhem  het boek tonen en toelichten, onder meer met verwijzing naar de voor hem meest markante foto: een lange rij fietsers op de Rijnbrug.

Burgemeester Herman Kaiser aan het woord, voor de brede trap van Het Colofon (Foto: Rene Brouwer)
Burgemeester Herman Kaiser aan het woord, voor de brede trap van Het Colofon (Foto: Rene Brouwer)

De gasten van Het Colofon staken hun waardering voor  ‘Arnhem 1950-1960 Beelden van een stad tussen ooit en nu’ niet onder de stoelen en tafels van de verrassend mooie en ruime boekhandel. Tussen ooit en nu: die woorden brengen mij bij de hartelijke toespraak van Herman Kaiser, die de toehoorders verraste met de mededeling, dat een burgemeesterlijke toespraak op zondag – en nog in een winkel ook – een hoge uitzondering was. Maar hij voegde er in een adem aan toe, dat hij voor het boek, de samensteller en in het bijzonder de tekstschrijver graag een uitzondering maakte. Herman Kaiser bleek mij langer te kennen dan ik zelf wist. Hij was een twaalfde deel van zijn leven Nijmegenaar, tijdens zijn studie politicologie, een toen al ‘uitzonderlijk’ verschijnsel. Want een jonge CDA-er in een links bolwerk – de KU in de 70-er jaren – was een ongewoon verschijnsel.

Burgemeester Herman Kaiser met samensteller, tekstschrijver, boek en bloemen (Foto: Rene Wouters)
Burgemeester Herman Kaiser met samensteller, tekstschrijver, boek en bloemen (Foto: Rene Wouters)

Herman Kaiser boeide van het begin tot eind de gasten van Het Colofon met zijn verhaal: een aaneenschakeling van goede en steekhoudende argumenten om ‘Arnhem 1950-1960’ te kopen, in te zien en te lezen – bij voorkeur elke dag enkele pagina’s – en dan door te geven aan vrienden. Andere lezers en kijkers aansporen om het boek aan te schaffen, mocht natuurlijk ook van de burgemeester, die het nulde exemplaar aan het stadsarchief schenkt en het eerste zelf houdt. Want – zo zei hij – het boek met de historische foto’s van o.m. Wim Steffen, Dick Rene en Wim Jacquet en de teksten maken duidelijk, dat Arnhem  door de jaren heen haar aantrekkingskracht heeft behouden. De Arnhemmer, die Nijmegenaar is geworden levert het bewijs. Ik kan dat niet ontkennen. Integendeel. Hoewel de toekomst lonkt, blijft het verleden boeien, aan weerszijden van Rijn en Waal.

 

Ereprijs voor taalvirtuoos Hugo Camps

'Geluk is verdriet dat even uitrust': In gesprek met zichzelf kijkt interviewer en columnist Hugo Camps (72) terug op dertig jaar Elsevier (Bron: Elsevier, 4 maart 2016)
‘Geluk is verdriet dat even uitrust’: In gesprek met zichzelf kijkt interviewer en columnist Hugo Camps (72) terug op dertig jaar Elsevier (Bron: Elsevier, 4 maart 2016)

Een klein bericht in de NRC: Camps wint Jean Nelissen Award. Camps is de Belg Hugo Camps, de befaamde journalist, interviewer en vooral columnist, die al vanaf 1993 elke week zijn taalvirtuositeit ten beste geeft in de NRC. Ik begin de zaterdagkrant steevast met de columns van Youp van ’t Hek, Bas Heijne en Hugo Camps. De volgorde wordt bepaald door de toegankelijkheid: Youp van ’t Hek is te vinden op de achterzijde van de krant, Bas Heijne op pagina twee, en Hugo Camps staat wat verscholen op de sportpagina’s, in het economiekatern. De drie begaafde NRC-columnisten paren inhoud aan zeggingskracht, en vorm aan stijl. Hun observaties zijn vrijwel altijd raak, de stellingen steeds verdedigbaar en de boodschappen niet mis te verstaan. Dat dat geldt voor Youp van ’t Hek en Bas Heijne spreekt bijna vanzelf, voor Hugo Camps wellicht wat minder, omdat zijn columns over sport gaan, in het bijzonder over voetbal en wielrennen. Toch verdient ook Hugo Camps, die via Elsevier – al dertig jaar – en NRC zijn buurlandgenoten bereikt, alle waardering. Elke keer wanneer ik zijn column lees, vraag ik me af hoe hij de fraaie zinnen, bijzondere uitdrukkingen en opvallende woorden vindt. Hij maakt op onnavolgbare wijze de lezer deelgenoot van zijn bewondering of afkeer, van zijn verwondering of twijfel. Hugo Camps verdient voluit de Jean Nelissen Award, de ereprijs met de naam van een van de beste wielerjournalisten, die Nederland ooit gekend heeft.

Knipsel uit NRC - Maandag 11 april 2016
Knipsel uit NRC – Maandag 11 april 2016

De aankondiging van de uitreiking van de ereprijs – op zaterdag 16 april 2016 in Maastricht, aan de vooravond van de Amstel Goldrace – doet mij terugdenken aan een voorval in Amerika, na de uitschakeling van het Nederlands Elftal op het WK Voetbal in 1994. Na de op 9 juli 1994 met 3-2 verloren kwartfinale tegen Brazilië in het Cotton Bowl Stadion in Dallas stond ik in het bijzijn van enkele andere leden van de KNVB-delegatie te praten met Frank Rijkaard. Het was ondanks de nederlaag een ontspannen gesprek met een van de Nederlandse topspelers. Plotseling zei Frank Rijkaard, dat hij moest vertrekken. Achteraf bleek, dat Frank geen zin had in een gesprek met Hugo Camps, die op ons af kwam, kennelijk om hem wat vragen te stellen. Ik kon me Franks terughoudendheid voorstellen, omdat ik zelf enkele maanden eerder door Hugo Camps in Elsevier op de hak was genomen, als de politieke boboo die zich zonodig als sportbestuurder moest manifesteren. Desondanks – of misschien juist daardoor – ben ik door de jaren heen Hugo Camps als journalist en columnist blijven volgen, als liefhebber van zijn taalvirtuositeit, maar ook als bewonderaar van zijn inhoudelijke stellingname.

Premier Dries van Agt bij Tour de France met Zoetemelk (Raleigh) (Foto: Cor Vos ©1981)
Premier Dries van Agt bij Tour de France met Zoetemelk (Raleigh) (Foto: Cor Vos ©1981)

De afstand kennend tussen Hugo Camps en politieke bobo’s is het verrassend, dat Dries van Agt, oud-politicus en in zekere zin een van mijn politieke leermeesters de Jean Nelissen Award aan Hugo Camps uitreikt. Zou de voor- en naliefde van Dries voor het wielrennen betekenen, dat hij voor Hugo Camps geen bobo is? Waardeert de schrijver de oud-premier voor zijn onbetwiste taalvaardigheid? Of zijn er andere redenen, waarom de ontmoeting in Maastricht hartelijk zal uitpakken? Hoe het ook zij: in de wielersport en de taalkunstenarij delen de oud-politicus en de schrijver ongetwijfeld elkaars kwaliteiten. Ik herinner me overigens – bijna als de dag van gisteren – dat ‘amice’ van Agt op de Grote Markt in Nijmegen het startschot loste voor een van de etappes van de Ronde van Nederland. Het was op 14 augustus 1978. Wij konden toen niet vermoeden, dat bijna 38 jaar later diezelfde Grote Markt een voorname rol zou gaan spelen in de Giro d ‘Italia. Wanneer Hugo Camps en Dries van Agt op op 7 mei 2016  – een nu al gedenkwaardige dag – in Nijmegen zijn – wie weet – dan ga ik met hen in Café Goossens op de Grote Markt een ‘pintje vatten’. Of een goed glas wijn. Wie weet?

 

Hakke-Wieke-Zole en Houten Blokken

 (Onbekende fotograaf - Gelders Archief 17136
Waar staat de man met hoed? (Onbekende fotograaf – Gelsers Archief 17136)

De presentatie van ‘Arnhem 1950-1960 – Beelden van een stad tussen ooit en nu’ staat voor de deur. Op zondag 17 april 2016 om 15.00 uur overhandigen samensteller Gerrit Middelbeek en tekstschrijver Ad Lansink in Boekhandel Het Colofon  burgemeester Herman Kaiser het eerste exemplaar. Wie wat bewaart, heeft wat, zo heet het vaak. Dat geldt ook voor het Gelders Archief, waaruit de foto’s van Wim Steffen, Dick Renes, Wilhelmus Jaquet en enkele anonieme fotografen afkomstig zijn. De fraaie, soms zelfs mysterieuze zwart-wit-beelden spreken voor zich, hoewel een topografische aanduiding de kijker enig houvast biedt bij het koppelen van tijd en plaats aan de omstandigheden van vroeger, vandaag en morgen. In de afgelopen zestig jaar heeft ook Arnhem veranderingen ondergaan, zo leren de foto’s uit de jaren van wederopbouw. Maar de beelden tonen ook de verbinding tussen verleden, heden en toekomst.

Fotograaf: Dick Renes - Gelders Archief 17912
Wat doen deze werklieden, en waar? (Fotograaf: Dick Renes – Gelders Archief 17912)

Gerrit Middelbeek vroeg mij in het najaar van 2015 naast een voorwoord een reeks minicolumns te schrijven om de foto’s van een persoonlijk commentaar te voorzien. Dat leek een pittige opgave voor een oud-Arnhemmer, die al meer dan vijf decennia in Nijmegen woont, en intussen vaker de wedstrijden van NEC heeft bezocht dan zijn vader die van Vitesse. Maar bij het bekijken van de indrukwekkende reeks zwart-wit-beelden kwamen de herinneringen aan de schooljaren – de Frater Andreasschool, daarna het Katholiek Gelders Lyceum – weer helemaal terug. Ook de talrijke fietstochten in en om Arnhem boden meer dan genoeg aanknopingspunten voor reflecties op wat in de vijftiger jaren in de stad aan de Rijn te beleven was. De titels van sommige columns – Rijnkade, Willemsplein – maken de lezer meteen wegwijs. Andere titels laten veel, zo niet alles te raden over. Wat te denken van ‘Hakke-Wieke-Zole’, ‘Houten Blokken’ of ‘Een keer wassen is genoeg’?

Fotograaf: Dick Renes - Gelders Archief 7909
Wat richten deze bouwvakkers op? (Fotograaf: Dick Renes – Gelders Archief 7909)

Wie zonder de tekst gelezen te hebben – dus nog voor de boekpresentatie op 17 april 2016 – mij weet te melden, waar deze titels op slaan, verdient een eervolle vermelding. Datzelfde geldt voor de drie foto’s bij dit bericht. Deze, toevallig sterk uiteenlopende foto’s zijn ook opgenomen in ‘Arnhem 1950-1960’ – Beelden van een stad tussen ooit en nu’. Het zijn typerende foto’s, die mij te denken gaven voordat ik kennis had kunnen nemen van de topografische informatie van het Gelders Archief. Actuele aanknopingspunten zijn er wel, maar onvoldoende, omdat de tijd niet stilstaat, en elk mensenleven eindig is. Toch ben ik benieuwd naar de herkenbaarheid van beelden, die uit de naoorlogse geschiedenis van Arnhem niet zijn weg te denken. Wie voor – maar uiteraard ook na – de boekpresentatie wat te melden heeft over de tijd tussen vroeger en later, tussen ooit en nu, weet mij waarschijnlijk wel te vinden.

Rondje Cannenburch (en Maarten van Rossem)

Op weg naar Kateel Cannenburch in Vaassen (Foto: Ad Lansink)
Op weg naar het voorplein van Kasteel Cannenburch in Vaassen (Foto: Ad Lansink)

Wandelen met Pasen: een oude gewoonte kwam tot leven. De winderige maar zonnige Eerste Paasdag bleek een mooie gelegenheid om met het familiedeel, dat op de Veluwe is gehuisvest, naar en om het befaamde optrekje van een nog befaamder Gelderse veldheer te wandelen: Kasteel Cannenburch, een statig slot van drie verdiepingen,  dat Maarten van Rossem in 1543 liet bouwen op de resten van een nog ouder bouwwerk. Volgens oude documenten werd al in 1365 in Vaasen een kasteel, of wat daar voor door mocht gaan, opgetrokken.

Plattegrond Kasteeltuin Cannenburch (Bron: Geldersch Landschap en Kasteelen: www.gkl.nk)
Plattegrond Kasteeltuin Cannenburch (Bron: Geldersch Landschap en Kasteelen: www.glk.nl)

De ‘Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen’ kocht het kasteel in 1951 voor een symbolisch bedrag van de Staat, die het imposante bouwwerk na de oorlog in beslag had genomen. Na het geslacht Isendoorn, familie van veldheer Maarten van Rossem, waren Eduard baron van Lynden en de Duitse schilder Richard Cleve eigenaar van het in verval geraakte kasteel. Cannenburch was het eerste monument van de Stichting Gelders Landschap en Kasteelen, dat voor het publiek werd opengesteld. Tussen 1975 en 1981 werd het kasteel grondig gerestaureerd en opnieuw ingericht.

Ans Lansink kijkt vrolijk maar moet kennelijk niet veel hebben van de onverschrokken veldheer (Foto: Ad Lansink)
Ans Lansink kijkt vrolijk maar moet kennelijk niet veel hebben van de onverschrokken veldheer (Foto: Ad Lansink)

Maarten van Rossem, de krijgshaftige veldheer heet – in brons gegoten – de bezoekers van de fraaie kasteeltuin  welkom, op een bank, die uitnodigt voor een hartelijke ontmoeting met de man, die op talloze plaatsen geschiedenis heeft geschreven. Niet altijd even zachtzinnig, maar dat doet er eeuwen later weinig meer toe. Hij vocht voor Karel van Egmont en Willem van Gulik,  Berg en Dal en Kleef – hertogen van Gelderland –  in hun strijd tegen keizer Karel V om de onafhankelijkheid van Gelderland.

Detail Duivelshuis in Arnhem (Fotograaf onbekend - Gelders Archief nr 698)
Detail Duivelshuis in Arnhem (Fotograaf onbekend – Gelders Archief nr 698)

Maarten van Rossem kon bogen op heel wat wapenfeiten, waaronder de verovering van Arnhem en Rhenen. Hij kende krijgslisten en wist hoe hij moest plunderen. Dat opportunisme hem niet vreemd was, bleek uit de overgang naar zijn oude vijand. Na de ondergang van het Hertogdom Gelre vocht hij de laatste jaren van zijn leven in dienst van keizer Karel V tegen Frankrijk. Maarten van Rossem heeft niet lang van zijn slot kunnen genieten. Hij overleed in 1555 na besmet te zijn geraakt met de pest. Ook in Arnhem herinnert een bijzonder bouwwerk aan Maarten van Rossum: het Duivelshuis. De vraag of de duivel het markante pand voor het oorlogsgeweld van 1944 had behoed, kon mijn vader in 1947 niet beantwoorden. Later leerde ik, dat het bouwwerk zijn naam dankt aan de saterbeelden op de gevel.

Wel 'lieverdjes' : Femke Nijhuis en Amy en Vera Bolck voor de oude watermolen (Foto Ad Lansink)
Wel ‘lieverdjes’ : Femke Nijhuis en Amy en Vera Bolck voor de oude watermolen (Foto Ad Lansink)

Dat Maarten van Rossum, die het huis had laten bouwen, geen lieverdje was zou bevestiging vinden in de naam van het Duivelshuis. Het woord ‘duivel’ zou slaan op het karakter en de vechtlust van Maarten, die zelfs in Den Haag uit stelen was geweest. Het op strooptochten ‘verdiende’ geld gaf hij uit aan beeldhouwers en andere ambachtslieden. Het verhaal gaat, dat hij als tegenwicht tegen de Eusebiuskerk de kunstenaars opdroeg  de gevel op te sieren met saters. Dat verhaal zou geloofwaardig zijn, ware het niet, dat sommige onderzoekers in de beelden historische figuren ontdekten. Het Duivelshuis blijft even mooi als mysterieus, zij het onvergelijkbaar met Maarten’s  kasteel in Vaassens.

Deel van de Slingervijver: op de achtergrond Kasteel Cannenburch (Foto: Ad Lansink)
Deel van de Slingervijver: op de achtergrond Kasteel Cannenburch (Foto: Ad Lansink)

Terug naar Kasteel de Cannenburch en de uitgestrekte kasteeltuin, die een bezoek meer dan waard is. Het imposante bouwwerk met de even fraaie bijgebouwen markeert de grandeur van de 16e eeuw. Maarten van Rossum bracht de stijl van de renaissance naar Gelderland,  door het beeldhouwwerk aan de gevel, maar ook door het aanbrengen van frontons: bekroning boven ingangen en vensters. De torenspitsen van het kasteel geven het bouwwerk een aparte uitstraling. Dat geldt ook voor de kasteeltuin, die ongetwijfeld van kleur verschiet in de vier jaargetijden.

'Bolcken' op de terugweg: vader, zoon, echtgenote en tante (Foto: Bert Jan Nijhuis)
‘Bolcken’ op de terugweg: vader, zoon, echtgenote en tante (Foto: Bert Jan Nijhuis)

De Paaswandelaars van 2016 zagen nog geen uitbundige kleuren. De lente deed zich nog niet voelen.  Het ontbreken van groen gebladerte maakte wel de spanning tussen de rechte lijnen van het park en de contouren van de slingervijver zichtbaar.  Een tastbare herinnering aan de gloriejaren van het 24 ha grote landgoed met zijn natuurlijke beken en hand gegraven sprengen is de enige watermolen, die is overgebleven van de twintig exemplaren in de naaste omgeving van het kasteel. De eenvoudige watermolen is – naast het indrukwekkende voorplein van Kasteel Cannenburch – een mooie achtergrond voor bezoekers, die willen weten enkele uren op een historische plaats vertoefd te hebben.

DSC03307
Het Kersendijkje bij Kasteel Cannenburch in Vaassen (Foto: Bert Jan Nijhuis)

Op de terugweg rest de tocht door het befaamde Kersendijkje, hooguit twee honderd meter lang (of kort, natuurlijk) maar karakteristiek voor Vaassen en haar bijzondere kasteel: het tijdelijk huis van een  bijzondere man. Maarten van Rossem was – als geschreven – geen lieverdje, maar heeft naast zijn naam en de talloze verhalen over zijn belevenissen fraaie bouwwerken nagelaten.

Met dank aan Geldersch Landschap en Kasteelen, en aan Maarten van Rossem (Foto: Bert Jan Nijhuis)
Met dank aan Geldersch Landschap en Kasteelen, en aan Maarten van Rossem (Foto: Bert Jan Nijhuis)

Wie meer wil weten over het boeiende leven van krijgs-, veld- en bouwheer Maarten van Rossem verwijs ik graag naar deel V van het Biografisch Woordenboek Gelderland, waarin Jan Kuys het een en ander heeft opgetekend over de vroegste bewoner van Kasteel Cannenburch. De auteur tekent daar wel bij aan:  ‘Ondanks zijn grote bekendheid in heden en verleden weten we weinig over de persoon van van Rossem. Persoonlijke documenten of getuigenissen over zijn persoonlijkheid zijn vrijwel niet bewaard gebleven. Geschriften heeft hij niet nagelaten’. Bouwwerken dus wel, gelukkig maar.

 

 

 

 

 

 

 

In gedachten terug naar Arnhem

Zicht op Rijn en Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij - Op de voorgrond Trans en Weerdjesstraat - (GA 7949, Dick Renes)
Arnhemse Stoomsleephellinv Maatschappij, in 1964 gefotografeerd vanaf de Eusebiustoren – Op de voorgrond Trans en Weerdjesstraat – (GA 7949, Dick Renes)

Zou dat kunnen: in gedachten terug naar Arnhem, waar ik in 1934 zoals dat heet het levenslicht zag? Kon ik daar al weten, dat ik het grootste deel van mijn leven in Nijmegen zou wonen: de stad die in veel opzichten de tegenpool van het Gelderse Haagje lijkt. Of zelfs is. Het antwoord op de eerste vraag is achteraf bevestigend. In gedachten terug naar Arnhem: dat kan, in werkelijkheid trouwens ook, want de afstand tussen de door twee rivieren gescheiden stadscentra is op allerlei manieren, zelfs te voet of met de fiets, te overbruggen. Als het moet ook snel, met bus, auto of trein. In mijn 25 Arnhemse jaren – van 1934 tot 1959 – kon ik niet voorzien, dat ik na het afstuderen in Utrecht meteen in Nijmegen terecht zou komen, en daar ook zou blijven wonen tot op de dag van vandaag.

Trolleybus 103 op lijn 1 Arnhem - Oosterbeek (GA 7449 - Fotograaf onbekend)
Trolleybus 103 op lijn 1 van Arnhem naar Oosterbeek, 1963 (GA 7449 – Fotograaf onbekend)

Waarom deze woorden? Wel: enkele maanden geleden vertelde uitgever Gerrit Middelbeek mij, dat hij –  gestimuleerd door het succes van het fotoboek ‘Nijmegen 1950-1960: Beelden van een stad tussen ooit en nu’ met teksten van Thomas Verbogt en Jan Roelofs – ook de wederopbouw van Arnhem in beeld wilde brengen. Hij zocht een auteur voor het voorwoord en de tekstgedeelten, en herinnerde zich mijn komaf. ‘Volgens mij heb je in die jaren van wederopbouw in Arnhem op school gezeten’, zei hij. ‘Bovendien kun je redelijk schrijven. Wil je nadenken over mijn vraag?’ Dat wilde ik wel, op voorwaarde dat ik pas hoefde te antwoorden nadat ik zijn selectie van foto’s uit het Gelders Archief had gezien. Arnhem was nooit uit mijn gezichtsveld geraakt, letterlijk noch figuurlijk. Maar herinneringen koppelen aan oude beelden zonder in fictie te vervallen: dat leek me toch een pittige opgave.

Tin gieten bij Milliton : Hollandse Metallurgische Bedrijven, 1949 (GA 17882, Dick Renes)
Tin gieten bij Billiton – Hollandse Metallurgische Bedrijven (GA 17882, Dick Renes)

Op een herfstige dag troffen we elkaar in Druten achter zijn computerscherm, waar de uit het Gelders Archief afkomstige foto’s van Steffen, Renes en Jaquet goed tot hun recht kwamen. Arnhem kwam voor mij weer tot leven, ook al waren  ruim 60 jaren voorbijgegaan. De Markt, de singels,  Velper- en Willemsplein, de Rijnkade, AKU en Billiton, Klarendal, Lombok, Geitenkamp, Sonsbeek en niet te vergeten de trolleybus: allemaal aanknopingspunten voor herinneringen aan de jaren van de Arnhemse wederopbouw, en aan de tijd, die aan het herstel van de gedeeltelijk verwoeste stad voorafging. Ik had de oorlog en de evacuatie in 1944 bewust beleefd. De Slag om Arnhem was in mijn geheugen  gegrift. Het verzoek om naast enkele columns bij de zwart-wit beelden ook een voorwoord te schrijven bood mij de ruimte om de wederopbouw in een historische en tegelijk persoonlijke context te plaatsen: ‘Van vroeger naar later’, een beschouwing van de onvoorspelbare weg tussen ooit en nu.

Bedrijvigheid op de Korenmarkt, 1955 (GA 6427 - Fotograaf onbekend)
Bedrijvigheid op de Korenmarkt, Arnhem, 1955
(GA 6427 – Fotograaf onbekend)

In gedachten terug naar Arnhem: dat kon dus. Toch ben ik enkele keren weer naar Arnhem gegaan om de persoonlijke herinneringen te verbinden aan vandaag en hopelijk morgen. Arnhem heeft in de afgelopen jaren veel veranderingen ondergaan. Maar ontegenzeggelijk is in de goede zin van het woord ook veel bij het oude gebleven. De Geitenkamp en de Paasberg – de wijken van mijn jeugd – zijn nauwelijks veranderd. Datzelfde geldt voor Klarendal en Lombok en aardig wat andere plaatsen. Dat desondanks de tijd niet heeft stilgestaan, blijkt uit het fotoboek ‘Arnhem 1950 – 1960 Beelden van een stad tussen ooit en nu’, dat Gerrit Middelbeek met veel zorg heeft samengesteld. Ik heb met veel genoegen een reeks herinneringen opgetekend, een aanvulling op de fraaie foto’s die vrijwel zonder uitzondering voor zichzelf spreken.

Omslag Arnhem 1950 - 1960 Beelden van een stad tussen ooit en nu (BnM Uitgevers, 2016)
Omslag Arnhem 1950 – 1960 Beelden van een stad tussen ooit en nu (BnM Uitgevers, 2016)

Op de as van vroeger naar later veranderen de tijden, en met de tijden de mensen en – soms, niet altijd – hun omgeving. Het nu van vandaag is morgen al weer geschiedenis zoals de jaren 1950 tot 1960 geschiedenis zijn voor mensen, die de jaren van de Arnhemse wederopbouw hebben meegemaakt. Zij zien waarschijnlijk met gepaste trots maar ook met weemoed terug op die ‘naoorlogse’ jaren, waarin de stad aan de Rijn de grondslag legde voor de tijd van nu. Met Gerrit Middelbeek van BNM-Uitgevers zal ik op zondag 17 april 2016 ‘Arnhem 1950 – 1960 Beelden van een stad tussen ooit en nu’ presenteren in Boekhandel Het Colofon, Bakkerstraat 56 in Arnhem, een van de straten, waar ik vroeger al op zoek was naar boeken en oude kaarten.