Categorie archief: Nijmegen

Groenewoud, terug naar de jaren 60

1961: Vierde flatgebouw aan de Jan Willem Passtraat met zicht op Valkenburgseweg

De organisatoren van de traditionele Buurtdag in Groenewoud hadden de bewoners gevraagd even terug te kijken naar de jaren zestig, meer dan een halve eeuw geleden, toen de wijk tussen de spoorlijn Nijmegen-Venlo en de Groesbeekseseweg pas korte tijd bestond.  Het toeval wil, dat ons Nijmeegse leven eind 1960 begon in de Jan Willem Passtraat. We betrokken daar de laatste van de vier flats. Vanuit ons appartement op de tweede woonlaag keken we uit op de spoorlijn naar Kleef en Venlo en op nieuwbouw van de Faculteit Wis- en Natuurkunde. Via het grote zijraam zagen we in de verte de Nebo en het Park Brakkestein.

2017: Flatgebouw Jan Willem Passtraat

Die toen redelijk moderne flatgebouwen maken nog altijd deel uit van het gevarieerde woningbestand van wat destijds Plan Groenewoud heette. Het woord plan is verdwenen net zo ls de eenden-fokkerij in de wat vreemde hoek tussen de Jan Willem Passtraat en de Heyendaalseweg. De ruim bemeten boerderij heeft plaats gemaakt voor het grote SSH&-complex Hoogeveld, dat in de loop van de jaren duizenden studenten moet hebben gehuisvest. Het Albertinum staat nog altijd recht overeind, hoewel de Dominicanen al jaren geleden hun fraaie kloostercomplex hebben verkocht en verlaten, in ruil voor een gemengde bestemming van woningen, bedrijven, collegezalen, tot een kinderdagverblijf toe.

1961: Slingerweg tussen Jan Willempasstraat en Driehuizerweg; op de achtergrond de oude brug over het spoor

Die eerste Nijmeegse jaren staan – ondanks de verhuizing naar Brakkestein in 1964 – nog altijd in ons geheugen gegrift. Het kostte Ans Lansink-van Dam dan ook weinig moeite om enkele herinneringen aan Groenewoud in de zestiger jaren op te halen en op te schrijven. De zoektocht naar foto’s leverde evenmin veel problemen op, zij het dat de kwaliteit van de zwart-wit-beelden te wensen overlaat. Kleurenfilm kwam pas later in zwang, evenals betaalbare fototoestellen, waarmee serieuze opnamen konden worden gemaakt. Een Agfa Clack en een Werra: dat waren de eerste apparaten, waarmee we af en toe wat probeerden vast te leggen.

2017: Oude noch nieuwe brug over het spoor zichtbaar, wel winkelwagens voor SSH&-complex: superbe vorm van zwerfvuil

Toen we in begin 1981 na een verblijf van ruim zestien jaar in de Schepenenstraat in Brakkestein terugkeerden naar Groenewoud, was er behalve de komst van enkele puntdaken in de wijk zelf niet veel veranderd. Het stratenpatroon was ongewijzigd. Alleen de zandweg langs de grote tuin van het Albertinum was veranderd in een geasfalteerde weg: de Willem Schiffstraat, waar wij het huis op de uiterste punt van de wijk, vlak naast de vroegere PABO zijn gaan bewonen. Daar wonen we nog steeds, inmiddels aanzienlijk langer dan de Familie Jansen, die het huis in 1968 hadden laten bouwen.

1961: Winters beeld van de spoorlijn naar Kleef en Venlo

Tussen 1981 en 2017 veranderde er wel het een en ander.  Het aantal puntdaken aan de Van Haapsstraat en de zijstraten nam toe. Het SSH&-complex langs de spoorlijn ontnam het zicht op het noordelijke deel van Groenewoud. De spoorverbinding  naar Kleef werd vrijwel onmogelijk door het wegnemen van de rails. Het groen langs de spoorlijn ontnam voetgangers en wandelaars het zicht op het Park Brakkestein. De bewoners moeten het nu doen met het geluid van incidentele festivals in het park.

2017: Wat overeind bleef: de oude werkplaats, nu UBC Mercator

Herinneringen ophalen blijft een dankbare opgave, ook wanneer het de gebouwde omgeving betreft. Nijmegen onderging sinds de 60-er jaren grote veranderingen. De wijken aan de overzijde van het Maas Waal Kanaal kwamen tot ontwikkeling, en de Waalsprong lukte in meer opzichten, met de Spiegelwaal en een reeks bruggen als een in de 70-er jaren nog onverwachte toegift. Groenewoud bleef zichzelf maar zag wel hoe aan de overzijde van de spoorlijn de Radboud Universiteit een steeds grotere en veelal ook fraai ingerichte ruimte ging beslaan, tot en met het vroegere Berchmanianum. De bewoners van dat bolwerk van de Jezuïeten zijn nu de buren van de Brakkesteinse Sacramentijnen. Een goede buur is beter dan een verre vriend. Waarmee de cirkel naar de Buurtdag rond is.

 

 

Een bijzondere verjaardag

Sophie op 24 augustus 2017

Het nuttige met het aangename verenigen: het positieve gezegde is alom bekend, maar wordt tegenwoordig niet vaak meer gehoord. Nuttig en aangenaam: is dat werk naast vermaak, of rust naast inspanning?  De tweeslag nuttig en aangenaam overkwam mij toen ontwerpster Sophie van Kempen, bezig met de boekverzorging van Challenging Changes Connecting Waste Hierarchy and Circular Economy terloops meldde, dat zij op haar verjaardag verder wilde werken aan het boek, dat ons al maanden bezighoudt. Nu we toe zijn aan het opmaken van het definitieve manuscript, werkt een gezamenlijke aanpak achter (of voor) de computerschermen sneller en beter dan mailwisselingen en telefoongesprekken. Bovendien: vier ogen zien meer dan twee.

Nijmeegse Vla van Bakkerij Strik

Trouwens: de onverbiddelijke deadline nadert sneller dan verwacht: alle reden dus om enkele dagen stevig door te pakken. Mijn aanbod om voor gebak te zorgen, wees Sophie van de hand want – zei ze vriendelijk maar met veel nadruk – de jarige trakteert. De niet (maar wel goed-) gemutste boekverzorgster kwam dus aanzetten met een wat groot uitgevallen Nijmeegse Vlaai, die zij vervolgens zelf ging aansnijden. Het aangename – koffie en gebak – ging vooraf aan het nuttige: samen werken aan Challenging Changes: een nauwgezet karwei, dat vanwege de Engelse taal en de figuren, schema’s, tabellen en foto’s alle aandacht vraagt, zelfs op een buitengaatse gevierde verjaardag.

Ans Lansink bewondert het snijden van de vla

Het onderwerp van het boek – de relatie tussen de Ladder van Lansink en de circulaire economie – kent heel wat aspecten. Dat verklaart de pittige omvang van Challenging Changes: 52 paragrafen, verdeeld over 9 hoofdstukken. Voeg daarbij de zeven interviews met befaamde insiders, plus de uitvoerige begrippenlijst – Glossary geheten – en duidelijk wordt, dat de omvang van het boek dichter bij 400 dan bij 350 pagina’s zal uitkomen. Intussen wegen de laatste loodjes zwaarder dan schrijver en boekverzorgster aanvankelijk dachten. Passen en meten, nakijken en corrigeren: het kost allemaal tijd, net zoals de beeldredactie en de definitieve opmaak. Dat het boek onder vaardige handen van Sophie van Kempen met uur en dag vordert, blijkt een gedeelde opsteker, zelfs op dagen waarop het buiten beter toeven is dan op atelier of werkkamer.

Sophie schiet een Selfie: Ans kijkt toe

Over drie weken geven we het printklare manuscript via een eenvoudig ‘sticky’ uit handen, nadat een kleine week besteed is aan de eindredactie van de drukproef. De drukker en de binder gaan dan definitief aan de slag om de volledige productie van de boeken – naar verwachting 4000 exemplaren – op tijd te kunnen afleveren. De boekpresentatie vindt plaats op 11 october 2017 in het gebouw van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland in Brussel. Het ziet ernaar uit, dat ik de eerste boeken mag overhandigen aan Frans Timmermans, vice-president van de Europese Commissie en aan Harriet Tiemens, wethouder van Nijmegen, de Green Capital Europe van 2018. Zij overbruggen letterlijk en figuurlijk de afstand tussen Nijmegen en Europa met de Ladder van Lansink. Wie had dat in 1979 gedacht?

En nog een, want Ad wil ook wel vastgelegd worden

Ongetwijfeld wordt ook in Brussel het nuttige met het aangename verenigd, wanneer de gasten van de boekpresentatie ervaren hebben, wat schrijver en boekverzorgster in de afgelopen maanden hebben gedaan, naar vorm en inhoud. Het was een hele klus, maar ook een mooie opgave, dankzij de voortdurende steun en stimulansen van Jan Storm, de man die mij na een werkbezoek aan AVR (Rotterdam) – halverwege 2015 –  aan het schrijven zette. Twee jaar later is Challenging Changes een feit. Waarschijnlijk kijken Sophie van Kempen en Ad Lansink dan even voldaan als tijdens een korte pauze in hun werk op een in meer opzichten bijzondere verjaardag.

Voorbij de littekens

Hoofdingang RadboudUMC: de plaats waar de spannende maanden begonnen

Terugblik op een spannend begin van 2017 met een onverwachte samenloop van gebeurtenissen

Rond de jaarwisseling verwachtte ik een spannend 2017. De vraag of na ‘brexit’ en ‘Trump’ de verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Duitsland ook onverwachte uitslagen zouden opleveren hield me bezig, Ook vroeg ik me af of NEC zich – al dan niet met moeite –  in de Eredivisie zou handhaven.  Zelf ging ik een spannend jaar tegemoet met de publicatie van Challenging Changes – Connecting Waste Hierarchy and Circular Economy. Halverwege 2015 was ik op aansporing van Jan Storm, oud-directeur van Nedvang, nu voorzitter van Wecycle en president-commissaris van de Dar, begonnen aan het boek over de relatie tussen de Ladder van Lansink en de circulaire economie. Bij een gezamenlijk werkbezoek aan AVR in Rotterdam wist de enthousiaste gangmaker mij te overtuigen van het nut van een inhoudelijke, Engelstalige follow up van ‘De Kracht van de Kringloop’. Hij boorde financieringsbronnen aan, en regelde ook een ‘editorial board’, die mij met raad en daad terzijde zou staan. Tegen het einde van 2016 was het manuscript grotendeels klaar, inclusief interviews met insiders als Eurocommissaris Karmenu Vella, Eunomia CEO Dominic Hogg en ISWA-chairman Antonis Mavropoulos. Het eerste kwartaal van 2017 had ik gereserveerd voor schema’s, afbeeldingen, tabellen en eindredactie, plus de controle van de vertaling. Vormgeefster Sophie van Kempen was intussen begonnen aan de lay out en de vormgeving van schema’s en figuren.

De man van de Ladder met schaatskampioenen op de voorpagina van de Gelderlander – 13 februari 2017

Het werk aan Challenging Changes vorderde zo goed, dat ik soms wat losliet over mijn poging om afvalhiërarchie en circulaire economie –  al enige tijd trending topic – met elkaar te verbinden. De Gelderlander zag plotseling aanknopingspunten voor een artikel over de intussen bijna veertig jaar oude Ladder van Lansink. Ik stemde toe. Enige publiciteit leek van belang, ook omdat de gemeente Nijmegen en de DAR meewerken aan het project, financieel en inhoudelijk via een interview met wethouder Harriet Tiemens en Dar-topman Pieter Balth Linders. Toevallig vond het gesprek met de Gelderlander plaats, kort voor mijn bezoek aan Dr Camaro, interventie-cardioloog van UMC Radboud. De huisarts had mij naar hem verwezen vanwege aanhoudende hoge bloeddruk en forse borstpijn na pittige inspanningen. Op de dag waarop ik te horen kreeg, dat hartkatheterisatie noodzakelijk was, stuurde Sjors Molenaar mij de foutloze tekst van zijn interview voor De Gelderlander. En een dag voor duidelijk werd, dat ik met spoed een open-hart-operatie moest ondergaan, verscheen het uitgebreide verhaal over de Ladder van Lansink in de krant, met een aankondiging op de voorpagina. Geen wonder dus, dat een verpleegkundige van de afdeling hartkatheterisatie kort voor het onderzoek zei: kijk nou eens wie we op de afdeling hebben.

Leven als nooit tevoren: dat was nog maar de vraag, vlak voor de hartkatheterisatie op 14 februari 2017. In het interview de eerste aankondiging van ‘Challenging Changes’, het boek dat in het najaar van 2017 verschijnt

De uitkomst van de hartkatheterisatie was duidelijk. Een dotterbehandeling was te riskant. Om verder onheil te voorkomen was een snelle bypassoperatie noodzakelijk. Na een angstige avond en nacht op de afdeling hartbewaking was het zover: een operatie, waar ik vaak over had gehoord, zou ik zelf ‘aan den lijve’ meemaken. De verzekering van de cardiochirurg, dat in het overgrote deel van de gevallen de ingreep slaagt, gaf mij voldoende vertrouwen in een goede afloop. Achteraf is de operatie mij geweldig meegevallen. De nachtelijke uren op de intensive care vlogen voorbij, ook al hield pijn mij uit de slaap. De regelmatige controles, de toediening van medicijnen en de maaltijden vormden een dankbare afwisseling in het rustige post-operatie-ritme. Na de overbrenging naar de verpleegafdeling veranderde eigenlijk weinig, behalve dan de kennismaking met patiënten, die al eerder geopereerd waren. Opnieuw begon een verpleegster over het interview in De Gelderlander. De gedwongen rugligging viel niet mee, de pijn wel dankzij de toediening van pijnstillers. Toen eenmaal drains, infuus en urinekatheter verwijderd waren, werd het verblijf in het ziekenhuis nog dragelijker, ook dankzij de voortreffelijke inzet van de verpleegkundigen, die dag en nacht klaar staan voor hun patiënten.

Welkomstboeketten van de buren, Ds Visscherfonds, Energiepoort, Prinsenconvent, Volvo Nijmegen, Familie,  Editorial Board Challenging Changes en Nijmeegs Ondernemerscafe als teken aan betrokkenheid en meeleven.

Drie dagen na de operatie kon ik al zelfstandig douchen, met moeite maar toch. De maaltijden gingen steeds beter smaken.  De bezoekers – die tussen 15 en 20 uur welkom waren – troffen op de afdeling cardiochirurgie patiënten, die zonder uitzondering uitkeken naar de dag waarop zij naar huis of naar hun eigen ziekenhuis – Rijnstate in Arnhem of CWZ in Nijmegen – mochten terugkeren. Dat gold ook voor mij: precies zes volle dagen na de operatie werd ik ontslagen, gewapend met een medicijnenpaspoort en een recente hartfilm. De fysiotherapeut had al vastgesteld, dat traplopen weer mogelijk was. De artsen, aan wie ik was toevertrouwd – interventiecardioloog dokter Camaro en cardiochirurg doctor Geuzebroek – hadden mij intussen bezocht en teruggekeken op de geslaagde katheterisatie en omleidingsoperatie. Voortgeduwd door echtgenote Ans bracht een verrijdbare stoel mij naar de hoofdingang van het RadboudUMC. Boekontwerpster Sophie van Kempen, die op de middag van het ontslag op ziekenbezoek kwam reed mij naar huis, waar net het eerste boeket werd afgeleverd. Een week na de katheterisatie, waarmee de onverwachte ziekenhuisopname begon, was ik weer thuis. Dat ik een week later een vijftal uren op de Spoedeisende Hulp zou belanden, was even onverwacht als de toename van de pijn na de thuiskomst.

RadboudUMC op Dekkerswald: de plek van de hartrevalidatie

Pijnstillers bleven noodzakelijk, naast de medicijnen die voortaan tot het vaste inname-ritueel behoren. Met de woorden ‘eenmaal hartpatiënt, altijd hartpatiënt’ valt natuurlijk te leven, zeker waar de forse ingreep ook een ‘wake up call’ was. De zichtbare littekens op de borst en het rechterbeen herinneren voortaan aan de geslaagde ingreep. Ik bewaar ook goede herinneringen aan het verblijf in het RadboudUMC, aan de voortreffelijke zorg van staf en verpleging van de afdelingen cardiologie en cardiochirurgie en aan familieleden, vrienden en kennissen, die mij letterlijk en figuurlijk een hart onder de riem hebben gestoken. Het oude hart is vernieuwd, met hergebruik van eigen lichaamsmateriaal. Met dat begrip is ook de cirkel naar ‘Challenging Changes’ weer rond. De dag voor het ontslag kwam ik op de gang Fred Bouman tegen, ook achter een rollator. ‘Pas nog in de krant’, zei hij verbaasd, ‘en nu hier’. Tijdens de hartrevalidatie-middagen op Dekkerswald – tot eind mei ben ik daar bezig – ontmoeten we elkaar opnieuw. Een paar dagen geleden kwam de Ladder van Lansink toevallig weer ter sprake. Ook die cirkel was dus rond. Ik kon Fred en de andere, even sympathieke lotgenoten van de hartrevalidatie melden, dat de publicatie van ‘Challenging Changes’ doorgaat, in het najaar van 2017: een jaar met onverwachte gebeurtenissen. En de andere potentiele littekens: de Tweede Kamerverkiezingen vielen mee, Frankrijk koos voor Europa, en NEC blijft voorlopig in de Eredivisie. 

 

NEC-trainer Peter Hyballa: Op en top betrokkenheid

Peter Hyballa praat op Kerstmarkt in Kleef met Gerard Borgman (Foto: Bert Beelen)

De krant kun je niet missen, geen dag. Gevleugelde woorden, waaraan ik de laatste tijd ging twijfelen, nu de lezers overspoeld worden met staaltjes van burgerjournalistiek zonder feitenkennis en diepgang. De kranten, die dagelijks mijn brievenbus binnenglijden, worden ook een last omdat lezen tijd kost. Maar gelukkig zijn er dagen, waarop de dagbladen – de Gelderlander maar ook NRC en Trouw – mij raken en bezighouden of mijn nieuwsgierigheid voeden. Op Kerstavond, bij voorbeeld: las ik in de Gelderlander het mooie interview van Gerard Borgman met NEC-trainer Peter Hyballa. De koppenmaker voegt in groene letters ‘kleurrijk en authentiek’ toe aan de op zich al fraaie naam van de enthousiaste voetbalcoach, die in en buiten Nijmegen talloze harten heeft gestolen. De doorgaans kritische fans dragen hem op handen, als ze tenminste de kans krijgen. Want na de wedstrijd spoedt Peter zich naar zijn spelers, waarmee hij in allerijl een cirkel vormt. Wat daar wordt gezegd, blijft verborgen. De voettocht langs de Goffert-tribunes laat de meestal in het zwart gehulde trainer aan de selectie over.

Peter Hyballa bij de presentatie als nieuw trainer van NEC in de zomer van 2016 (Bron: NEC-Archief)

Peter Hyballa, een betrokken en bevlogen coach, die binnen een half jaar een hechte eenheid heeft gesmeed van wat ook wel het Nijmeegse vreemdelingenlegioen wordt genoemd. De spelers – met sterkhouders als Joris Delle, Gregor Breinburg, Julian von Haacke en Dario Dumic – kunnen erover meepraten, net zo als de ‘jonge jongens’ Ferdi Kardioglu en Jay-Roy Grot. Zij doen dat ook voor de camera’s van Fox Sport, Omroep Gelderland, N1 of NEC TV, de media, die fans en outsiders – zelf ben ik een kruising tussen die twee groepen – in staat stellen om naar de welbespraakte trainer te luisteren. Op alle vragen heeft hij een passend antwoord, soms na wat nadenken, soms ook meteen in een woordenstroom, die zijn bevlogenheid illustreert. Duitse woorden voegen zich met het grootste gemak in de taal, die zijn Rotterdamse moeder hem heeft bijgebracht. Van zijn Duitse vader, theoloog en predikant, heeft hij de diepgang meegekregen. Want Peter Hyballa mag dan in de breedte van het leven voetbal uitstralen, diepte kent hij ook getuige zijn geloof in een leven na de dood, overigens ‘niet zo mooi en goed als hier’. Even verder: ‘Er is wat. Of dat God is? Absoluut’.

Peter Hyballa met de selectie van NEC na het vieren van een overwinning (Bron: FC Update)

Terug naar de Goffert en voetbal, zijn lust en zijn leven. Wanneer ik vanaf de tribune Peter Hylballa zie coachen, druk gebarend, aanwijzingen gevend, spelers toesprekend, meelevend met kansen, doelpunten maar ook met missers en teleurstellingen, dan voel ik wat betrokkenheid en enthousiasme teweeg kunnen brengen. Maar de bevlogen coach weet ook wat relativeren is. Even gas terugnemen om het betrekkelijke van zijn eigen typering – rechtvaardigheidsfanatiekeling noemt hij zichzelf – in te zien. Wie hem heeft gevolgd, zal het met mij eens zijn: Peter Hyballa is een man, die op en top betrokkenheid uitstraalt. Hij is een inspirerend coach, die geen blad voor de mond neemt. Duitsland vindt hij ‘een beetje’ te hiërarchisch, Nederland ‘eigenlijk’ te anarchistisch, om het antwoord op de vraag van Gerard Borgman naar het verschil tussen de buurlanden te besluiten met: ‘In Duitsland duurt een discussie twee minuten. Hier twee weken.’ Trouw noemde Peter Hyballa de ‘Simeone van Nijmegen’, een begrijpelijke metafoor. Ik houd liever vast aan de kop van mijn lijfblad: kleurrijk en (vooral) authentiek, met een tomeloze betrokkenheid. Hopelijk blijft hij NEC voorlopig trouw.

Max de Bok (1933-2016) : betrokken en bevlogen journalist

Max de Bok voor zijn 'tweede thuishaven' Bron: Website NVJ, foto: Henk Schaaf
Max de Bok voor zijn ‘tweede thuishaven’ (Bron: Website NVJ, foto: Henk Schaaf)

Rondtrekkend door Frankrijk overviel mij het overlijdensbericht van Max de Bok. Van Harrie Janssen, zijn oud-collega bij De Gelderlander, had ik eerder gehoord dat Max ernstig ziek was. Maar zijn overlijden kwam voor mij toch onverwacht. De uitvaart uit zijn geliefde Nieuwspoort kon ik niet bijwonen, een kaars opsteken in een Franse kathedraal wel. Zijn heengaan liet mij in de dagen rond het afscheid in wat vanaf de jaren zestig zijn tweede thuis was niet los. Steeds moet ik denken aan de betrokken en bevlogen journalist, die in mijn Binnenhofse jaren een vriend werd. Max had weliswaar al vroeg afscheid genomen van katholieke verleden. En van de KVP en later het CDA moest hij ook niet veel hebben. Hij had door wat hij in zijn jeugd had meegemaakt – het ontslag van zijn vader bij Kwatta – meer oog en oor voor de PvdA en voor linkse gangmakers als Willem Drees, Joop den Uil en Wim Kok. Toch had hij ook waardering voor het werk van CDA-ers als Ruud Lubbers en Jan de Koning. Zijn scherpe columns in De Gelderlander leerden elke week, dat zijn politieke voorkeur hem niet belemmerde in zijn functie als onbevangen en onafhankelijk politiek journalist. Terecht ontving hij als eerste parlementaire redacteur uit de regio in 1984 de Anne Vondelingprijs. Zelf bewaar ik ondanks de politieke verschillen van mening alleen maar goede en vooral fijne herinneringen aan de man, die niet allen voor collega-journalisten maar ook voor politici een goede leermeester was.

Max de Bok, pater familias van de Haagse journalistiek, rechts met een glas bij PvdA leider Joop den Uyl Bron: NRC, Illustratie bij 'Hij was er al bij toen kabinet-Drees viel, door Mark Kranenburg (NRC, 20-08-2016)
Max de Bok, pater familias van de Haagse journalistiek, rechts met een glas bij PvdA leider Joop den Uyl (Bron: NRC, Illustratie bij ‘Hij was er al bij toen kabinet-Drees viel, door Mark Kranenburg – NRC, 20-08-2016)

Max kende het Binnenhof en zijn vaak tijdelijke bewoners al heel wat jaren, voordat ik op 3 juni 1977 beëdigd werd tot lid van de Tweede Kamer. Overigens had ik Max daarvoor al leren kennen. Na een bezoek aan hoofdredacteur Louis Frequin, ging hij met zijn collega’s steevast enkele pilsjes drinken in de City Bar, in Nijmegen toen bekend als het ‘Bijkantoor van de Gelderlander’.  Ik was in die bruine kroeg van uitbater Jo Samson in 1972 terecht gekomen na een carnavalsavond in de Benedenstad. De aansporing van Marie Jose Ceulemans, Frequins secretaresse, om vaker op vrijdagmiddag naar de City Bar te komen leidde tot de eerste ontmoetingen met Max de Bok: de journalist tegen wie ik opkeek, niet alleen omdat hij uit het toen nog verre den Haag kwam, maar ook omdat hij in zijn uitstekende bijdragen eenvoudige krantenlezers goed informeerde over het wel en wee onder en buiten de Haagse kaasstolp. Dankzij Max de Bok werd ook de afstand tot de overige Audet-journalisten met de maand kleiner. Dat kwam ook, omdat ik op dinsdag- en woensdagavond de sociëteit van Nieuwspoort indook, waar de krantenmannen en -vrouwen van Audet bij de vaste klanten hoorden. Ik herinner me Yvon van der Heiden, Jan van de Ven, Aukje van Roessel, Carla Joosten, Arnold Mandemaker, Joost Aerts en Frans Boogaard, zomaar wat namen van collega-journalisten voor wie Max in al die Haagse jaren veel betekend heeft. Frans Boogaard heeft dat goed verwoord in een mooie necrologie voor Villamedia: het digitale domein van de Nederlandse en Vlaamse journalistiek.

Max de Bok met Mr. Doeleman bij het Kort Geding van Wim Klinkenberg (midden) tegen de TROS vanwege de verwijdering van Klinkenberg uit het Journalistenforum, 20 november 1987. (Bron: Wikimedia Commons)
Max de Bok met Mr. Doeleman bij het Kort Geding van Wim Klinkenberg (midden) tegen de TROS vanwege de verwijdering van Klinkenberg uit het Journalistenforum, 20 november 1987. (Bron: Wikimedia Commons)

Dat de afstand tot Max en zijn naaste collega’s korter was dan die tot andere parlementaire journalisten, bleek uit de toestemming om – bij uitzondering, dat wel – gebruik te mogen maken van de technische faciliteiten van de Audet-redactie op de eerste verdieping van het hoekpand van de Spuistraat. Talloze discussies heb ik met Max de Bok gevoerd, in de wandelgangen van het Kamergebouw, in het oude en het nieuwe Nieuwspoort, en in de Nijmeegse City Bar. Ik laat Max zelf aan het woord via een deel van zijn toespraak bij de opening van de expositie ‘Uit de Kamer, uit de Kunst’ op 18 mei 1998. De Kunstcommissie had toegestaan, dat bij mijn vertrek uit de Kamer de bevriende kunstenaars Harrie Gerritz, Oscar Goedhart en Rob Terwindt hun werk mochten tonen in de sociëteit en hal van Nieuwspoort. Max zei toen onder meer: ‘Ad en ik zijn voor de Nijmeegse kroegvrienden vele, lange jaren prototypen geweest van antagonisme: onze kroegdebatten waren befaamd. Voor de stamgasten waren wij exemplarisch voor de verdorven mores in het politieke dorp Den Haag: eerst elkaar voor rotte vis uitmaken en daarna samen een biertje drinken. We hebben inderdaad, hier aan de tap van Nieuwspoort, daar in Nijmegen in de City Bar hooglopende, op ruzietoon gevoerde discussies gehad. Ze gingen altijd ergens over, al wist ik de dag erna zelden meer waarover, behalve dan voor honderd procent zeker, dat het over dat verderfelijke CDA was gegaan. We bezigden voor onze discussie een niet afgesproken techniek. We herhaalden in alle vriendschap gewoon de discussie die we tevoren in Nieuwspoort in alle ernst hadden gevoerd, maar speelden daar in de City Bar opwinding en kwaadheid’.

Nieuwspoortdiner 2006: Max de Bok met Tony Blair, Joke de Boer en Paul Nouwen Bron: DE Telegraaf, Foto: Jos van Leeuwen
Nieuwspoortdiner 2006: Max de Bok met Tony Blair, Joke de Boer en Paul Nouwen. Bron: De Telegraaf. Foto: Jos van Leeuwen

Max de Bok ten voeten uit: betrokken, bevlogen, scherpzinnig, taalvaardig. Hij noemde mij toen ‘Een bijzonder geval’ maar hij was dat zelf in veel sterke mate, zeker wanneer zijn creativiteit, bestuurskracht en bindend vermogen – ook buiten Nieuwspoort: denk aan het jarenlange voorzitterschap van de NVJ – in de beschouwing worden betrokken. Zou de toenmalige top van De Gelderlander dat hebben gedaan, dan zou Max ongetwijfeld als opvolger van Louis Frequin hoofdredacteur van de Gelderlander zijn geworden, een goede en sterke bovendien. Maar Nieuwspoort zou een even krachtige als innemende bestuursvoorzitter hebben gemist. En Max zelf een groot aantal Haagse jaren, die hij met passie en plezier heeft beleefd, voor en na zijn voluit verdiende erepoorterschap in 2003. Die eervolle onderscheiding had hij mij op 2 juni 1998 tijdens het afscheidsfeest in Nieuwspoort bij het vertrek uit de Tweede Kamer overhandigd. Hij vertelde de gasten daarbij, dat ik journalist wilde zijn (mits meteen hoofdredacteur) en kunstenaar. Quod non. Toen Lex Oomkes – een van zijn latere opvolgers als voorzitter van Nieuwspoort – bij zijn afscheid tot Erepoorter werd benoemd, stelde Max voor, dat bij de uitreiking van het befaamde Erepoorterglaasje een reünie van Erepoorters voortaan een gepaste entourage zou zijn. Of het zover komt zal Max de Bok helaas niet meer meemaken. Zijn familie, vrienden en collega’s moeten het doen met de vele herinneringen aan een meer dan bijzonder geval: de man die zijn leven lang een uitnemend politiek en parlementair journalist was , volgens Mark Kranenburg (NRC) ‘hongerig en met een eigen mening’ maar ook volop bij machte om ‘het vrije woord’ en de ‘parlementaire democratie’ als kernwaarden alle ruimte te geven. Het was een voorrecht Max de Bok meer dan veertig jaren te hebben mogen ontmoeten, de nieuwsgierigheid voorbij, de vriendschap koesterend.

 

Winfried Witjes (1958 -2016) De Oranje Generaal

De Oranje Generaal op de Sint Annastraat in Nijmegen; op de achtergrond het Radboud UMC
De Oranje Generaal op de Sint Annastraat in Nijmegen; op de achtergrond het Radboud UMC (Foto: Ad Lansink)

Nog steeds zie ik hem daar staan, bij de intocht van de 100e Vierdaagse, op die zonnige vrijdagmiddag, voor het terras van de Nijmeegse Hofraad en de Stichting Jupla; voortzetting van  de ooit door PricewaterhouseCoopers begonnen ‘hospitality’, vlak bij het Radboud UMC. De traditionele disk jockey had een pittige versterking gekregen van C’est Tout: het befaamde orkest, dat op de Nijmeegse carnavalszaterdag de Hofraad begeleidt op zijn dwaal- en dweiltochten . De overigens terecht betalende gasten van het bijzondere ‘event’ op de Sint Annastraat hadden over niets te klagen. Integendeel. Bier, bitterballen, broodjes met allerhande beleg en wat dies meer zij, een goede sfeer en zoals gezegd: prima muziek, die de ‘overgebleven’  Vierdaagselopers – altijd nog ca 42.500 wandelaars – een extra boost gaf.

Winfried Witjes, alias de Oranje Generaal in vol ornaat
Winfried Witjes, alias de Oranje Generaal in vol ornaat, met trofee (Foto: ANP)

Nog zie ik hem daar staan, de statige Oranje Generaal, bij de blazers en trommelaars van C’est Tout in hun (ook) oranje poloshirts. Sommige outsiders zagen in de volledig in oranje gestoken Winfried Witjes de dirigent van het weer welluidende dweilorkest. Maar insiders wisten wel beter, net zo als de vele Vierdaagselopers, die met de Oranje Generaal een selfie schoten, of zich lieten fotograferen door een bereidwillige omstander. Zij herkenden meteen de hartstochtelijke oranje-fan, die het Nederlands elftal op alle binnen- en buitenlandse avonturen volgde. In Nijmegen salueerde de Oranje Generaal met het  wat fors uitgevallen hoofddeksel voor de langs trekkende militairen.  Individuele wandelaars begroette hij met gladiolen, die gulle lopers hem in de handen hadden geduwd. De wandelaars – vrijwel allemaal lachend – genoten van de man, die uitgegroeid is tot de officieuze sportmascotte van Nederland. Elstenaar Winfred Witjes genoot zelf ook van de rol, die hij zichzelf bij de intocht van de Vierdaagse had aangemeten: een enthousiast binnenhalen van al de mannen en vrouwen, die de hitte en de regen achter zich hadden gelaten, en gezond en wel op weg waren naar het zoveelste Vierdaagsekruis.

De Oranje Generaal verwelkomt de omvangrijke groep van de Nederlandse politie (Foto: Ad Lansink)
De Oranje Generaal verwelkomt de omvangrijke groep van de Nederlandse politie (Foto: Ad Lansink)

Wat een mooi feest, toch, zei hij mij, toen we elkaar spraken, kort voor de bezemwagens te kennen gaven, dat nu echt de laatste lopers voorbij waren. Het was intussen zes uur. De Oranje Generaal had vanaf twaalf uur vrijwel onafgebroken de lopers verwelkomd, zichtbaar genietend van de vonken van (h)erkenning van talloze wandelaars. Twee dagen later – zondagmiddag 24 juli 2016 – lees ik op de website van Omroep Gelderland het bericht, dat de Oranje Generaal – ’s ochtend plotseling is overleden. Op weg naar Schiphol, waar hij de Nederlandse deelnemers aan de Olympische spelen zou uitwuiven is hij – nog pas 58 jaar oud – geveld door een hartstilstand. Het is bijna niet te geloven: de man, die mij nog geen twee dagen eerder uitbundig vertelde, dat hij met onnoemelijk plezier het Nijmeegs en tegelijk internationaal wandelfeest had beleefd, zou nooit meer kunnen doen wat hij vanaf 1988 met zoveel inzet had gedaan. De 100e Vierdaagse werd het wandelevenement met de records: het aantal deelnemers, het aantal uitvallers, de hoge temperatuur, het aantal dagen met vervroegde start en verlengde binnenkomst. Maar die 100e Vierdaagse is ook het laatste sportevenement, waar Winfred Witjes – de Oranje Generaal – zijn aanstekelijk enthousiasme deelde met de vele omstanders. De ‘selfies’ vormen een tastbare herinnering aan een markante man.

Vele tinten roze

Ger Leenders, Leo Schrijver en Frans Zuidgeest, klaar voor de start (Foto: Ad Lansink)
Ger Leenders, Leo Schrijver en Frans Zuidgeest, klaar voor de start (Foto: Ad Lansink)

Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat: drie dagen Giro d’ Italia in en door Gelderland, dankzij de ruimhartige bijdragen van het provinciaal bestuur en de gemeenten Apeldoorn, Arnhem en Nijmegen. Op het zonovergoten terras van de Vereeniging vroegen enkele partners van het Nijmeegs Ondernemerscafé zich hardop af, of ‘het eruit gehaald’ zou worden: de duizenden munten van bestuurders en ondernemers. De BTW verdwijnt immers in de Rijkskas. Een echt antwoord bleef uit. Maar de intussen bekend geworden overwinning van Tom Dumoulin in de proloog – de fraaie tijdrit in het overvolle Apeldoorn – bleek een mooie compensatie van de kritische kanttekeningen. Een Nederlandse renner in de roze trui over de Oranjesingel, dat zou toch meer dan een historische gebeurtenis worden, voor Ton Dumoulin en voor ritwinnaar Kittel, die ‘an amazing experinence’ beleefde.

Forza Tom: een terechte aansporing op de Nijmeegse Oranjesingel (Foto: Ad Lansink)
Forza Tom: een terechte aansporing op de Nijmeegse Oranjesingel (Foto: Ad Lansink)

Enkele fietsende partners van het Ondernemerscafé besloten om een klein deel van het Nijmeegs traject te verkennen. De politie was zo bereidwillig geweest om heel wat uren voor de echte doortocht en aankomst de singels autovrij te maken. Ruim baan dus voor Ger Leenders, Frans Zuydgeest en Leo Schrijver om over over de Oranjesingel naar de Berg en Dalseweg te fietsen: een wel erg kleine etappe, maar toch zwaar na een verblijf van enkele uren op het terras van de Vereeniging, temeer waar fluitjes uit het assortiment bierglazen verdwenen waren. Op weg naar huis ontdekte het drietal fietsende ondernemers vele tinten roze op Dar-containers en vlaggen, op stoelen en bloembakken, en niet te vergeten op het poloshirt van Frans, die als bloemenleverancier van de Giro in een opperbeste stemming verkeerde.

Nijmegen kleurt roze, dank zij de DAR, die al jaren geleden de goede kleur wist te vinden (Foto: Ad Lansink)
Nijmegen kleurt roze, dank zij de DAR, die al jaren geleden de goede kleur wist te vinden (Foto: Ad Lansink)

Halen zij het eruit? De vraag is even begrijpelijk als onzinnig. Maatschappelijke kosten en baten blijven altijd een punt van discussie, binnen en buiten de wereld van de sport. Brood en spelen is niet voor niets een eeuwenoude leus. Commercialisering is van alle tijden. De grote belangstelling tijdens de proloog in Apeldoorn krijgt ongetwijfeld een vervolg op de zonnige dagen waarop de renners van Arnhem via de Veluwe en de Betuwe naar (het Rijk van) Nijmegen en van Nijmegen door de Achterhoek weer naar Arnhem koersen. Een groot deel van Gelderland komt aan haar trekken, ook landschappelijk, gelet op de uitgekiende route.

Ger Leenders, Leo Schrijver en Frans Zuydgeest en route (Foto: Ad Lansink)
Ger Leenders, Leo Schrijver en Frans Zuydgeest en route (Foto: Ad Lansink)

De stedelingen van Arnhem en Nijmegen beseffen opnieuw, dat start en aankomst van de Giro d’ Italia tot een gedeelde verbintenis leiden. Nu ook de roze weergoden op 6, 7 en 8 mei 2016 Gelderland goedgezind zijn, is er alle reden om volop te genieten van de doortocht van het 198-man sterke Giro-legioen, met in hun midden roze-trui-drager Ton Dumoulin.

De verslaggever mocht ook een stukje Oranjesingel rijden (Foto: Leo Schrijver)
De verslaggever mocht ook een stukje Oranjesingel rijden (Foto: Leo Schrijver)

Vele tinten roze:  die woorden brengen mij ook bij de column ‘Roze’ van Hugo Camps in de NRC van 7 mei 2016, kennelijk opgeschreven, kort na de proloog met Tom’s overwinning op een honderdste seconde. Ik bewonder de columnist al heel wat jaren. Maar de opening van 7 mei 2016 deugt niet: ‘Het deed denken aan een zielsverhuizing, de Giro d’ Italia in Apeldoorn. La vie en rose is niet wat je verwacht in Gelderland. De lichtheid van het bestaan kom je niet tegen in Nijmegen en Arnhem. Basissocialisten!’ Jawel: met uitroepteken. Hangt Hugo Camps de deugniet uit, of moet hij de Nijmeegse lichtheid nog leren kennen. Gelukkig vindt hij de opening van de Giro een succes. Na drie dagen Giro d’ Italia leert hij waarschijnlijk ook de Gelderse lichtheid kennen, in veel tinten zoals dat met alle kleuren het geval is.

Ereprijs voor taalvirtuoos Hugo Camps

'Geluk is verdriet dat even uitrust': In gesprek met zichzelf kijkt interviewer en columnist Hugo Camps (72) terug op dertig jaar Elsevier (Bron: Elsevier, 4 maart 2016)
‘Geluk is verdriet dat even uitrust’: In gesprek met zichzelf kijkt interviewer en columnist Hugo Camps (72) terug op dertig jaar Elsevier (Bron: Elsevier, 4 maart 2016)

Een klein bericht in de NRC: Camps wint Jean Nelissen Award. Camps is de Belg Hugo Camps, de befaamde journalist, interviewer en vooral columnist, die al vanaf 1993 elke week zijn taalvirtuositeit ten beste geeft in de NRC. Ik begin de zaterdagkrant steevast met de columns van Youp van ’t Hek, Bas Heijne en Hugo Camps. De volgorde wordt bepaald door de toegankelijkheid: Youp van ’t Hek is te vinden op de achterzijde van de krant, Bas Heijne op pagina twee, en Hugo Camps staat wat verscholen op de sportpagina’s, in het economiekatern. De drie begaafde NRC-columnisten paren inhoud aan zeggingskracht, en vorm aan stijl. Hun observaties zijn vrijwel altijd raak, de stellingen steeds verdedigbaar en de boodschappen niet mis te verstaan. Dat dat geldt voor Youp van ’t Hek en Bas Heijne spreekt bijna vanzelf, voor Hugo Camps wellicht wat minder, omdat zijn columns over sport gaan, in het bijzonder over voetbal en wielrennen. Toch verdient ook Hugo Camps, die via Elsevier – al dertig jaar – en NRC zijn buurlandgenoten bereikt, alle waardering. Elke keer wanneer ik zijn column lees, vraag ik me af hoe hij de fraaie zinnen, bijzondere uitdrukkingen en opvallende woorden vindt. Hij maakt op onnavolgbare wijze de lezer deelgenoot van zijn bewondering of afkeer, van zijn verwondering of twijfel. Hugo Camps verdient voluit de Jean Nelissen Award, de ereprijs met de naam van een van de beste wielerjournalisten, die Nederland ooit gekend heeft.

Knipsel uit NRC - Maandag 11 april 2016
Knipsel uit NRC – Maandag 11 april 2016

De aankondiging van de uitreiking van de ereprijs – op zaterdag 16 april 2016 in Maastricht, aan de vooravond van de Amstel Goldrace – doet mij terugdenken aan een voorval in Amerika, na de uitschakeling van het Nederlands Elftal op het WK Voetbal in 1994. Na de op 9 juli 1994 met 3-2 verloren kwartfinale tegen Brazilië in het Cotton Bowl Stadion in Dallas stond ik in het bijzijn van enkele andere leden van de KNVB-delegatie te praten met Frank Rijkaard. Het was ondanks de nederlaag een ontspannen gesprek met een van de Nederlandse topspelers. Plotseling zei Frank Rijkaard, dat hij moest vertrekken. Achteraf bleek, dat Frank geen zin had in een gesprek met Hugo Camps, die op ons af kwam, kennelijk om hem wat vragen te stellen. Ik kon me Franks terughoudendheid voorstellen, omdat ik zelf enkele maanden eerder door Hugo Camps in Elsevier op de hak was genomen, als de politieke boboo die zich zonodig als sportbestuurder moest manifesteren. Desondanks – of misschien juist daardoor – ben ik door de jaren heen Hugo Camps als journalist en columnist blijven volgen, als liefhebber van zijn taalvirtuositeit, maar ook als bewonderaar van zijn inhoudelijke stellingname.

Premier Dries van Agt bij Tour de France met Zoetemelk (Raleigh) (Foto: Cor Vos ©1981)
Premier Dries van Agt bij Tour de France met Zoetemelk (Raleigh) (Foto: Cor Vos ©1981)

De afstand kennend tussen Hugo Camps en politieke bobo’s is het verrassend, dat Dries van Agt, oud-politicus en in zekere zin een van mijn politieke leermeesters de Jean Nelissen Award aan Hugo Camps uitreikt. Zou de voor- en naliefde van Dries voor het wielrennen betekenen, dat hij voor Hugo Camps geen bobo is? Waardeert de schrijver de oud-premier voor zijn onbetwiste taalvaardigheid? Of zijn er andere redenen, waarom de ontmoeting in Maastricht hartelijk zal uitpakken? Hoe het ook zij: in de wielersport en de taalkunstenarij delen de oud-politicus en de schrijver ongetwijfeld elkaars kwaliteiten. Ik herinner me overigens – bijna als de dag van gisteren – dat ‘amice’ van Agt op de Grote Markt in Nijmegen het startschot loste voor een van de etappes van de Ronde van Nederland. Het was op 14 augustus 1978. Wij konden toen niet vermoeden, dat bijna 38 jaar later diezelfde Grote Markt een voorname rol zou gaan spelen in de Giro d ‘Italia. Wanneer Hugo Camps en Dries van Agt op op 7 mei 2016  – een nu al gedenkwaardige dag – in Nijmegen zijn – wie weet – dan ga ik met hen in Café Goossens op de Grote Markt een ‘pintje vatten’. Of een goed glas wijn. Wie weet?

 

Met Stasiu I op pad in Knotsenburg

Nijmegen heet vier dagen lang Knotsenburg, naar het vroegere fort aan de overzijde van de Waal, waar nu de Spiegelwaal  – de internationaal befaamde nevengeul – een deel van het soms wassende water afvoert. Knotsenburg viert carnaval zoals dat ook in het Lampegat en andere grote of kleine ‘gaten’ wordt gevierd, onder aanvoering van een man, die vier volle dagen de scepter zwaait over zijn tijdelijke narrenrijk. Prins Sasiu I en zijn kabinet voeren de Knotsenburgers aan, geestdriftig en overtuigd van eigen kunnen. Zo hoort het ook, zelfs wanneer de weergoden niet voor honderd procent meewerken. Het motto ‘Knotsenburg Uit De Kunst’ zegt genoeg.

Prins ben je even, maar ex-prins voor het leven. Die woorden van Johan Klomp, de ‘feursitter’ van het Convent van Ex-Prinsen, kan ik volledig onderschrijven. Het is intussen 38 jaar geleden, dat Brandpunt – het  ooit fameuze  KRO-TV-programma – Willibrord Frequin en Charles Schwietert met een cameraploeg naar Nijmegen stuurde om serieus vast te leggen hoe een kersvers Tweede Kamerlid het er afbracht in zijn onverwachte en ongedachte rol als Prins Carnaval, onder meer bij de Waterjokers, de Grasschoppers en tijdens de carnavalsoptocht. Sinds 1978 ben ik in mijn geliefde Knotsenburg blijven hangen, als een van de vele deelgenoten van wat ook wel een harde kern wordt genoemd. Tot die harde kern behoren hoe dan ook de leden van het Prinsenconvent, die elkaar – zoals zij soms roepen –  vasthouden in goede en slechte tijden en dus ook oog hebben voor kleine en grote zorgen.

EPSON MFP imageDe goede tijden zijn inmiddels aangebroken.  Op de vrijdag voor de echte Knotsenburger Vierdaagse ontving de Hofraad 1500 gasten in de Vereeniging op het feestelijke Hofbal. Tussen de Sleuteloverdracht op zaterdag en de Ontluistering op dinsdag is er veel te beleven, en soms ook te doen.  Kom naar Knotsenburg en probeer op straat of in kroeg, tent of kerk – jawel: de Carnavalsmis hoort er ook bij – Prins Stasiu I of Jeugdprins Tije I te vinden, of anders een van de voorgangers, in welke gedaante of met welk hoofddeksel ook. Insiders herinneren zich  ongetwijfeld de naam en het jaartal van de afgebeelde ex-prinsen. Zo niet, dan toch van harte een driewerf Alaaf.

De Overkant van Marena Seeling bij Galerie de Natris

_MG_0152biDe spectaculaire veranderingen, die Nijmegen ten noorden van de Waal ondergaat met de ontwikkeling van de nevengeul – nu Spiegelwaal genaamd – zijn een oneindige bron van inspiratie voor Marena Seeling. De kunstenares, die een karakteristiek handschrift heeft ontwikkeld, ontdekte tijdens het graven van de nevengeul en de bouw van bruggen en oevers een heel nieuw landschap.

_MG_0190biGewapend met haar blote oog en met een camera trok Marena af en toe naar de rivier, die nu dwars door Nijmegen loopt in plaats van er omheen. Grote en kleine bruggen overspannen het water, dat zijn eindeloze weg blijft zoeken tussen de kade en de uiterwaarden, langs de betonnen keerwand en de stevige pijlers van de spoorbrug, en door de nieuwe Spiegelwaal

_MG_0273biNog voordat bewoners en bezoekers het nieuwe stadseiland en zijn naaste omgeving hebben leren kennen en waarderen, heeft de kunstenares al fraaie beelden geschetst van wat de toekomst aan indrukken en gevoelens gaat oproepen. Herkenbare en abstracte beelden wisselen elkaar af, met verrassende kleurstellingen, die andere vergezichten oproept, letterlijk en figuurlijk.

_MG_0278biDe aquarellen lijken eenvoudig, maar bevatten ook in detaillering onvermoede aspecten. Zij roepen een sfeer van ruimte op, maar ook van geborgenheid. Een alles omvattende  omschrijving van de aquarallen, schilderijen en objecten is, anders dan de titel ‘De Overkant’ van de expositie doet vermoeden,  niet te geven, nog afgezien van het feit dat ‘De Overkant’ zelf al een meervoudige betekenis kent.

Marena Seeling, z.t. 2015, olie op linnen, 120 x 160 cm
Marena Seeling, z.t. 2015, olie op linnen, 120 x 160 cm

De invalshoek van de vier windstreken biedt de kunstenaar en de toeschouwer een breed scala aan indrukken. Datzelfde geldt voor het tijdstip van de dag, het jaargetijde of het weer. Het wekt dus geen verbazing, dat Marena Seeling het kleurrijke domein van  ‘De Overkant’ in meer dan honderd aquarellen heeft weten te vangen. De schilderijen in klein en groot formaat vormen een welkome aanvulling op de reeks aquarellen, een  verdieping tegelijk.

Marena Seeling, z.t. 2015, olie op linnen, 120 x 160 cm
Marena Seeling, z.t. 2015, olie op linnen, 120 x 160 cm

Bij de goed bezochte opening van de expositie in Galerie de Natris aan de Nijmeegse van Dulckenstraat bracht Coen Vernooij ‘Lost Tapes’ ten gehore, een eigen compositie, gebaseerd op de bijzondere landschappen van Marena Seeling. Ook niet-geoefende luisteraars ontdekten met speels gemak de samenhang tussen de melodieën en tonen uit Coen’s baritonsaxofoon en de meervoudige verbeelding van ‘De Overkant’: de door mensen en machines geschapen nieuwe natuur in Nijmegen.

Marena Seeling, z.t. 2015, aquarel, 17 x 23 cm
Marena Seeling, z.t. 2015, aquarel, 17 x 23 cm : alle afbeeldingen op de rechterzijde

Werk van Marena Seeling (en Coen Vernooij) is tot en met 30 augustus 2017 te bezichtigen, bij EM Galerie, in Kollum (Friesland) . De galerie is  open op donderdag, vrijdag en zaterdag en voorts op afspraak.